Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.7:III.7 Afsluiting
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.7
III.7 Afsluiting
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602077:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de opmaat naar dit hoofdstuk expliciteerde en verklaarde ik het in dit boek aan te houden onderscheid tussen een bewijsdimensie en een behandelingsdimensie van het onschuldvermoeden. Vervolgens is de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie nader gedefinieerd en geoperationaliseerd. De verschillende daarvoor aan te wijzen grondslagen kwamen aan bod en ook enkele heikele reikwijdtekwesties en diverse argumenten voor (enige) relativering kwamen aan de orde.
Vastgesteld is dat de bewijsdimensie bestaat uit meerdere normen. De kern daarvan vormen het bewijsrisico en de bijbehorende bewijsmaatstaf. Indien redelijke twijfel bestaat over de schuld van de verdachte gaat deze vrijuit, oftewel de overheid moet schuld bewijzen met een hoge waarschijnlijkheidsgraad. Om van deze normen geen lege huls te maken is voorts van belang dat de rechter bij zijn bewijswaardering niet reeds van de schuld van de verdachte uitgaat, maar zich louter op het aangedragen bewijs verlaat en gedurende de gehele procedure rekening houdt met de mogelijke onschuld van de verdachte. De bewijslast behelst daarnaast niet alleen het bewijsrisico; ook de bewijsvoeringslast, dat wil zeggen de taak om de relevante informatie aan te dragen, rust in beginsel bij de overheid.
De bewijsdimensie dient meerdere belangen. De primaire grondslag is het voorkomen van de veroordeling van onschuldigen. Het belang daarvan is zo groot dat dat in het strafrecht in beginsel zwaarder weegt dan het belang schuldigen te bestraffen. Een tweede grondslag is gelegen in de rechtsstaatidee die voorschrijft dat de overheid voor dwingend handelen jegens haar burgers een bijzondere legitimatie behoeft en dat die legitimatie alleen bestaat wanneer de vervulling van de daarvoor geldende (materieelstrafrechtelijke) voorwaarden is gedemonstreerd. De bewijsdimensie hangt daarnaast samen met de vrijheid van een individu om zijn procespositie autonoom te kunnen bepalen en daarbij ook een passieve houding te kunnen kiezen. In dat opzicht faciliteert de onschuldpresumptie vooral het zwijgrecht en nemo tenetur, welke rechten directer in het geding zijn.
Deze grondslagen maken duidelijk dat de norm die inhoudt dat op de overheid de bewijsvoeringslast rust, van de andere uit de bewijsdimensie gedestilleerde normen enigszins los staat. Dat op de verdachte in beginsel geen last rust bewijsmateriaal aan te dragen en bij te dragen aan de waarheidsvinding, is ten eerste niet rechtstreeks ingegeven door een afweging van het gevolg van veroordeling van onschuldigen tegen dat van vrijspraak van schuldigen. Een zuivere bewijsvoeringslast veroorzaakt nauwelijks gevaar dat de verdachte onterecht wordt veroordeeld. Daarnaast zijn de regels daaromtrent minder uitgesponnen. Het gaat duidelijk om een beginselplicht van de overheid, maar in veel rechtsstelsels heeft het zwijgen van de verdachte over bijvoorbeeld het bestaan van strafuitsluitingsgronden consequenties voor zijn procespositie. Zoals in hoofdstuk VII nog uitvoeriger zal blijken, is de betekenis van een bewijsvoeringslast bovendien vaak mistig in strafrechtsstelsels als het Nederlandse, waarin de rechter zelfstandige eindverantwoordelijkheid draagt voor het vinden van de materiële waarheid. Al met al is de spanning tussen een bewijsvoeringslast bij de verdachte en de bewijsdimensie dus minder absoluut dan bij een bewijsrisicoverschuiving of een verlaagde bewijsmaatstaf het geval zou zijn. Dat wil evenwel niet zeggen dat bewijsvoeringslasten steeds zonder bezwaar zijn, aangezien dergelijke lasten een miskenning kunnen opleveren van de rechtsstaatidee dat de overheid de schuld van de verdachte moet bewijzen. Daarbij komt dat ook het zwijgrecht en het daaraan ten grondslag liggende belang van de procesautonomie van de verdachte erdoor in het geding komen.
