Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/Samenvatting:Samenvatting
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/Samenvatting
Samenvatting
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596304:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk I bevat de inleiding op en de verantwoording van het onderzoek. De onschuldpresumptie is in vrijwel alle mensenrechtenverdragen neergelegd, strekt zich uit over alle fasen van de strafrechtspleging en raakt de kern van het strafproces. Het verbaast dan ook niet dat in juridisch en maatschappelijk debat over het straf(proces)recht de onschuldpresumptie veelvuldig in stelling wordt gebracht. Die discussies illustreren echter ook dat veel onduidelijkheden en misverstanden de onschuldpresumptie omringen en dat zes algemene vragen nog altijd geen eenduidig antwoord hebben. Deze betreffen het karakter ervan op het meest abstracte niveau; de interne coherentie van het beginsel; de juridisch-praktische werking, oftewel de mate waarin de onschuldpresumptie daadwerkelijk sturend en maatgevend is in de praktijk van het strafrecht; de verhouding tot andere rechten en beginselen; het toepassingsbereik; en de betekenis en uitwerking in de Nederlandse strafrechtspleging. Dit boek beoogt onder meer deze kwesties te verduidelijken. De hoofdvraag van dit boek is daarom:
Wat houdt de onschuldpresumptie in, wat is de ratio ervan en wat is de juridische betekenis ervan voor de Nederlandse strafrechtspleging?
Deze onderzoeksvraag leent zich voor een tamelijk klassieke juridisch-dogmatische onderzoeksaanpak, waarin de rechtshistorische achtergronden, theoretische grondslagen en positiefrechtelijke uitwerking van het beginsel aan bod komen.
Hoofdstuk II behandelt de belangrijkste mijlpalen in de historische ontwikkeling van het vermoeden van onschuld. Nagegaan is waar het adagium vandaan komt en welke invulling er door de eeuwen heen aan is gegeven.
Varianten van de stelregel dat het beter is een schuldige ongestraft te laten dan een onschuldige te veroordelen en van de gedachte dat niet een beschuldigde, maar pas een veroordeelde een misdadiger is, waren al in het Romeinse en Germaanse recht bekend. Van een daaruit afgeleid onschuldvermoeden was evenwel nog geen sprake. Een eerste vorm van een vermoeden van onschuld, een vermoeden van goedheid dat ook op het strafrecht van toepassing was, ontstond pas in de late middeleeuwen. Het betrof een onvolmaakt bewijsmiddel met een empirische basis in de status en levenswandel van de betrokkene. Deze betekenis was nog ver verwijderd van de huidige status en uitleg van de onschuldpresumptie als aan eenieder individu toekomend mensenrecht.
Parallel aan dit goedheidsvermoeden ontwikkelde zich in het canonieke recht, het humanisme en het moderne natuurrecht een goedheidsvermoeden dat eenieder toekwam. Aanvankelijk berustte het vooral op de christelijke overlevering, later zijn daarvoor ook seculiere grondslagen aangevoerd. Dit onschuldvermoeden kreeg de functie de bewijslast in strafzaken te verdelen. Omdat ieder mens van nature een ‘onschuldig’ mens is, moet voor de bewering van het tegendeel bewijs worden geleverd. Toen in de negentiende eeuw het Angelsaksische strafproces een meer adversarieel karakter kreeg, maakte de onschuldpresumptie in deze betekenis vooral daar naam.
Tijdens de Verlichting kreeg het onschuldvermoeden op het Europese continent een bredere betekenis. Het nieuwe denken over het publiekrecht in het algemeen en het strafrecht in het bijzonder als een middel tot beperking van staatsmacht en het voorkomen van willekeur, had verstrekkende consequenties voor de opvattingen over het geldende strafrecht. Beccaria en na hem diverse andere hervormingsgezinden, verbonden de onschuldpresumptie met de gedachte dat bestraffing zonder voorafgaande vaststelling van schuld in strijd is met de rechten van het individu. In deze betekenis schrijft de onschuldpresumptie voor hoe de verdachte tot aan veroordeling dient te worden bejegend.
