Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.3.5.1:6.3.5.1 Inleiding
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.3.5.1
6.3.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453048:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van den Blink 2010; Van Hassel 2010; Spigt 2015.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wettelijke bevoegdheid tot het raadplegen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers lijkt in artikel 2:351 lid 1 BW nauwelijks geclausuleerd: alle gegevens die de onderzoekers voor de vervulling van hun taak nodig achten, kunnen zij raadplegen. Dit geeft de onderzoekers ogenschijnlijk een zeer grote vrijheid van handelen. Er zijn echter wel degelijk beperkingen die de onderzoekers bij de uitoefening van het inzagerecht in acht moeten nemen. Hiermee wil ik niet zeggen dat deze beperkingen zich in alle onderzoeken laten gevoelen. Zeker in curatieve enquêtes is het van belang dat, waar mogelijk, snel en efficiënt orde op zaken wordt gesteld. Daarbij past geen uitgebreide discussie over wat de onderzoekers wel en niet mogen. De waarschuwingen van onderzoekers voor een te vergaande verjuridisering van het onderzoek moeten serieus worden genomen, ook al ben ik het in veel opzichten niet met hen eens.1