Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.1:VII.1 Vooraf: de onschuldpresumptie in het Nederlandse strafproces
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.1
VII.1 Vooraf: de onschuldpresumptie in het Nederlandse strafproces
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602089:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 12 januari 1960, NJ 1960, 273, m.nt. Pompe.
A-G Van Oosten, conclusie vóór HR 12 januari 1960, NJ 1960, 273, m.nt. Pompe. De tekst tussen enkele aanhalingstekens citeerde de A-G uit de schriftuur.
Zo o.a. Pompe 1959, p. 149; Veegens 1960, p. 46 en 54; Meuwissen 1968, p. 446.
Zie hiervoor § II.9.
Vgl. onder het desbetreffende arrest al Pompe, annotatie bij: HR 12 januari 1960, NJ 1960, 273.
§ II.9.
Zie ter verantwoording daarvan § III.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er waren eens een kunstschilder en een beeldhouwer. Zij liepen op een winternacht in 1959 samen over de Alkmaarse Bleekers-Slootbrug met een busje lijm en een kwast. Zij werden aangehouden. Artikel 191b van de eind jaren ’50 van de vorige eeuw te Alkmaar geldende APV verbiedt namelijk gedurende de nacht enig plakmiddel, plakgereedschap of plakbiljet bij zich te hebben. Zoals de meeste van zulke bepalingen, biedt lid 2 aan de met dergelijke attributen aangetroffen verdachte wel een escape: het verbod verliest toepassing als kan worden aangetoond dat de voorwerpen niet gebezigd zijn bij, noch bestemd zijn voor het begaan van verboden handelingen. Tot dat aantonen bleken de kunstenaars niet in staat. Beide werden veroordeeld. De boete van acht gulden vechten zij aan tot bij de Hoge Raad. In cassatie klagen zij over schending van de onschuldpresumptie. De Hoge Raad ziet echter geen schending van enig wettelijk voorschrift.1 De klacht ontlokt aan Van Oosten, A-G in de zaak, zelfs de opmerking dat “[...] de praesumptio innocentiae niet aanvaard, noch aanvaardbaar [is] als uitgangspunt van ‘het systeem van ons strafstelsel’”.2
De door Van Oosten gearticuleerde opvatting dat de onschuldpresumptie geen Nederlands rechtsprincipe is en als zodanig in ons strafproces niet is aanvaard, staat niet op zichzelf. Het vermoeden van onschuld is in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw in de literatuur vaker beschouwd als een binnendringer van Angelsaksische origine die het Nederlands recht vreemd was.3 Dat wekt geen verbazing, want het beginsel was niet gecodificeerd, de Hoge Raad had nooit een arrest gewezen waarin het als ongeschreven rechtsbeginsel principieel werd omarmd en in de literatuur was het sinds het eind van de negentiende eeuw uit beeld verdwenen.4
Het EVRM was echter ondertussen al enige tijd in werking getreden, terwijl de totstandkoming van het IVBPR op handen was.5 In zoverre was de keuze de onschuldpresumptie al dan niet te aanvaarden reeds definitief gemaakt. De relatieve onbekendheid van het onschuldvermoeden ten tijde van de totstandkoming van de verdragen en het ontbreken van Nederlandse codificatie ervan, roepen op zichzelf wel de vraag op in hoeverre het Nederlandse strafprocesrecht eraan wist en weet te voldoen.
Tot de verdragsconformiteit van het Nederlandse stelsel beperkt dit onderzoek zich echter niet. Zoals in hoofdstuk II al kort aan bod kwam en hierna uitvoeriger zal blijken, is de aanname dat de onschuldpresumptie de Nederlandse strafvordering vreemd was, onjuist.6 Bij de ontwikkeling van diverse te bespreken aspecten van die strafvordering, heeft het beginsel wel degelijk een belangrijke rol gespeeld. De eerbiediging van de onschuldpresumptie is derhalve niet louter een kwestie van conformiteit van het strafprocesrecht aan het internationale recht, maar betreft ook de mate waarin het strafproces thans in overeenstemming is met een oorspronkelijk uitgangspunt van ons Wetboek van Strafvordering. De bovengenoemde casuspositie over de Alkmaarse kunstenaars laat bovendien zien dat de problemen waarop het vermoeden van onschuld betrekking heeft, zich in Nederland voordoen. Aangezien de in de hoofdstukken III en IV geïdentificeerde grondslagen voor het beginsel ook in het Nederlandse strafproces zonder twijfel bescherming verdienen, is een breder perspectief dan alleen dat van verdragsconformiteit gerechtvaardigd.
In dit hoofdstuk en het volgende staat daarom de vraag hoe de onschuldpresumptie functioneert in het Nederlandse strafproces centraal. In de hoofdstukken III en IV is uitgebreid uiteengezet wat onder dat beginsel in conceptuele zin moet worden verstaan. In de hoofdstukken V en VI bleek dat de met uitleg van het verdragsrecht belaste internationale organen eraan een uitleg geven die op hoofdlijnen met die theoretische betekenis overeenstemt. Daardoor kan in de komende twee hoofdstukken op zowel de theoretische betekenis van het onschuldvermoeden als de uitleg daarvan door internationale mensenrechteninstanties in onderlinge samenhang worden teruggegrepen. Uitgangspunt is steeds het theoretische beginsel zelf, maar waar de internationale rechtspraak afwijkt van die betekenis of waar een Nederlandse praktijk waarschijnlijk strijdig is met het mensenrecht is dat uiteraard expliciet vermeld.
De in dit deel van dit onderzoek centraal staande vraag brengt tevens mee dat niet de opbouw van het Nederlandse strafprocesrecht de structuur van deze hoofdstukken bepaalt, maar de theoretische en verdragsrechtelijke betekenis van de onschuldpresumptie. Het onderscheid tussen een bewijsdimensie en een behandelingsdimensie is dan ook wederom leidend.7 Aan de hand van de uit die dimensies voortvloeiende normen wordt besproken in hoeverre de Nederlandse strafvordering de beide dimensies verwezenlijkt. Vanzelfsprekend is daarbij gebruik gemaakt van regelgeving, parlementaire stukken, literatuur en de rechtspraak van de Hoge Raad. Waar relevant komen ook andere bronnen, zoals richtlijnen, aanwijzingen en feitenrechtspraak, aan bod.