Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.2:VII.2 Inleiding
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.2
VII.2 Inleiding
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593975:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nog daargelaten dat het bewijsrecht zich maar moeizaam laat definiëren, vgl. daarover Simmelink 2001, p. 397.
Proefschriften die handelen over het bewijsrecht zijn reeds ruimschoots voorhanden. Zij hebben hun actuele relevantie niet verloren. Zie o.a. Reijntjes 1980; Nijboer 1982; Borst 1985; Dreissen 2007; Dubelaar 2014.
Zie eerder § III.5.3.
Zie uitvoeriger § III.3 en § V.6-8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk wordt nagegaan in hoeverre het Nederlandse strafproces uitdrukking geeft aan de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie. Een algemene verhandeling over het Nederlandse strafrechtelijk bewijsstelsel en bewijsrecht is daartoe niet op zijn plaats.1 Voor uitgebreide behandeling is geen ruimte, terwijl een korte bespreking die materie geen recht zou doen.2 Algemene bespreking is bovendien niet nuttig. Ten eerste raken tal van rechtsregels die men tot het bewijsrecht rekent namelijk niet aan de onschuldpresumptie en zijn zij hier dus niet van belang. Zo normeert de onschuldpresumptie niet welke bewijsmiddelen bruikbaar zijn, schrijft zij geen bewijskracht of bewijsminima voor en bepaalt zij in beginsel evenmin wanneer materiaal wegens de onrechtmatige en/of onbetrouwbare verkrijgingswijze van het bewijs moet worden uitgesloten. Aan de andere kant is de actieradius van de bewijsdimensie in meerdere opzichten juist groter dan die van het Nederlands bewijsrecht. Anders dan het ‘bewijs’ naar Nederlands recht, heeft de onschuldpresumptie bijvoorbeeld niet uitsluitend betrekking op de eerste hoofdvraag van artikel 350 Sv, maar ook op de tweede en de derde.3 Niet het bewijsrecht, maar de bewijsdimensie van het vermoeden van onschuld bepaalt derhalve welke aspecten van het Nederlandse recht bespreking behoeven.
In de hoofdstukken III en V bleek dat de bewijsdimensie uiteenvalt in concretere normen. Ten eerste mag de rechter de verdachte gedurende het strafrechtelijk zittingsonderzoek niet reeds voor schuldig houden. Daarnaast rust de bewijslast bij de overheid, waarbij valt te onderscheiden tussen het bewijsrisico en de bewijsvoeringslast. Dat het bewijsrisico bij de overheid ligt, brengt met zich dat bij rechtens relevante twijfel ten gunste van de verdachte moet worden beslist. De op de overheid rustende bewijsvoeringslast heeft tot gevolg dat de overheid is gehouden de voor het bewijsoordeel relevante informatie aan te dragen en dat de verdediging zich in beginsel passief en/of reactief kan opstellen. Tot slot volgt uit de bewijsdimensie tevens dat iedere redelijke twijfel over het bewijs rechtens relevante twijfel is. Oftewel: bewijs moet beyond reasonable doubt zijn.4
Hierna komt eerst aan bod in hoeverre de eerste uit de bewijsdimensie voortvloeiende norm, kort gezegd de bewijswaardering zonder vooringenomenheid, in het Nederlandse strafprocesrecht uit de verf komt (§ 3). Vervolgens gaat paragraaf 4 in op het al dan niet bestaan van een bewijslastverdeling in het Nederlandse strafproces. Dat is nodig omdat enkele kenmerken van de Nederlandse strafvordering hebben geleid tot de heersende opvatting dat het Nederlandse strafrecht geen bewijslastverdeling kent. Mijns inziens hoeven die kenmerken niet tot een zo verstrekkende conclusie te leiden. Wel zal blijken waarom in het Nederlandse systeem niet scherp tussen verdeling van het bewijsrisico, de bewijsvoeringslast, en de daarbij geldende bewijsmaatstaven valt te onderscheiden. Die drie normen lenen zich derhalve ook niet goed voor afzonderlijke, maar meer voor gezamenlijke bespreking. Bezien vanuit die drie normen, behandelt paragraaf 5 het bewijs van een tenlastegelegd strafbaar feit. Daarbij wordt in het bijzonder beoordeeld of het Nederlandse vereiste van wettig en overtuigend bewijs voldoet aan de door het onschuldvermoeden voorgeschreven maatstaf van bewijs beyond reasonable doubt. Daarna komt aan de orde in hoeverre de feitenvaststelling met betrekking tot de elementen van het strafbare feit en de daarmee innig verbonden excepties zoals strafuitsluitingsgronden met het onschuldvermoeden overeenstemt (§ 6). Dat betreft namelijk de meest reguliere manier waarop het voor materiële strafbaarheidsvoorwaarden geldende bewijsregime wordt verlicht. Paragraaf 7 bespreekt de spanning met de bewijsdimensie van verschillende andere wijzen waarop in het Nederlandse systeem bewijsproblemen uit de weg kunnen worden gegaan of kunnen worden opgelost.