Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.8:VII.8 Afsluiting
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.8
VII.8 Afsluiting
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596293:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in de jonge jaren van de mensenrechtenverdragen opduikende opvatting dat de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie een Angelsaksische eigenaardigheid betreft, is onjuist gebleken. Ook aan de feitenvaststelling in het Nederlandse strafproces ligt de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie ten grondslag. Op hoofdlijnen voldoet de Nederlandse strafvordering daaraan ook vandaag de dag.
Zo vereist het strafprocesrecht van de strafrechter dat hij het bewijs waardeert zonder vooringenomenheid over de schuld van de verdachte. Ondanks dat de kennisname van het dossier en de actieve onderzoeksrol die van de rechter ter zitting worden verlangd dat soms bemoeilijken, lijkt mij de Nederlandse zittingsrechter in strafzaken tot de gevraagde open geestesgesteldheid in het algemeen in staat. De positie van de zittingsrechter is omgeven met diverse institutionele waarborgen die dat bevorderen en een vermoeden van niet-vooringenomenheid rechtvaardigen. Gedragingen waaruit blijkt dat de rechter zich voortijdig tot een voorbehoudloos schuldoordeel heeft laten verleiden, doen zich dan ook slechts incidenteel voor.
Ook de verdeling van het bewijsrisico laat zien dat de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie in het Nederlandse strafproces is verankerd. Weliswaar is sinds de negentiende eeuw steeds het heersende standpunt geweest dat de Nederlandse strafvordering geen bewijslastverdeling kent, maar de aan dat standpunt ten gronde gelegde argumenten nemen het bestaan van het bewijsrisico niet weg. Het bewijsrisico in strafzaken ligt ten aanzien van het tenlastegelegde in beginsel steeds bij de overheid. De onschuld van de verdachte heeft in het strafproces dan ook geen wezenlijke betekenis. Van belang is alleen of schuld kan worden bewezen. Zo niet, dan volgt vrijspraak. Of ook, zoals de bewijsdimensie voorschrijft, iedere redelijke twijfel aan bewezenverklaring in de weg staat, werd eveneens aan nadere beschouwing onderworpen. Tussen de maatstaf ‘buiten redelijke twijfel’ en de rechterlijke overtuiging lijkt wel een verschil te bestaan, maar uit de rechtspraak van de Hoge Raad over de bewijsmotivering blijkt niettemin dat steeds een zeer hoge graad van waarschijnlijkheid dient te worden bereikt, eer feiten bewezen kunnen worden geacht. Die waarschijnlijkheid stemt met de door de onschuldpresumptie voorgeschreven graad van waarschijnlijk wel overeen.
Daarnaast bleek dat excepties in het Nederlandse strafproces niet door de verdachte hoeven worden bewezen op de wijze waarop de overheid het tenlastegelegde dient te bewijzen. De rechter hoeft voor de aanvaarding van een strafuitsluitingsgrond van de aanwezigheid daarvan niet overtuigd te zijn. Bovendien kent het Nederlandse strafproces geen zuivere bewijsvoeringslast voor de verdachte. Steeds waar de rechter dat nodig acht, doet hij ook ambtshalve onderzoek naar onder meer de aanwezigheid van strafuitsluitingsgronden. En ook de officier van justitie dient aanwijzingen voor het bestaan van excepties te vergaren en aan te voeren.
Van de in het licht van de onschuldpresumptie meest problematische methode ter omzeiling van bewijsproblemen, het onweerlegbare wettelijke bewijsvermoeden, maakt de wetgever terecht nauwelijks gebruik. Weerlegbare vermoedens komen vaker voor, maar meestal blijft ook in die gevallen het bewijsrisico aan de kant van de overheid rusten. Bij de meer ingrijpende vermoedens die wel het bewijsrisico omkeren, gaat het bovendien niet om de meest ernstige delicten, waardoor bijvoorbeeld ruimte tot veroordelingen bij twijfel die jaren onterechte gevangenisstraf tot gevolg hebben niet bestaat. Ook lijkt de Hoge Raad niet toe te staan dat het zwijgen van de verdachte als redengevend voor het bewijs wordt beschouwd.
Daarmee vormt de bewijsdimensie van het onschuldvermoeden een belangrijk en richtinggevend basisprincipe van het Nederlandse bewijsrecht. Dat neemt niet weg dat op verschillende punten het strafprocesrecht met de onschuldpresumptie op gespannen voet staat en dat de wetgever en rechter dat niet altijd lijken te onderkennen. Althans, niet of nauwelijks is sprake van een rechtvaardigende onderbouwing voor die spanningen waarin de grondslagen en doelen van de bewijsdimensie zijn verdisconteerd en waarin inzichtelijk wordt afgewogen waarom daar tegenoverstaande belangen, zoals dat van een effectieve handhaving van de strafbepaling, zwaarder wegen.