Tussen beide werkingssferen van de onschuldpresumptie, als bewijslastregel en als bejegeningsbeginsel, is echter geen duidelijke verhouding gebleken. In de totstandkomingsgeschiedenis van de UVRM, het IVBPR en het EVRM is te herkennen dat van het beginsel meerdere interpretaties bestonden, zonder dat dat destijds expliciet onder ogen is gezien. Mede daardoor zijn de naoorlogse doctrine en de met uitleg van internationale verdragen belaste instituties met nog vele onduidelijkheden omtrent reikwijdte en inhoud van het onschuldvermoeden geconfronteerd.
Hoofdstuk III vangt aan met de vaststelling dat de in de historische ontwikkeling van het onschuldvermoeden te ontwaren tweedeling zich ook in de hedendaagse betekenis en werking van het vermoeden van onschuld manifesteert en als een rode draad te herkennen is in de (inter)nationale literatuur en rechtspraak. Vandaar dat in dit boek steeds het onderscheid tussen de bewijsdimensie en de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie is aangehouden. Het hoofdstuk behandelt de theoretische achtergronden van de bewijsdimensie.
Vastgesteld is dat de bewijsdimensie bestaat uit meerdere normen. De kern daarvan vormen het bewijsrisico en de bijbehorende bewijsmaatstaf. Indien redelijke twijfel bestaat over de schuld van de verdachte gaat deze vrijuit, oftewel de overheid moet schuld bewijzen met een hoge waarschijnlijkheidsgraad. Om van deze normen geen lege huls te maken is voorts van belang dat de rechter bij zijn bewijswaardering niet reeds van de schuld van de verdachte uitgaat, maar zich louter op het aangedragen bewijs verlaat en gedurende de gehele procedure rekening houdt met de mogelijke onschuld van de verdachte. Dat is een derde norm. De bewijslast behelst daarnaast niet alleen het bewijsrisico; ook de bewijsvoeringslast, dat wil zeggen de taak om de relevante informatie aan te dragen, rust in beginsel op de overheid.
Deze bewijsdimensie heeft meerdere grondslagen. De primaire grondslag ervoor is het voorkomen van de veroordeling van onschuldigen. Het belang daarvan is zo groot dat dat in het strafrecht in beginsel zwaarder weegt dan het belang schuldigen te bestraffen. Een tweede grondslag is gelegen in de rechtsstaatidee die voorschrijft dat de overheid voor dwingend handelen jegens haar burgers een bijzondere legitimatie behoeft en dat die legitimatie alleen bestaat wanneer de vervulling van de daarvoor geldende (materieelstrafrechtelijke) voorwaarden is gedemonstreerd. De bewijsdimensie hangt daarnaast samen met de vrijheid van een individu om zijn procespositie autonoom te kunnen bepalen en daarbij ook een passieve houding te kunnen kiezen. In dat opzicht faciliteert de onschuldpresumptie vooral het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel, welke rechten directer in het geding zijn.
Dat de overheid moet bewijzen dat de betrokkene aan de voorwaarden voor strafbaarheid heeft voldaan, laat in het midden of de onschuldpresumptie aan het materiële strafrecht, dus aan de voorwaarden voor strafbaarheid, zelf eisen stelt. Zowel een materieel als een procedureel standpunt zijn in de literatuur verdedigd. Een procedurele benadering blijkt betere papieren te hebben. Het is in beginsel aan de nationale wetgever en rechter de taak om de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid af te bakenen. De bewijsdimensie beperkt zich in die zienswijze tot de wijze waarop de vervulling van eenmaal gestelde voorwaarden in een strafprocedure wordt vastgesteld.
Voor discussie vatbaar is voorts welke van de door het strafrecht gestelde strafbaarheidsvoorwaarden binnen het bereik van de bewijsdimensie vallen. Daarbinnen vallen in elk geval de feitelijkheden die bijdragen aan of afdoen aan de strafbaarheid van feit en dader. Dat zijn in Nederland de feiten die relevant zijn voor de vaststelling van bestanddelen en excepties. Met betrekking tot feiten die invloed hebben op de opportuniteit van een vervolging of de strafhoogte past meer aarzeling, terwijl geen aanleiding lijkt te bestaan ook zuiver procedurele feiten die enkel zien op het recht te vervolgen en berechten binnen het bereik van de onschuldpresumptie te brengen.
