Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.1
III.1 Vooraf: bewijsdimensie en behandelingsdimensie
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600892:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83, par. 77(Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje). Vgl. ook eerder al ECieRM 30 maart 1963, nr. 788/60, rep., par. 179 (Oostenrijk/Italië-Pfunders). De overweging is herhaald in o.a. EHRM 20 maart 2001, nr. 33501/96, par. 15 (Telfner/Oostenrijk); EHRM 10 januari 2002, nr. 67128/01, dec. (Hudson/Macedonië); EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97, par. 97 (Janosevic/Zweden); EHRM 3 oktober 2002, nrs. 46133/99 en 48183/99, dec. (Smirnova en Smirnova/Rusland); EHRM 14 februari 2006, nr. 53434/99, dec. (Paulow/Finland); EHRM 7 juni 2007, nr. 20289/02, par. 46 (Gutu/Moldavië).
Geciteerd uit o.a. EHRM 3 oktober 2002, nr. 37568/97, par. 54 (Böhmer/Duitsland). Vgl. EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79, NJ 1986, 698, par. 37 m.nt. Alkema (Minelli/Zwitserland).
HvJ 16 juli 2009, C-344/08, par. 30-32 (Tomasz Rubach).
General Comment 1984/13, par. 7; General Comment 2007/32, par. 30.
HR 5 december 1995, NJ 1996, 411 m.nt. Schalken, r.o. 6.3.1.
Tophinke 2000.
Van Sliedregt 2009, p. 24-37.
Buruma 2009.
De Jong & Van Lent 2013, p. 275.
Trechsel 2005, p. 163-164 en 167 e.v.
Trechsel 2005, p. 179-182.
Zie o.a. Schwikkard 1998; Redmayne 2007, p. 218-219; Jackson & Summers 2007, p. 199-207; Stumer 2010, p. xxxviii.
Keijzer 1987, p. 243-250.
Zie hierna § III.3.6.
Keijzer 1987, p. 245-246.
Corstens/Borgers 2014, p. 45-47.
Zie echter ook de ‘continentale’ publicaties van Essaid 1971, volgnrs. 132-136; Foret 2007; Van Sliedregt 2009, p. 37-43.
Naoorlogse literatuur uit diverse landen met een op de common law gebaseerd rechtsstelsel die de onschuldpresumptie (vrijwel) alleen als bewijs- en beslisregel benadert, is overvloedig. Zie bijvoorbeeld Bridge 1949, p. 282; Healy 1987, p. 364; Schwikkard 1998, p. 404; Stumer 2010, p. xxxviii-xxxix; Hamer 2011, p. 417 e.v.; Gray 2012. Quintard-Morénas 2010, p. 108, voetnoot 7 vond onder zestien Amerikaanse handboeken slechts één die de vraag opwierp of de onschuldpresumptie meer is dan een bewijsdoctrine.
Schwikkard 1998, p. 404-405; Summers 2001, p. 38; Jackson & Summers 2007, p. 207; Stumer 2010, p. xxxix. Zie over deze kritiek nader § IV.2.
Henrion 2006, p. 458-459.
Stuckenberg 1998; Stuckenberg 1999, p. 454; Stuckenberg 2014.
Weigend 2013; Weigend 2014.
Duff 2013a.
Vgl. § IX.6.1.
Ook afwijzend over de theorie van Duff zijn Weigend 2013, die met mij meent dat het vertoog in normatief opzicht geen verheldering biedt, en Knigge 2013 die terecht bena- drukt dat voor de zienswijze onvoldoende positiefrechtelijke aanknopingspunten bestaan.
Zie hierna § IX.3.2.
