Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.5.1
III.5.1 Structuur van mensenrechten: reikwijdte en beperking
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595126:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. artt. 8-10 EVRM en artt. 19, 21 en 22 IVBPR. De nationale grondrechtendoctrine in onder meer Nederland, Duitsland, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten sluit hierbij aan.
Zie, met diverse verwijzingen naar de belangrijkste internationale literatuur over deze structuur van mensenrechten, Gerards & Senden 2009, p. 622-629; Gerards 2012a, p. 12-14. Gerards & Senden besteden aandacht aan het dogmatische en praktische belang van het onderscheid, maar laten ook zien dat deze opvatting niet onbetwist is en bekritiseren het EHRM voor het niet altijd in acht nemen van het verschil tussen beide fasen.
Wat strafrechtelijk is, behoeft op deze plaats geen bespreking. Het toepassingsbereik van de onschuldpresumptie wordt bepaald door de betekenis van het criminal chargebegrip. Zie daarover § V.3.2.
Geen enkel mensenrecht is onbegrensd. Elk recht wordt door interpretatie afgebakend. Zo omvat het recht op leven geen recht om te sterven en is het ondergaan van detentie als zodanig geen vernederende behandeling, maar kan het recht op vrije meningsuiting ook een recht op het ontvangen van informatie behelzen. Zo bakent het EHRM deze rechten althans af. Diverse mensenrechten zijn bovendien niet absoluut. Zij laten zich afwegen tegen andere algemene belangen en de belangen van derden. Grondrechtsvinding in twee fasen, waarbij eerst de reikwijdte, de inhoudelijke betekenis van het grondrecht, wordt gedefinieerd en vervolgens wordt bezien of de inbreuk gerechtvaardigd is, ligt besloten in de formulering van diverse bepalingen van zowel het EVRM als het IVBPR.1
Het onderscheid tussen reikwijdte en beperking heeft verschillende theoretische en praktische implicaties.2 De verdragsrechtelijke bepalingen over de onschuldpresumptie hebben deze structuur niet. Daardoor is het onderscheid tussen kwesties van reikwijdte en beperking niet zo scherp te maken en dat bemoeilijkt uitleg, interpretatie en toepassing ervan.3 Hoewel verdedigbaar is dat sommige van de in paragraaf 6 te bespreken kwesties eveneens onder de reikwijdte kunnen worden geschaard, gaat het daarbij primair om in een proportionaliteitsafweging te betrekken belangen. Hierna zal eerst een tweetal kwesties onder ogen worden gezien die zonder meer betrekking hebben op de reikwijdte van de bewijsdimensie.
Hiervóór is vastgesteld dat de overheid de schuld van de verdachte moet bewijzen, maar wat onder die ‘schuld’ moet worden verstaan is onduidelijk. Het zal in elk geval moeten gaan om strafrechtelijk relevante schuld, om schuld aan een strafbaar feit.4 Dat blijkt niet alleen uit de ontwikkelingsgeschiedenis van de onschuldpresumptie, waaruit nadrukkelijk naar voren komt dat het om een strafrechtelijk principe gaat, maar ook uit de tekst en plaats van de bepalingen over het onschuldvermoeden in de diverse mensenrechtenverdragen. Dat het gaat om schuld aan een strafbaar feit, laat twee vragen of dilemma’s onbeantwoord. Ten eerste een in de literatuur fel betwist punt: in hoeverre schrijft de onschuldpresumptie staten voor wat hun materiële strafrecht moet bepalen? Daarnaast moet worden bezien over welke voor de overheidsbevoegdheid tot straffen noodzakelijke feitelijkheden de bewijsdimensie zich uitstrekt.
Aan de hiervoor geanalyseerde historische ontwikkeling en grondslagen van de bewijsdimensie kunnen weliswaar al enige conclusies worden verbonden, maar doel is hier vooral de reële moeilijkheid van beide kwesties en de aan verschillende oplossingen klevende problemen voor het voetlicht te brengen.