Tot slot is in hoofdstuk III uitvoerig stilgestaan bij de balans tussen effectieve criminaliteitsbestrijding enerzijds en de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie anderzijds. De bewijsdimensie is geen instructie tot afweging van die belangen, maar vormt het resultaat van die afweging in abstracto. Bijgevolg moet niet te snel worden aangenomen dat deze balans zodanig is veranderd dat de bewijsdimensie relativering behoeft. Diverse argumenten voor relativering zijn vervolgens besproken, te weten de grote ernst van het delict, de bewijsbaarheid daarvan, de omstandigheid dat de verdachte een feit eenvoudig zou kunnen bewijzen, het bestaan van een rationeel waarschijnlijkheidsverband van nog niet-bewezen met wel reeds bewezen feiten en de geringe gevolgen van onterechte veroordeling in geval van bagatelfeiten.
Hoofdstuk IV bespreekt de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie op een theoretisch niveau. Deze behandelingsdimensie is aanleiding tot principiële verwarring en conceptuele misverstanden. Dientengevolge is zij niet alleen uiteenlopend gewaardeerd, maar wordt zij ook op vele manieren in stelling gebracht in literatuur en rechtspraktijk. Verschillende interpretatiemogelijkheden zijn in hoofdstuk IV geïdentificeerd en onderzocht. Daarbij zijn een aantal benaderingen verworpen. Geconstateerd is dat de behandelingsdimensie niets anders kan inhouden dan een verbod om een niet-veroordeelde als schuldige aan een strafbaar feit te bejegenen. Voor dat verbod zijn diverse gronden aanwijsbaar. Te onderscheiden valt tussen gronden die de exclusiviteit van de strafprocedure als het forum voor schuldvaststelling waarborgen enerzijds, en gronden die de openheid en daarmee het procedurekarakter van dat strafproces beschermen anderzijds.
Uitvoerig is vervolgens stilgestaan bij de precieze inhoud en reikwijdte van het verbod op bejegening als schuldige. Dat betreft ten eerste de vraag wanneer van bejegening als schuldige sprake is. Naar voren komt onder meer dat een en ander voor verbale bejegening aanzienlijk eenvoudiger is vast te stellen dan voor non-verbale. Voor non-verbale bejegening is niet zozeer het gevolg voor de betrokkene (mate van inbreuk op lichamelijke integriteit, fysieke vrijheid, privacy, etc.) bepalend, maar zijn eerder het achterliggende doel en de gevolgde redenering beslissend. Dat heeft gevolgen voor de gronden waarop de rechten van de verdachte mogen worden beperkt en voor de wijze waarop daarbij de proportionaliteit en subsidiariteit van die beperkingen, moet worden beoordeeld. Niet alleen de vraag óf van bejegening als schuldige sprake is, laat zich problematiseren. Ook werpt hoofdstuk IV de vragen op waaraan iemand niet als schuldige behandeld mag worden, wanneer iemand niet als schuldige mag worden behandeld en wie door de onschuldpresumptie worden gebonden. Tot slot zijn (ook hier) tegenoverstaande belangen erkend en besproken.
In hoofdstuk V zijn het toepassingsbereik, de reikwijdte en de inhoud van de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie vanuit een positiefrechtelijk perspectief bezien. Daartoe is het internationale recht ten aanzien dat beginsel besproken, zoals vervat in het EVRM, het IVBPR en de relatief recent tot stand gebrachte EU-richtlijn.
In abstracto blijken de verschillende internationale bronnen aan het beginsel een vergelijkbaar toepassingsbereik, reikwijdte en betekenis toe te kennen. Overeenstemming bestaat bijvoorbeeld erover dat door de bewijsdimensie gestipuleerde normen niet gelden voor procedurele feiten, zoals de geldigheid van de dagvaarding, maar alleen voor de feiten die betrekking hebben op de schuld van de verdachte. Het nationaalrechtelijk onderscheid tussen elements en defences, tussen bestanddelen en excepties, is daarbij niet bepalend. Ook inhoudelijk bestaat op hoofdlijnen overeenstemming, in zoverre dat de uit de bewijsdimensie afgeleide normen steeds dezelfde zijn.