De onschuldpresumptie heeft haar huidige gestalte goeddeels te danken aan haar eigen ontwikkelingsgeschiedenis. De gescheiden ontwikkeling in het Engelse taalgebied en op het Europese vasteland heeft geleid tot een beginsel dat zich kenmerkt door twee niet eenvoudig tot een geheel te fuseren dimensies. In het vorige hoofdstuk bleek reeds hoezeer de Angelsaksische ontwikkeling van de presumptie van onschuld is verknocht met het bewijsrecht, terwijl de Europese ontplooiing een bredere betekenis aan het beginsel verschafte die vooral in het vooronderzoek van belang was. De onschuldpresumptie werd opgeworpen tegen onheus gebruik van dwangmiddelen als tortuur en voorlopige hechtenis en tegen onnodig vernederende gebruiken ter terechtzitting. Op schuld diende niet geanticipeerd te worden door een verdachte vóór veroordeling al, in materiële zin, te straffen. Zo manifesteert de onschuldpresumptie zich historisch gezien enerzijds in de wijze waarop de bewijsbeslissing in een strafrechtelijke procedure tot stand moet komen en anderzijds in de behandeling en bejegening van een verdachte gedurende de gehele procedure. Daarmee zijn de contouren geschetst van een bewijsdimensie en een behandelingsdimensie.
Ook in de naoorlogse ontwikkeling van het beginsel is deze tweedeling een steeds terugkerend verschijnsel. De algemene overwegingen van internationale, met uitleg van het verdragsrecht belaste organen, laten zich in die sleutel plaatsen en duiden op erkenning van de werking van het beginsel in beide sferen. De rechtspraak van het EHRM kent bijvoorbeeld geen scherpe en allesomvattende definitie van het onschuldvermoeden. In feite gebruikt het Hof twee standaardoverwegingen veelvuldig en afwisselend, naar gelang de rechtsvraag in kwestie. In Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje omschreef het Hof de onschuldpresumptie als volgt:
“It requires, inter alia, that when carrying out their duties, the members of a court should not start with the preconceived idea that the accused has committed the offence charged; the burden of proof is on the prosecution, and any doubt should benefit the accused.”1
Tot deze voor de bewijsbeslissingen relevante aspecten is artikel 6 lid 2 EVRM evenwel niet beperkt. De bepaling verbiedt namelijk tevens aan overheidsfunctionarissen op enige wijze blijk te geven van een schuldovertuiging voordat de zittingsrechter een oordeel van die strekking heeft uitgesproken. De vaakst gebezigde formulering van het onschuldvermoeden vindt haar oorsprong in Minelli/Zwitserland en luidt:
“[...] [T]he right to the presumption of innocence will be violated if a judicial decision or a statement by a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects the opinion that he is guilty before he has been proved guilty according to law.”2
Met verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM heeft ook het HvJ in algemene zin geoordeeld dat de onschuldpresumptie de bewijslast bij de vervolgende instantie legt en voorts ”[...] eenieder [beoogt] te garanderen dat hij niet als schuldig aan een strafbaar feit wordt aangewezen of behandeld voordat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.”3
In de door het VN Mensenrechtencomité aan artikel 14 lid 2 IVBPR gegeven uitleg springt de tweeledige inhoud eveneens in het oog, zij het dat het behandelingsaspect iets vager is verwoord. Centraal in de General Comments van het VN Mensenrechtencomité staat de betekenis van de onschuldpresumptie voor de bewijsbeslissing. Het Comité geeft daarvoor dezelfde normen als het EHRM, met dien verstande dat het daaraan uitdrukkelijker een bewijsmaatstaf toevoegt; bewijs van schuld dient niet alleen op wettige wijze, maar ook beyond reasonable doubt te geschieden. Naast bewijsrechtelijke eisen, stelt het beginsel voorts de eis dat verdachten “must be treated in accordance with this principle”.4 Kortom, internationale instituties erkennen beide aspecten of varianten van de onschuldpresumptie, maar geen van hen legt daartussen een duidelijk theoretisch verband. De Hoge Raad lijkt zich hier in algemene zin bij aan te sluiten:
“[H]et in het tweede lid van art. 6 EVRM onderscheidenlijk van art. 14IVBP geformuleerde beginsel, [...] houdt […] in dat degene tegen wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden om zijn onschuld te bewijzen, en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld […] de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.”5
