Openbaarmaking van koersgevoelige informatie
Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/5.12.0:5.12.0 Introductie
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/5.12.0
5.12.0 Introductie
Documentgegevens:
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS493885:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Opvallend is dat bijvoorbeeld niet is gekozen voor een zwaardere eis zoals bijvoorbeeld een `zwaarwichtig belang' (art. 2:107 lid 2 BW) op grond waarvan bestuur en raad van commissarissen kunnen weigeren bepaalde inlichtingen aan de algemene vergadering van aandeelhouders te verstrekken.
Zie de Nota van toelichting op het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft (Stb. 2008, 578), p. 23.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uitstel van openbaarmaking van koersgevoelige informatie is alleen toegestaan indien dit door een "rechtmatig belang" van de uitgevende instelling wordt gerechtvaardigd (art. 5:25i lid 3 onderdeel a Wft). De wet voorziet in een grondslag die het mogelijk maakt om bij AMvB te bepalen wat onder een rechtmatig belang kan worden verstaan (art. 5:25i lid 4 Wft). Een nadere invulling van het begrip `rechtmatig belang' lijkt in dit verband onmisbaar, omdat deze voorwaarde niet of nauwelijks onderscheidend vermogen heeft.1 Dat een uitgevende instelling geen aanspraak mag maken op uitstel van openbaarmaking van koersgevoelige informatie als zij daarbij geen rechtmatig belang heeft, is natuurlijk evident. Maar wat dan wèl als een rechtmatig belang bij uitstel kan kwalificeren voor een uitgevende instelling die er zelf voor heeft gekozen om 'in het licht van de schijnwerper' te staan, is niet aanstonds duidelijk.
In art. 4 lid 1 van het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft wordt geen definitie gegeven van het begrip 'rechtmatig belang'. Wel wordt aldaar bepaald dat onder een rechtmatig belang van de uitgevende instelling bij uitstel van openbaarmaking van koersgevoelige informatie "in elk geval" wordt verstaan het voorkomen dat:
de openbaarmaking van informatie de uitkomst of het normale verloop van onderhandelingen waarbij de uitgevende instelling partij is, kan beïnvloeden;
de openbaarmaking van informatie aan een correcte beoordeling daarvan door het publiek in de weg zou staan, in het geval de openbaarmaking van door het bestuur van de uitgevende instelling genomen besluiten gepaard gaat met de gelijktijdige aankondiging dat deze besluiten op grond van Boek 2 BW of de statuten van de uitgevende instelling, nog door de raad van commissarissen of een daarmee vergelijkbaar orgaan moeten worden goedgekeurd;
de openbaarmaking van bepaalde bijzondere toezichts- of steunmaatregelen strijd oplevert met het belang van de betrokken fmanciële onderneming; en
de openbaarmaking van het feit dat de AFM een verzoek of een mededeling als bedoeld in art. 2 lid 1 onderscheidenlijk art. 3 lid 1 van de Wet toezicht financiële verslaggeving (Wtfv) heeft gedaan, invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten van de uitgevende instelling als bedoeld in art. 1 onderdeel b Wtfv of op de koers van daarvan afgeleide effecten.
Het betreft hier niet meer dan vier voorbeelden van feiten en omstandigheden die een rechtmatig belang van de uitgevende instelling bij uitstel van openbaarmaking van koersgevoelige informatie kunnen opleveren. Ook andere rechtmatige belangen van de uitgevende instelling zijn denkbaar (zie § 5.12.5).2
De wetgever heeft ervoor gekozen om de reikwijdte van het begrip 'rechtmatig belang' bij uitstel niet alleen te bepalen door bij AMvB daarvan enkele voorbeelden te geven (dat wil zeggen: een positieve benaderingswijze), maar ook door bij AMvB uitdrukkelijk te bepalen dat ter zake van bepaalde informatie geen beroep op de uitstelregeling openstaat. In het Besluit openbare biedingen Wft is voor een dergelijke negatieve benaderingswijze gekozen (zie § 5.12.1 en § 6.5.4). Wat houden deze voorbeelden van een rechtmatig belang van de uitgevende instelling bij uitstel van openbaarmaking van koersgevoelige informatie nu meer concreet in? En omgekeerd: ter zake van welke informatie komt de uitgevende instelling in elk geval geen beroep toe op een rechtmatig belang bij uitstel van openbaarmaking?