Op een concreter niveau en waar het gaat om de toelaatbaarheid van uitzonderingen op de bewijsdimensie, lopen de benaderingen meer uiteen. Het VN Mensenrechtencomité eist veel van de partijstaten. Het Comité schrijft expliciet de bewijsmaatstaf beyond reasonable doubt voor, gevolgtrekkingen uit het zwijgen van de verdachte lijken te worden afgewezen en verschuivingen van het bewijsrisico zijn tot op heden steeds strijdig met de onschuldpresumptie geoordeeld. Terughoudendheid kenmerkt daarentegen de Straatsburgse benadering. De fourth instance-doctrine weerhoudt het EHRM ervan om bewezenverklaringen al te indringend te toetsen. Ofschoon de onschuldpresumptie voor een veroordeling verlangt dat geen redelijke twijfel bestaat en het op zichzelf een juridische kwestie betreft of de door de nationale rechter aangenomen waarschijnlijkheid voldoet aan die maatstaf, is in dat licht begrijpelijk dat de naleving van dat vereiste in beperkte mate wordt gecontroleerd. Terughoudendheid ten aanzien van feitelijke bewijskwesties kan echter niet verklaren waarom het Hof verschuivingen en omkeringen van de bewijslast ruimhartig toestaat. Op die ruimhartigheid bestaat, vooral waar het gaat om de aanvaarding van bewijsrisicoverschuivingen, in belangrijke mate te onderschrijven kritiek. De EU-richtlijn houdt tussen het EVRM en het IVBPR het midden. De tekst van de richtlijn lijkt overeenkomstig de benadering van het Comité voor verschuivingen van het bewijsrisico en gevolgtrekkingen uit het zwijgen van de verdachte nauwelijks ruimte te laten. De overwegingen voorafgaand aan de richtlijn laten echter een ander beeld zien. Wordt de preambule bij de interpretatie van de richtlijn tot uitgangspunt genomen, dan zal deze ten opzichte van de Straatsburgse rechtspraak nauwelijks meerwaarde hebben.
Hoofdstuk VI betreft het toepassingsbereik en de inhoudelijke werking van de behandelingsdimensie in het internationale recht. Ofschoon het bestaan van die dimensie in de internationale literatuur nog wel eens ontkend of gebagatelliseerd wordt, blijkt deze zonder meer onderdeel van het positieve recht te zijn. Op het meest algemene niveau is de betekenis ervan onder het EVRM, het IVBPR en de richtlijn bovendien dezelfde, te weten een verbod op bejegening als schuldige.
Eensgezind verbieden het EVRM, het IVBPR en de richtlijn iedere overheidsfunctionaris uitlatingen te doen die een schuldoordeel over de verdachte reflecteren, zolang de schuld van die verdachte nog niet op de juiste wijze is vastgesteld. Tevens stelt de behandelingsdimensie onder de verschillende rechtsbronnen steeds grenzen aan de non-verbale bejegening van de verdachte, al bestaan tussen de bronnen wel inhoudelijke verschillen. Opvallend is dat bij de beoordeling van andere dwangmiddelen dan vrijheidsbenemende, zoals inbreuken op de privacy, geen zelfstandige betekenis aan het beginsel toekomt. Het onschuldvermoeden zelf kan dat niet goed verklaren.
In dit hoofdstuk blijkt ook dat de behandelingsdimensie zich in het algemeen niet laat begrijpen overeenkomstig het stramien van de artikelen 8 tot en met 10 EVRM. Inbreuken op het verbod tot bejegening als schuldige zijn ontoelaatbaar, een afweging tegen de met de inbreuk gemoeide belangen is daarvoor niet nodig. Dit neemt overigens niet weg dat bij de beoordeling of van bejegening als schuldige sprake is, andere belangen mede bepalen in welke mate de internationale organen geneigd zijn tot welwillend begrip voor de litigieuze bejegeningswijze. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de waarde die het EHRM hecht aan de context waarin ongelukkige uitlatingen over een verdachte plaatsvonden.