De tweedeling loopt ook als een rode draad door de rechtswetenschappelijke literatuur. Sommige auteurs hanteren dezelfde of een vergelijkbare tweedeling. Zo behandelt Tophinke in haar proefschrift de inhoud van de onschuldpresumptie in twee boekdelen, Unschuldsvermutung und Beweis der Schuld en Unschuldsvermutung und Behandlung der beschuldigten Person.6 Soortgelijk bespreekt Van Sliedregt in haar oratie de onschuldpresumptie in twee gedaanten, te weten als bewijs- en beslisregel enerzijds en als beperkingsregel in verband met het voorarrest anderzijds.7 In zijn kritische bespreking van de oratie gebruikt Buruma een vergelijkbare indeling: de onschuldpresumptie als procesbeginsel aan de ene kant en de onschuldpresumptie als schild tegen bezwarend handelen aan de andere.8 De Jong & Van Lent concluderen hun behandeling van de literatuur met de opmerking dat het principe daarin op twee terreinen naar voren komt, te weten “bij de rechter als de ultieme beslisser met zijn gereedschapskist van het bewijsrecht en [...] bij de inzet van (ingrijpende) dwangmiddelen [...] in het vooronderzoek”.9 De differentiatie van Trechsel tussen een outcome-related en reputation-related aspect stemt daarmee tot op zekere hoogte overeen.10 Uitkomst gerelateerd zijn naast de bewijsrechtelijke aspecten evenwel ook de uitlatingen van overheidsfunctionarissen en virulente perscampagnes tijdens de strafprocedure. De term reputation-related moet Trechsel oprekken om daar naast uitlatingen na een strafprocedure ook de inzet van dwangmiddelen onder te scharen.11 De Engelse literatuur ziet dikwijls een oorspronkelijke kern van de onschuldpresumptie, waaronder men dan verstaat dat de bewijslast rust op de vervolgende instantie, en een perifeer recht op behandeling als onschuldige zolang de staat aan die bewijslast niet heeft voldaan.12
Auteurs die niet voor een vergelijkbare tweedeling kiezen, onderscheiden vaak meer aspecten die bij nadere beschouwing ook als subaspecten van (één van) beide dimensies te beschouwen zijn. Zo ziet Keijzer in zijn klassieke artikel in de Remmelink-bundel drie aspecten, waarvan het eerste en derde een rol spelen bij de bewijsbeslissing.13 Een bewijsgerelateerd aspect is in de eerste plaats het recht bij redelijke twijfel te worden vrijgesproken, dat in het continentale recht wordt aangeduid met het beginsel in dubio pro reo en in het Angelsaksische recht in het vereiste van proof beyond reasonable doubt besloten ligt. Het derde aspect sluit hier nauw op aan en speelt volgens Keijzer vooral in het Angelsaksische recht een belangrijke rol. Niemand hoeft zijn eigen onschuld te bewijzen; de bewijslast ligt bij de aanklager. Zoals nog zal blijken zijn twijfelregel en bewijslastregel nauw met elkaar verbonden.14 Daartussen plaatst Keijzer ten tweede het recht op behandeling als een onschuldige. Het recht op behandeling als onschuldige behelst volgens hem een verbod op punitiviteit vóór veroordeling, het is het tegenwicht van de verdenking bij de toepassing van dwangmiddelen en de grondslag voor de in artikel 271 lid 2 Sv neergelegde norm dat de rechter ter zitting geen blijk geeft dat hij van de schuld van de verdachte overtuigd is.15 Keijzer relateert dit tweede aspect niet aan de bewijsbeslissing.
Corstens & Borgers onderscheiden vijf aspecten, waarvan de laatste vier verbijzonderingen zijn van een door de onschuldpresumptie voorgeschreven bejegeningswijze. Naast een bewijslastverdeling dicteert de onschuldpresumptie namelijk dat de rechter uitstraalt dat hij de verdachte niet als reeds schuldige ziet, dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat een verdachte aan irreparabele dwangmaatregelen wordt onderworpen of met die maatregelen strafdoeleinden worden nagestreefd, dat bij de wijze van tenuitvoerlegging van die maatregelen het subsidiariteitsvereiste strikt in acht wordt genomen en dat informatieverstrekkende organen als het Openbaar Ministerie en ook de media zich van een voortijdig schuldoordeel onthouden.16
Pogingen de presumptie van onschuld te formuleren als één coherent beginsel stellen zich doorgaans niet tot doel het positieve internationale recht te duiden, maar hebben een sterk normatief of nationaalrechtelijk georiënteerd karakter. Daarbij leidt de divergentie in de ontwikkelingsgeschiedenis van het beginsel tot een tamelijk regiogebonden conceptualisering ervan. Zo bestaat in – vooral17 – de Angelsaksische literatuur veel kritiek op wat ik hiervoor de behandelingsdimensie heb genoemd.18 Deze zou de betekenis van de onschuldpresumptie vertroebelen. Het gebruik van de onschuldpresumptie als containerbegrip en kapstop voor andere rechten zou ertoe leiden dat die rechten in de verdrukking komen wanneer een veroordeling heeft plaatsgehad.19 De bredere, vage inhoud van de onschuldpresumptie als behandelingsrecht ondermijnt bovendien de harde, rechtlijnige inhoud in de bewijsrechtelijke sfeer. Die kritiek onderstreept dat een preciezere afbakening van het beginsel noodzakelijk is, maar neemt daarbij voorshands aan dat de bewijsrechtelijke dimensie het hart van het beginsel vormt.