De historische ontwikkeling en grondslagen van de bewijsdimensie maken duidelijk dat de door de overheid te bewijzen ‘schuld’ strafrechtelijk moet worden verstaan. De overheid moet bewijzen dat de betrokkene aan de voorwaarden voor strafbaarheid heeft voldaan. Dat laat echter in het midden of de onschuldpresumptie aan het materiële strafrecht, dus aan de voorwaarden voor strafbaarheid, zelf eisen stelt. Zowel een materieel als een procedureel standpunt zijn in de literatuur verdedigd. Een procedurele benadering bleek betere papieren te hebben. Het is in beginsel aan de nationale wetgever en rechter om de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid af te bakenen. De bewijsdimensie beperkt zich in die zienswijze tot de wijze waarop eenmaal gestelde voorwaarden worden vastgesteld. Wel werd de mogelijkheid opengelaten om – op aan de onschuldpresumptie uitwendige gronden – algemeen als noodzakelijk beschouwde strafbaarheidsvereisten aan de onschuldpresumptie ‘op te hangen’.
Voor discussie vatbaar is voorts welke van de door het strafrecht gestelde strafbaarheidsvoorwaarden binnen het bereik van de bewijsdimensie vallen. Daarbinnen vallen in elk geval de feitelijkheden die bijdragen aan of afdoen aan de strafbaarheid van feit en dader. Dat zijn de feiten die relevant zijn voor de vaststelling van bestanddelen en excepties. Met betrekking tot feiten die invloed hebben op de opportuniteit van een vervolging of de strafhoogte past meer aarzeling, terwijl geen aanleiding lijkt te bestaan ook zuiver procedurele feiten die enkel zien op het recht te vervolgen en berechten (zoals bijvoorbeeld de (juiste) betekening van de dagvaarding) binnen het bereik van de onschuldpresumptie te brengen.
Tot slot is uitvoerig stilgestaan bij de balans tussen effectieve criminaliteitsbestrijding enerzijds en de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie anderzijds. De bewijsdimensie moet niet als een instructie tot afweging van die belangen worden beschouwd, maar als het resultaat van die afweging. Bijgevolg moet niet snel worden aangenomen dat deze balans zodanig is veranderd dat de bewijsdimensie relativering verdient. Diverse argumenten voor relativering passeerden de revue. De grote ernst van het delict en de bewijsbaarheid daarvan zijn in beginsel en op zichzelf geen sterke argumenten om het bewijsrisico te verplaatsen of de bewijsmaatstaf te verlichten. Meer reden voor relativering bestaat waar de verdachte een feit eenvoudig kan bewijzen, maar eenvoudig bewijsbare feiten zijn niet te verwarren met feiten die binnen het kennisdomein van de verdachte vallen. Dat laatste is hooguit voor een bewijsvoeringslast een overtuigend argument. Ook het bestaan van een rationeel waarschijnlijkheidsverband tussen reeds bewezen en vermoede feiten geeft voor een bewijsvoeringslast goede grond, maar overtuigt niet als reden voor een verschuiving van het bewijsrisico. Zijn de gevolgen van onterechte veroordeling vanwege het bagatelkarakter van een delict gering, terwijl de handhaafbaarheid een lichter bewijsregime vergt en gebreken in de handhaving ernstige maatschappij ontwrichtende consequenties zouden hebben, zoals bij de aansprakelijkheid voor snelheidsovertredingen in het wegverkeer, dan ligt een pragmatische relativering van de bewijsdimensie meer in de rede.