Zo is voor het bewijs van de tenlastelegging weliswaar nodig dat over de feitelijke toedracht geen redelijke twijfel bestaat, maar sluit de maatstaf voor de verwerping van een meer en vaart-verweer daarop mijns inziens niet goed aan. Dat een dergelijk verweer niet aannemelijk is geworden, laat ruimte voor de suggestie dat dat scenario steeds onderbouwing behoeft en dat de blote manifestatie ervan niet voldoende kan zijn. Bovendien heeft aannemelijkheid zowel in het normale spraakgebruik als in het strafrecht een dubbelzinnige betekenis. Die maatstaf wordt enerzijds gebruikt waar de vraag is of het geponeerde al dan niet zeer waarschijnlijk is, anderzijds ook als de vraag is of het geponeerde al dan niet zeer onwaarschijnlijk is. Die ambiguïteit is onwenselijk. De maatstaf maakt misschien ook meer verwerpingen van verweren “niet onbegrijpelijk” dan daadwerkelijk begrijpelijk zijn in het licht van het uitgangspunt van proof beyond reasonable doubt.
De dubbelzinnigheid van de aannemelijkheidsmaatstaf werd onderstreept bij de bespreking van de feitenvaststelling met betrekking tot de elementen (wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid) en tegenoverliggende excepties. Die maatstaf heeft ertoe geleid dat onduidelijk is wie met betrekking tot excepties het bewijsrisico draagt. Of nu juist het element of de daar tegenover staande exceptie waarschijnlijk moet worden en hoe bij twijfel daaromtrent moet worden beslist, is een vraag die in de praktijk vermoedelijk veelvuldig van belang is en ook de ons omringende landen bezighoudt. Desalniettemin biedt de Hoge Raad hier weinig sturing: in beide richtingen worden overwegingen dienaangaande welwillend gelezen. Verdedigd werd dat voor een uitzondering op de bewijsdimensie in zijn algemeenheid geen goede grond bestaat. Ook bij redelijke twijfel over de voor strafwaardigheid zo belangrijke elementen, dient de verdachte in beginsel vrijuit te gaan. De maatstaf voor de verwerping van een beroep op een exceptie zou daarop preciezer kunnen aansluiten.
Dat geen goede reden bestaat in zijn algemeenheid bij de vaststelling van elementen en excepties af te wijken van de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie neemt niet weg dat daarvoor onder bijzondere omstandigheden wel grond kan bestaan. Zo heeft de wetgever wettelijke bewijsvermoedens en bijzondere excepties gecreëerd waarbij de bevrijdende omstandigheid moet ‘blijken’ of ‘worden aangetoond’. Dat daarbij de onschuldpresumptie verminderd recht wordt gedaan, ziet de wetgever doorgaans evenwel niet expliciet onder ogen. Enkel op het belang van een effectieve rechtshandhaving wordt gewezen. Ook de Hoge Raad heeft aan de bewijsrisico-omkeringen die hiervan het gevolg kunnen zijn tot op heden geen beperkingen gesteld. Het EHRM gebiedt dat ook nauwelijks, maar de op dit punt tekortschietende Straatsburgse rechtspraak is geen goede graadmeter. Het IVBPR en de richtlijn staan aan veroordeling bij twijfel in beginsel in de weg. Daarom lijkt het niet onredelijk voor de aanvaardbaarheid van omkeringen van het bewijsrisico te verlangen dat de noodzaak bij twijfel te doen veroordelen, manifest is.
De rechter kan ook eigenhandig bewijsproblemen omzeilen en ook dat kan met de onschuldpresumptie conflicteren. Wanneer bij de bewijswaardering de verdachte wordt aangerekend dat hij niet verklaart, rust op die verdachte de facto een bewijsvoeringslast. Of de Hoge Raad dat toestaat in situaties waarin de schuld van de verdachte nog niet reeds voorlopig is bewezen, is niet geheel duidelijk. In dat licht moet ook het gebruik van ervaringsregels in de rechtspraak steeds kritisch worden beoordeeld. Stellen de feitelijke vaststellingen in combinatie met die ervaringsregels de schuld van de verdachte buiten redelijke twijfel, dan bestaat tegen het gebruik ervan geen bezwaar. Naarmate het ontbreken van contra-indicaties voor bewezenverklaring echter van meer gewicht wordt, komt op de verdachte een steeds zwaardere ‘bewijsvoeringslast’ te rusten. Of, waarom en onder welke voorwaarden zo’n bewijsvoeringslast toelaatbaar is, is echter nog onvoldoende duidelijk.