Het belangrijkste conceptuele verschil in de wijze waarop de behandelingsdimensie in de verschillende rechtsbronnen functioneert, is gelegen in de toepassing van het criminal charge-vereiste. De voormalige ECieRM, het EHRM, het VN Mensenrechtencomité en de richtlijn gaan met die toepassingsvoorwaarde op sterk uiteenlopende, soms diametraal tegenover elkaar staande, wijzen om. Stoelt men de behandelingsdimensie, zoals het Comité lijkt te doen, hoofdzakelijk op de openheid van de uitkomst van de procedure, dan is voor het beginsel alleen voorafgaand aan en tijdens het strafrechtelijk onderzoek enige betekenis weggelegd. Ziet men echter zoals de Straatsburgse organen ook een belangrijke grondslag in de bescherming van de exclusiviteit van het eerlijk proces, dan hoeft van een criminal charge juist geen sprake te zijn en kan ook na afloop van die charge de onschuldpresumptie nog worden geschonden. Een ander wezenlijk verschil is dat de Straatsburgse rechtspraak, mijns inziens op weinig overtuigende gronden, na vrijspraak aan de gewezen verdachte aanvullende bescherming biedt. Deze discrepanties hebben grote consequenties, zowel voor de abstracte betekenis van het beginsel, als voor de uitwerking ervan op het concretere niveau van individuele rechtsbescherming.
Voorts valt op dat de rechtspraak van het VN Mensenrechtencomité en de richtlijn aan de Straatsburgse jurisprudentie weinig toevoegen. De richtlijn, die toch strekt tot verdere harmonisering van het strafprocesrecht van de EU-lidstaten, heeft in dit opzicht nauwelijks meerwaarde. Het Comité beperkt zich over het algemeen tot zaken over publicitaire aandacht voor een verdachte en de presentatie van de verdachte ter zitting. De EHRM-rechtspraak is daarentegen veelomvattend, kent een breder toepassingsbereik en geeft duidelijkheid over de werking van de behandelingsdimensie in gevarieerde casusposities. Ook deze rechtspraak roept echter zowel conceptuele als uitwerkingsvragen op en de uitkomsten ervan zijn dikwijls moeilijk voorspelbaar.
Hoofdstuk VII verlegt de aandacht van het internationale mensenrechtenrecht naar de werking van de bewijsdimensie in het Nederlandse strafrecht. De bewijsdimensie van de onschuldpresumptie blijkt ook aan de wijze waarop in ons strafproces de feitenvaststelling plaatsvindt historisch bezien ten grondslag te liggen.
Op hoofdlijnen voldoet de Nederlandse strafvordering daaraan ook vandaag de dag. Het strafprocesrecht vereist bijvoorbeeld van de strafrechter dat hij het bewijs waardeert zonder vooringenomenheid over de schuld van de verdachte. Weliswaar bestaat tussen de maatstaf ‘buiten redelijke twijfel’ en de rechterlijke overtuiging wel enig verschil, maar de voor het bewijsoordeel in strafzaken vereiste hoge mate van waarschijnlijkheid stemt met de door de onschuldpresumptie voorgeschreven graad van waarschijnlijk wel overeen. Ook hoeft de verdachte excepties niet te bewijzen en maakt de wetgever van de meest verregaande inbreuken op de door de onschuldpresumptie voorgestelde verdeling van de bewijslast weinig gebruik.
Dit neemt niet weg dat op verschillende punten het strafprocesrecht met de bewijsdimensie op gespannen voet staat en dat de wetgever en rechter dat niet altijd lijken te onderkennen. Zo zijn wettelijke bewijslastomkeringen vaak nauwelijks beargumenteerd en is de aannemelijkheid als maatstaf voor de verwerping van verweren diffuus, waardoor onduidelijk blijft op wie het bewijsrisico ten aanzien van die verweren rust. Tevens lijkt in toenemende mate ruimte te worden geboden om aan het zwijgen van de verdachte gevolgtrekkingen voor het bewijs in strafzaken te verbinden, terwijl de grondslag daarvoor en grenzen daaraan niet steeds helder zijn.
