Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.6.1
VII.6.1 Feitenvaststelling met betrekking tot elementen en excepties
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600908:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § III.5.3.3; § V.5.
Dat hoeft niet. De strafwaardigheid wegnemende omstandigheden kunnen zich ook manifesteren als kwalificatieuitsluitingsgrond of als vervolgingsbeletsel (bijv. art. 316 lid 1 Sr). Ook bijvoorbeeld de vrijwillige terugtred neemt de elementen niet weg. Straffeloosheid is daarbij niet het gevolg van het ontbreken van wederrechtelijkheid of verwijtbaarheid – beide zijn aanwezig – maar gebaseerd op een rechtspolitieke afweging. Machielse (2005, p. 420-421) spreekt van een pure utilitaire strafuitsluitingsgrond. Hier is alleen van belang of de exceptie de strafwaardigheid wegneemt en of derhalve het niet-bestaan van de exceptie een voorwaarde is voor aansprakelijkheid. Is dat zo, dan valt zij immers binnen de reikwijdte van de onschuldpresumptie. Voor kwalificatieuitsluitingsgronden is dat steeds het geval, maar de meeste vervolgingsbeletselen nemen de strafwaardigheid niet weg. Zie daarover § III.5.3.4.
Zie daarover o.a. Besier 1897, p. 183-207; Langemeijer 1931; Vellinga 1985; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 253-257; Bogert 2005, p. 2-6. Desondanks maakt de wetgever niet altijd even duidelijk of het gaat om een bestanddeel of fait d’excuse.
De Hoge Raad bevestigde dit al ruim een eeuw geleden: zie HR 16 juni 1902, W 1902, 7791.
Art. 358 lid 3 jo. 359 lid 2 Sv. Zie over de aan een dergelijk beroep te stellen eisen uitgebreid Krikke 1975, p. 415 e.v.
Beslissend voor de aanvaarding van strafuitsluitingsgronden is daarom of zij (niet) aannemelijk zijn geworden. Zie o.a. HR 10 juni 1975, NJ 1975, 465; HR 2 december 1986, NJ 1987, 591; HR 3 juni 1997, NJ 1997, 657; HR 22 maart 2016, NJ 2016, 316, m.nt. Rozemond. Overigens had de Hoge Raad ten aanzien van strafuitsluitingsgronden vroeger geen probleem met maatstaven als ‘niet aannemelijk gemaakt’. Zie over die rechtspraak Reijntjes 1980, p. 66.
Zie bijv. HR 19 december 2006, NJ 2007, 29, waarin het Hof ambtshalve onderzocht en ontsloeg van alle rechtsvervolging vanwege vrijwillige terugtred na een (voltooide) poging.
Zie hiervoor § VII.4. Anders: Borgers & Kristen 1999; Borgers & Kristen 2005.
Hiervoor bleek dat het Nederlandse strafprocesrecht aan de waarschijnlijkheid van het tenlastegelegde hoge eisen stelt. Bestaat daarover redelijke twijfel, dan staat dat aan positieve beantwoording van de eerste hoofdvraag van artikel 350 Sv in de weg. Bestraffing kan zoals bekend echter pas plaatsvinden nadat ook de strafbaarheid van feit en dader zijn vastgesteld. Ook over deze de strafbaarheid constituerende voorwaarden strekt de onschuldpresumptie zich uit.1 Daarom dient in beginsel eveneens ten aanzien van de strafbaarheid van feit en dader de bewijslast op de overheid te rusten en behoort redelijke twijfel over de daaraan ten grondslag liggende feiten aan veroordeling in de weg te staan.
Voor zover de wederrechtelijkheid van het feit en de verwijtbaarheid van de dader geen bestanddeel van de delictsomschrijving vormen en zij dus niet tenlastegelegd hoeven worden, zijn beide element van een strafbaar feit. Bevrijdende omstandigheden die weliswaar niet aan bewezenverklaring in de weg staan, maar niettemin de strafbaarheid opheffen, tasten meestal die veronderstelde elementen aan.2 Dan is sprake van een exceptie. Excepties zijn er in diverse vormen, maar zij hebben met elkaar gemeen dat hun afwezigheid niet steeds overeenkomstig de vorige paragraaf bewezen hoeft te worden, ofschoon die afwezigheid wel een noodzakelijke voorwaarde is voor strafwaardigheid en strafbaarheid.
In meerdere opzichten verschilt de feitenvaststelling met betrekking tot de excepties (en tegenoverliggende elementen) wezenlijk van de wijze waarop aspecten van de tenlastelegging worden vastgesteld. Of een omstandigheid bestanddeel van een strafbaar feit is of een fait d’excuse betreft, is daarom van aanzienlijk strafprocessueel belang.3 Noch de aanwezigheid, noch de afwezigheid van excepties valt onder de reikwijdte van de bewijsafdeling van het Wetboek van Strafvordering.4 Dat het feit strafbaar is en de dader schuldig hoeft derhalve – mits dat niet in de tenlastelegging besloten ligt – niet door middel van wettige bewijsmiddelen te worden aangetoond. Er gelden geen bewijsminima en ook de eis van rechterlijke overtuiging ziet op die feiten niet. Een belangrijk verschil is bovendien dat het Openbaar Ministerie de afwezigheid van met de bewezenverklaring niet strijdende excepties die zien op de tweede en derde hoofdvraag niet hoeft te stellen.
Wil de verdachte een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing over de aanwezigheid van een exceptie afdwingen, dan zal hij daarop een beroep moeten doen.5 Desondanks draagt de verdachte niet exclusief de last tot het aandragen van de feitelijke grondslag waarop een dergelijke exceptie rust. Ook wanneer op een exceptie geen beroep wordt gedaan, dient de strafrechter zich te buigen over vervulling van de elementen en de aan- of afwezigheid van excepties. Zoals hiervoor in paragraaf 4 besproken, is de strafrechter zelfstandig verantwoordelijk voor de accuratesse van zijn vonnis. Die verantwoordelijkheid geldt niet alleen ten aanzien van het tenlastegelegde.6 Een zelfstandig en ambtshalve onderzoek naar het bestaan van excepties is ook geen louter theoretisch relevante zeldzaamheid. Vooral het onderzoek naar de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte geschiedt veelvuldig ambtshalve of op verzoek van het Openbaar Ministerie. En ook naar andersoortige excepties komt ambtshalve onderzoek voor.7 Gezegd kan dan ook strikt genomen niet worden dat de verdachte de bewijsvoeringslast draagt.8
Wel is het zo dat indien uit het strafrechtelijk onderzoek de aanwezigheid van één of meerdere excepties in het geheel niet naar voren komt, de verdachte kan worden veroordeeld. Dat is een relativering van de door het bewijsrecht geboden bescherming, want positief bewijs van de afwezigheid van de exceptie, en daarmee van het element, is dus niet nodig. Dat kan echter niet goed anders, nu de afwezigheid van de meeste excepties niet positief is vast te stellen. De vervulling van een delictsomschrijving doet het vermoeden rijzen dat de gedraging en dader strafbaar zijn en dat mag dan worden verondersteld.