In de continentale proefschriften van de Duitser Stuckenberg en de Fransman Henrion daarentegen, delft juist de bewijsdimensie het onderspit. Henrion oordeelt in zijn grondige rechtstheoretische vergelijking van het Franse en het Duitse recht dat “[l]a présomption d’innocence s’émancipe du domaine du droit de la preuve”.20 Volgens Stuckenberg volstaat als grondslag voor een bewijslastverdeling ten gunste van de verdachte het aan de apostel Paulus ontleende adagium ei incumbit probatio qui dicit, non qui negat, en is de onschuldpresumptie in zoverre overbodig.21 Ook Weigend acht de waarde van het beginsel voor het bewijs minimaal, in elk geval in stelsels als het Duitse, waarin een verdeling van de bewijslast niet bestaat en de rechter ambtshalve onderzoek doet.22 Dat inspanningen de onschuldpresumptie tot één betekenis terug te brengen zo uiteenlopende resultaten opleveren, laat zich in belangrijke mate verklaren door de historische ontwikkeling van de onschuldpresumptie. Het zet de hiervoor genoemde tweedeling kracht bij.
Eén en ander roept de vraag op of eigenlijk van één recht of één beginsel wel kan worden gesproken. Duff suggereert zelfs dat wij allen bescherming genieten van verschillende presumpties van onschuld, goedheid en betrouwbaarheid in diverse sociale verbanden, zowel binnen als buiten de strafprocedure.23 Een dergelijke these gaat mij te ver. In de eerste plaats zal hierna blijken dat het positieve recht geen overtuigend aanknopingspunt biedt voor de erkenning van een presumptie van goedheid/betrouwbaarheid buiten de strafrechtelijke context.24 Daarnaast helpt het als normatieve theorie ons begrip van de presumptie van onschuld niet verder, omdat de vervolgvraag onvermijdelijk is wat die kleinere beginselen nu met elkaar verbindt, zodat de zoektocht naar één of meerdere overkoepelende noties (toch weer) voortduurt.25
Of en hoe beide aspecten van de onschuldpresumptie met elkaar te verenigen zijn, valt hier nog niet met zekerheid te zeggen. Daarvoor moeten eerst de grondslagen, precieze inhoud, reikwijdte en werking van beide aspecten nader worden geanalyseerd. Ik kom daarop terug in de slotbeschouwingen.26 Uit het voorgaande volgt in elk geval dat de onschuldpresumptie in twee verschillende sferen functioneert. Vooralsnog lijkt weinig die twee inhoudelijk met elkaar te verbinden. Ik zal die sferen hierna dan ook steeds apart nader onderzoeken en ze ten behoeve van de consistentie consequent aanduiden als de bewijsdimensie en de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie.
Alvorens in de hoofdstukken V en VI de positiefrechtelijke neerslag van beide dimensies in de diverse mensenrechtendocumenten uitgebreid nader te onderzoeken, is het goed hun betekenis op een meer theoretisch-conceptueel niveau te verkennen en uit te werken. Zoals aangekondigd en uitgelegd in hoofdstuk I, zal ik in de volgende twee hoofdstukken aan de hand van de juridische literatuur en algemene overwegingen van prominente met uitleg van de onschuldpresumptie belaste instituties, de voor de betekenis van het principe kardinale begrippen definiëren, de in het beginsel besloten normen operationaliseren, de bestaansgronden voor beide dimensies identificeren en enkele grote daarmee verbonden dilemma’s schetsen. Te beginnen met de bewijsdimensie.