Hoofdstuk VIII gaat over de behandelingsdimensie in het Nederlandse strafproces. Gekozen is voor bespreking van een vijftal grote deelgebieden van het strafprocesrecht, waarin op voorhand de behandelingsdimensie problemen leek mee te brengen. Zij betreffen de publiciteit in en over strafzaken, de toepassing van dwangmiddelen, de oplegging van sancties, de tenuitvoerlegging van niet-onherroepelijke sancties en schadecompensatie in het strafproces.
Geconstateerd is dat – ook op deze problematische deelterreinen – het Nederlandse strafproces op hoofdlijnen met de behandelingsdimensie overeenstemt. Fundamentele uitgangspunten die met een verbod op bejegening als schuldige innig samenhangen, vormen tevens het fundament van het Nederlandse strafprocesrecht. Zo dient in de fase van het voorbereidend onderzoek de verdachte niet meer dan noodzakelijk in zijn vrijheden te worden beperkt, mag eerst bij de oplegging van sancties aan hem doelbewust leed worden toegebracht, berusten sancties in beginsel steeds op een bewezenverklaring en mag pas na het onherroepelijk worden van de strafrechtelijke veroordeling tot executie van die sancties worden overgegaan.
De behandelingsdimensie en de daardoor gearticuleerde belangen staan in het Nederlandse strafproces wel onder druk. Die druk is op zichzelf niet nieuw, maar lijkt in de tamelijk recente geschiedenis wel wezenlijk te zijn toegenomen. Illustratief zijn in dit verband de invoering van de ernstige geschoktheid van de rechtsorde en de toepassing van snelrecht als gronden voor voorlopige hechtenis, het ‘weekendarrangement’, de ontneming van voordeel voor andere feiten dan het bewezenverklaarde en de voorlopige en dadelijke tenuitvoerlegging van sancties. De aan deze ontwikkelingen ten grondslag liggende belangen – de gedachte dat misdaad niet mag lonen, de snelheid van het strafproces, en het belang van vrije en onverbloemde meningsuiting en nieuwsgaring – zijn in gewicht toegenomen en de onschuldpresumptie legt het tegen die waarden daardoor vaker af.
In hoofdstuk IX is ter samenvatting, synthetisering en nadere analyse van de bevindingen uit eerdere hoofdstukken opnieuw stilgestaan bij het zestal in de inleiding op het boek opgeworpen vragen. Beargumenteerd is in dit hoofdstuk onder andere dat de onschuldpresumptie een rechtsbeginsel is, welk zich niet als sociologisch of psychologisch fenomeen laat begrijpen, en waarvan evenmin de verwachting kan worden gekoesterd dat het als rechtsregel oplossingen voorschrijft in concrete gevallen. Ook verdedig ik dat de bewijsdimensie en de behandelingsdimensie weliswaar een zekere relatie met elkaar hebben, maar dat desondanks sprake is van twee afzonderlijke beginselen. Herleiding tot één oorspronkelijke of fundamentele kern blijkt niet goed mogelijk. Voorts is de stelling betrokken dat de aanvullende bescherming die de vrijgesprokene onder het EHRM van de onschuldpresumptie geniet, door dat beginsel niet goed kan worden verklaard en niet aansluit bij de (voor het overige coherente) betekenis van het beginsel. Voor het feit dat de onschuldpresumptie in juridisch debat vaak naar voren wordt gebracht maar niet de positiefrechtelijke impact heeft die men er op grond daarvan wellicht van zou verwachten, worden vier verklaringen naar voren gebracht. Beschreven is voorts dat en hoe het beginsel zich tot andere fundamentele rechten en strafrechtelijke beginselen op uiteenlopende wijzen verhoudt. Tot slot is gesignaleerd dat beide dimensies in het Nederlandse strafproces onder druk staan en is ervoor gepleit in het debat over die ontwikkelingen de onschuldpresumptie niet uitsluitend te benaderen vanuit het perspectief van EVRM-conformiteit, maar toch ook tot een eigen, nationale invulling van dat beginsel te komen.