Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.3.5.2
6.3.5.2 Artikelen 8 EVRM, 8 EU Handvest van de Grondrechten en 10 Grondwet
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457881:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Schild 2012, p. 263-278.
Zie bijvoorbeeld EHRM 16 oktober 2007, EHRC 2008/3, m.nt. M. Groothuis (Wieser en Bicos Beteiligungen GmbH v. Oostenrijk), § 45. Timmerman 1997; Schild 2012, p. 17-52.
Zie bijvoorbeeld EHRM 16 april 2002, NJ 2003/452, m.nt. E.J. Dommering (Soci é t é Colas Est e.a. v. Frankrijk), § 41, waarover Schild 2012, p. 267-273.
Zie bijvoorbeeld EHRM 16 oktober 2007, EHRC 2008/3, m.nt. M. Groothuis (Wieser en Bicos Beteiligungen GmbH v. Oostenrijk), § 45; EHRM 7 juli 2015, EHRC 2015/198 (M.N. e.a. v. San Marino).
Zie bijvoorbeeld EHRM 14 maart 2013, EHRC 2013/123 (Bernh Larsen Holding AS e.a. v. Noorwegen), § 90; EHRM 2 oktober 2014, AB 2015/29, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik (Delta Pek á rny v. Tsjechi ë), § 65.
Artikel 2:352 BW. Zie § 6.5.
Vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld EHRM 14 maart 2013, EHRC 2013/123 (Bernh Larsen Holding AS e.a. v. Noorwegen), § 108-175.
Zie bijvoorbeeld EHRM 14 maart 2013, EHRC 2013/123 (Bernh Larsen Holding AS e.a. v. Noorwegen), § 158.
Vgl. Rb. Rotterdam 13 juli 2006, AM 2006/9, m.nt. W. Knibbeler (Mobiele operators/NMa), r.o. 2.6.1.
In de eerste plaats kan worden gewezen op artikel 8 EVRM.1 Dit artikel bepaalt dat eenieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De bescherming van artikel 8 EVRM komt niet alleen toe aan natuurlijke personen, maar ook aan rechtspersonen.2 Het begrip ‘woonplaats’ strekt zich ook uit tot de kantoren, filialen en bedrijfsruimten van een rechtspersoon.3 Het begrip ‘correspondentie’ is eveneens zeer ruim. Daaronder vallen volgens het EHRM ook elektronische data.4 Het komt erop neer dat alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon onder de werkingssfeer van artikel 8 vallen. De rechtspersoon kan in dit verband ook opkomen voor de privacyrechten van zijn werknemers en andere personen die voor hem werken.5
De uitoefening van het inzagerecht door de onderzoekers is te beschouwen als een inmenging van enig openbaar gezag met de rechtspersoon. De onderzoekers zijn immers door een rechter, de Ondernemingskamer, aangesteld om een onderzoek uit te voeren en daardoor gebonden aan de beperkingen van artikel 8 EVRM. Van veel praktisch belang is dit niet. De onderzoekers kunnen immers medewerking aan het inzagerecht niet zelf afdwingen. Als de rechtspersoon weigert geheel of gedeeltelijk gevolg te geven aan een verzoek tot inzage van bepaalde documenten kunnen de onderzoekers zich wenden tot de raadsheer-commissaris met het verzoek een bevel tot medewerking te geven.6 De raadsheer-commissaris maakt uiteraard sowieso deel uit van het openbaar gezag. Als hij de bevelen geeft als bedoeld in artikel 2:352 BW is er daarom zonder meer sprake van een inmenging vanwege het openbaar gezag met de rechtspersoon. De raadsheer-commissaris zal daarbij de beperkingen die voortvloeien uit het bepaalde in artikel 8 EVRM in acht moeten nemen.
