Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/5.12.4
5.12.4 Overlegfase voorafgaand aan de jaarrekeningprocedure
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS498764:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 28 september 2006, houdende regels inzake het toezicht op en de handhaving van de voorschriften voor financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen alsmede tot wijziging van enige wetten (Wet toezicht financiële verslaggeving) (Stb. 2006, 569). Zie voor een overzicht van de Wet toezicht financiële verslaggeving: Hijink/Kuijpers, WPNR 2007, p. 109-116.
Als uitgevende instelling wordt in art. 1 onderdeel b Wtfv aangemerkt: een uitgevende instelling als bedoeld in art. 1:1 Wft waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is als bedoeld in art. 5:25a onderdeel c Wft (i) met statutaire zetel in Nederland waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in art. 1:1 Wft of de handel op een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is of (ii) met statutaire zetel in een andere lidstaat of een staat die geen lidstaat is waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt. Het voorgaande betekent dat de Wet toezicht financiële verslaggeving niet van toepassing is op uitgevende instellingen waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op een multilaterale handelsfaciliteit. Verder geldt dat beleggingsinstellingen als bedoeld in art. 1:1 Wft uitgezonderd zijn van het toezicht op grond van de Wet toezicht financiële verslaggeving (art. 2 lid 4 Wtfv). Dit betekent dat de werkingssfeer van de Wet toezicht financiële verslaggeving beperkter is dan die van de openbaarmakingsplicht van art. 5:25i Wft.
Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG 2002, L 243).
Zie Kamerstukken II, 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 11.
Ten aanzien van de halfjaarlijkse financiële verslaggeving zal door de AFM geen jaarrekening-procedure bij de Ondernemingskamer geëntameerd kunnen worden. Zie over de achtergronden hiervan Kamerstukken H, 2006-2007, 31 093, nr. 3, p. 9.
Op grond van de Wet toezicht fmanciële verslaggeving (Wtfv)1 houdt de AFM toezicht op de fmanciële verslaggeving van uitgevende instellingen als bedoeld in art. 1 onderdeel b Wtfv.2 Het toezicht van de AFM strekt zich uit tot: (i) de vastgestelde jaarrekening, bestaande uit de balans en de winst- en verliesrekening als bedoeld in art. 2:361 BW, (ii) het jaarverslag als bedoeld in art. 2:391 BW, (iii) de overige gegevens die op grond van art. 2:392 BW aan de jaarrekening en het jaarverslag moeten worden toegevoegd en (iv) de halfjaarlijkse fmanciële verslaggeving. In het kader van haar toezichthoudende taak onderzoekt de AFM uitsluitend of de inrichting van de fmanciële verslaggeving van uitgevende instellingen voldoet aan de ingevolge art. 3 van de IAS-verordening3 of titel 9 van Boek 2 BW gestelde voorschriften. Het toezicht van de AFM — en daarmee tekent zich een verschil af met het onderzoek van de externe accountant — is er niet op gericht om vast te stellen of de door de uitgevende instelling gepresenteerde financiële verslaggeving inhoudelijk juist is.4
Wanneer de AFM redenen heeft voor twijfel of (een onderdeel van) de fmanciële verslaggeving van een uitgevende instelling voldoet aan voormelde voorschriften en deze twijfel vervolgens in een door de Wet toezicht fmanciële verslaggeving voorgeschreven overlegfase met de uitgevende instelling niet is weggenomen, is zij uiteindelijk bevoegd een jaarrekeningprocedure aanhangig te maken bij de Ondernemingskamer (art. 2:447 BW).5 Twijfel van de AFM aangaande de financiële verslaggeving van een uitgevende instelling zal gewoonlijk kwalificeren als koersgevoelige informatie. Omdat het bestaan van redenen voor twijfel nog niet betekent dat daadwerkelijk sprake is van tekortkomingen in de toepassing van de verslaggevingsvoorschriften én openbaarmaking van een dergelijke twijfel van de AFM tot (grote) gevolgen voor de koers van de door de uitgevende instelling uitgegeven fmanciële instrumenten kan leiden, heeft de uitgevende instelling, in elk geval hangende de door de Wet toezicht fmanciële verslaggeving voorgeschreven overlegfase met de AFM, een rechtmatig belang om desgewenst van onverwijlde openbaarmaking af te zien.
Tot de overlegfase voorafgaand aan de jaarrekeningprocedure, gedurende welke de uitgevende instelling een beroep mag doen op een rechtmatig belang om openbaarmaking van dit koersgevoelige feit uit te stellen, worden blijkens art. 4 lid 1 onderdeel d van het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft gerekend: (i) het verzoek van de AFM aan de uitgevende instelling om ter aanvulling van de fmanciële verslaggeving een nadere toelichting omtrent de toepassing van die voorschriften aan haar te verschaffen (art. 2 lid 1 Wtfv) en (ii) de eventueel op deze nadere toelichting volgende mededeling van de AFM aan de uitgevende instelling dat de twijfel niet is weggenomen. De AFM kan een dergelijke mededeling aan de uitgevende instelling eveneens doen in het geval niet eerst een nadere toelichting van de uitgevende instelling is verkregen en de AFM twijfelt of de financiële verslaggeving voldoet aan de toepasselijke voorschriften.
Het indienen van een verzoek door de AFM bij de Ondernemingskamer als inleiding van de jaarrekeningprocedure markeert het einde van de overlegfase en behoort door de uitgevende instelling onverwijld openbaar gemaakt te worden. De AFM zal het feit dat een verzoek bij de Ondernemingskamer is gedaan pas ter openbare kennis brengen, nadat zij eerst de uitgevende instelling in de gelegenheid heeft gesteld dit zelf te doen en deze daarvan binnen een redelijke termijn geen gebruik heeft gemaakt (art. 4 lid 4 Wtfv).