Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.5.3.1
III.5.3.1 Rechtsvragen en processuele feiten
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602074:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook Zopfs 1999, p. 269. Hij bespreekt de separate ontwikkeling naast het in dubio pro reo van het adagium in dubio mitius, bij twijfel de mildere wetsuitleg, in het Duitse recht.
Zo ook Underwood 1977, p. 1340-1343; Feteris 2002, p. 361. Underwood wijst er terecht op dat wel moeilijke gevallen te bedenken zijn, waarvan twijfelachtig is of zij de strafwaardigheid van de daad of dader wegnemen, zoals de uitlokking van overheidswege. Vgl. ook HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2911: ter zake van de dood van de verdachte als vervolgingsbeletsel gaat het in dubio pro reo niet op.
Bewijs in het algemeen en ook de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie in het bijzonder, hebben op de eerste plaats louter betrekking op de vaststelling van feiten. Wetsuitleg en andere rechtsvindingsvraagstukken vallen daarmee buiten bereik.1 Voor het bestaan van het recht tot straffen zijn daarnaast vele, ook processuele feiten relevant. Dat ook de geldige betekening van de dagvaarding, het in leven zijn van de verdachte, de rechtmatigheid van de bewijsvergaring en de integriteit van het Openbaar Ministerie, in beginsel steeds bewijs beyond reasonable doubt behoeven, gaat echter te ver. In de eerste plaats omdat de termen ‘schuldig’ en ‘onschuldig’, waaraan de onschuldpresumptie is opgehangen, wel erg ver afstaan van het bewijs van dergelijke processuele feiten. De primaire grondslag voor de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie strekt zich bovendien tot dergelijke feiten niet uit. Wanneer iemand een verboden, strafwaardige gedraging heeft begaan is het tegenover hem in beginsel billijk dat hij wordt gestraft. Dat neemt niet weg dat ondanks die strafwaardige gedraging er allerlei goede redenen kunnen bestaan om de bestrafbaarheid van het individu te beperken, maar onterechte aanname van vervulling van die processuele voorwaarden voor bestraffing, heeft niet hetzelfde individuele onrecht tot gevolg als het onterecht vervuld achten van meer materiële voorwaarden voor strafbaarheid. Niet voor niets kunnen adagia als ‘beter tien daders na berechting binnen een redelijke termijn vrijuit, dan één dader na berechting binnen een onredelijke termijn bestraft’, ‘beter tien levende daders vrijuit, dan één dode dader veroordeeld’, of ‘beter tien daders van een nog niet-vervolgd feit vrijuit, dan één dader van een al eerder vervolgd feit een tweede maal veroordeeld’ niet op dezelfde brede instemming rekenen als de Trajanusregel. Feitelijkheden die voor de waardering van zowel daad als dader irrelevant zijn, vallen mitsdien buiten het bereik van de bewijsdimensie.2