Het recht op eerbiediging van het in artikel 8 EVRM besloten liggende huisrecht en correspondentiegeheim is niet absoluut. Inmenging in deze rechten kan zijn geoorloofd indien de inmenging (a) in overeenstemming is met het recht, (b) een gerechtvaardigd doel dient en (c) noodzakelijk is in een democratische samenleving.7 De eerste voorwaarde levert geen probleem op: zowel het inzagerecht zelf als de bevelen tot medewerking die de raadsheer-commissaris kan geven hebben een specifieke wettelijke basis. Aan de tweede voorwaarde wordt in beginsel ook automatisch voldaan. Zonder inzagerecht en de mogelijkheid om dit zo nodig met dwangmaatregelen af te dwingen zou het voor de onderzoekers alleen mogelijk zijn om onderzoek te doen indien de rechtspersoon daaraan vrijwillig zou meewerken. De verplichting tot medewerking en de mogelijkheid de nakoming van die verplichting af te dwingen dienen een gerechtvaardigd doel, het kunnen uitvoeren van het onderzoek. De derde voorwaarde geeft meer reden tot overdenking. Bij de beoordeling of de inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving bekijkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of, in het licht van de zaak als geheel, de argumenten voor de inmenging relevant en voldoende zijn en of de inmenging evenredig is ten opzichte van het daarmee beoogde doel.8 Wat betreft de proportionaliteit van de inbreuk geldt dat bij een maatregel die een inbreuk op de rechten van een rechtspersoon vormt, het EHRM de Verdragsstaten een ruimere margin of appreciation laat dan bij een maatregel gericht op een individu. Naarmate het inzagerecht verder ingrijpt in de door artikel 8 EVRM gewaarborgde rechten is het van groter belang dat er effectieve waarborgen zijn ingebouwd tegen misbruik van de verleende bevoegdheid tot het gebruik daarvan. Het EHRM pleegt nauwkeurig te beoordelen of hieraan is voldaan. Voor het inzagerecht betekent dit naar mijn mening dat de onderzoekers goed zullen moeten motiveren waarom vergaande inbreuken op het correspondentiegeheim, zoals bijvoorbeeld het opvragen van e-mailboxen, noodzakelijk zijn. Zo zal veilig moeten worden gesteld dat privé-e-mails niet aan de onderzoekers ter beschikking worden gesteld. De onderzoekers (en in het kader van een verzoek tot het geven van een bevel als bedoeld in artikel 2:352 BW: de raadsheer-commissaris) zullen de rechtspersoon en degenen om wier inboxen het gaat daarvoor de gelegenheid moeten bieden.
Voor de goede orde merk ik op dat er geen sprake is van inmenging in het huisrecht en het correspondentiegeheim van de rechtspersoon indien deze vrijwillig voldoet aan een verzoek van de onderzoekers tot inzage.9 Dit impliceert dat de rechtspersoon, door te voldoen aan een verzoek tot inzage, het recht verwerkt zich achteraf te beklagen over een ongeoorloofde inmenging in zijn huisrecht en correspondentiegeheim. De onderzoekers zullen zich er echter bewust van moeten zijn dat uitoefening van het inzagerecht ook een inmenging kan zijn in de rechten van derden, zoals (voormalige) functionarissen van de rechtspersoon, die niet eens op de hoogte behoeven te zijn van de dreigende inbreuk op hun rechten. Ook indien de rechtspersoon volledig meewerkt met het onderzoek zullen de onderzoekers zich af moeten vragen of zij wellicht inbreuk maken op de rechten van derden en, zo ja, van inmenging in die rechten afzien als die derden niet de gelegenheid hebben gehad zich over het voornemen tot inzage uit te laten.
Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is eveneens neergelegd in artikel 8 EU Handvest van de Grondrechten en artikel 10 Grondwet. Voor zover voor het enquêterecht van belang gaan deze bepalingen niet verder in de bescherming van de persoonlijke levenssfeer dan artikel 8 EVRM. Om die reden is het niet nodig om hieraan afzonderlijk aandacht te besteden.