Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/3.3.4
3.3.4 Institutionele schermutselingen
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS496285:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Besluit van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (1999/468/EG), Pb EG 1999, L 184/ 23. Zie hiervoor met name art. 7 lid 3 en art. 8 van dit zogeheten Comitologiebesluit.
Zo vermeldt het Comité van Wijzen in zijn eindrapport over de reacties op het voorlopig rapport: 'Almost all respondents stated that they were in favour of the Committee's regulator)
Zie art. 5 van de Resolutie van de Europese Raad van 23 maart 2001 over een meer efficiënte regulering van de effectenmarkten in de Europese Unie, Pb EG 2001, C 138/1.
Zie het Verslag over de tenuitvoerlegging van de financiële dienstenwetgeving, PE DOC A5-0011/ 2002. Vergelijkbare bepalingen waarmee de positie van het Europees Parlement is versterkt, zijn opgenomen in onder meer de Transparantierichtlijn en de Richtlijn markten voor financiële instrumenten.
Zie overweging 9 uit de preambule van de Richtlijn marktmisbruik.
Zie overweging 43 uit de preambule van de Richtlijn marktmisbruik. In deze overweging worden op een zeer abstract niveau twaalf beginselen geformuleerd. Zo wordt bijvoorbeeld als beginsel geformuleerd dat bij beleggers voor vertrouwen in de financiële markten moet worden gezorgd door strenge normen ten aanzien van de transparantie op de financiële markten te bevorderen. Een ander voor het onderweg) van deze studie relevant beginsel is dat aan beleggers een op hun situatie toegesneden niveau van openbaarmaking en bescherming moet worden geboden.
Zie art. 17 lid 4 van de Richtlijn marktmisbruik.
Zie Besluit van de Raad van 17 juli 2006 tot wijziging van Besluit 1999/468/EG tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (2006/512/EG), Pb EU 2006, L 200/11. Zie hierover Van der Plas, SEW 2006, p. 410-418.
Zie Pb EU 2006, C 255/4 voor de geconsolideerde tekst van het Comitologiebesluit.
Volgens art. 2 lid 2 van het Comitologiebesluit wordt onder een uitvoeringsmaatregel met een quasi legislatief karakter verstaan: maatregelen van algemene strekking tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van een volgens de medebeslissingsprocedure van art. 251 EG-Verdrag aangenomen basisbesluit, ook indien de wijziging behelst dat sommige van deze niet-essentiële onderdelen van dat besluit worden geschrapt of dat het besluit wordt aangevuld met nieuwe niet-essentiële onderdelen.
Zie COM (2006) 900 van 22 december 2006.
Zie bijvoorbeeld Richtlijn 2008/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 tot wijziging van Richtlijn 2003/6/EG betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), wat de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden betreft (Pb EU 2008, L 81). Zie voor de Richtlijn markten voor financiële instrumenten: Richtlijn 2008/10/EG (Pb EU 2008, L 76) en voor de Transparantierichtlijn: Richtlijn 2008/22/EG (Pb EU 2008, L 76).
De institutionele hervormingen die door het Comité van Wijzen in zijn voorlopig rapport waren voorgesteld, stuitten aanvankelijk op enige bezwaren van het Europees Parlement. Immers, op het tweede niveau van de Lamfalussy-procedure zou voor het Europees Parlement geen rol zijn weggelegd. Op grond van het destijds vigerende Comitologiebesluit werd het Europees Parlement wel op de hoogte gehouden van de werkzaamheden van de diverse comités. Het stond het Europees Parlement bovendien vrij een resolutie aan te nemen indien de door de Europese Commissie vastgestelde technische uitvoeringsmaatregelen naar zijn oordeel de delegatiegrondslag van een richtlijn overschrijden.1
In het eindrapport van het Comité van Wijzen is enigszins tegemoet gekomen aan de bezwaren die tegen het democratisch tekort van de voorgestelde regelgevingsprocedure zijn geuit.2 Ook de Europese Raad heeft een resolutie aangenomen om de ontstane onrust in het Europees Parlement te apaiseren.3 De tegemoetkomingen aan het Europees Parlement reikten evenwel niet veel verder dan de bevoegdheden die het Europees Parlement al had op grond van het eerdergenoemde Comitologiebesluit. Zo zal het Europees Parlement alle voor de totstandkoming van regelgeving op het tweede niveau van de Lamfalussy-procedure relevante documenten ontvangen. Bovendien werd afgesproken dat indien het Europees Parlement van mening mocht zijn dat door een door de Europese Commissie voorgestelde uitvoeringsmaatregel de delegatiegrondslag van een richtlijn werd overschreden, de Europese Commissie gehouden is om de voorstellen voor de desbetreffende technische uitvoeringsmaatregelen opnieuw te behandelen en daarbij terdege rekening te houden met het standpunt van het Europees Parlement.
Klaarblijkelijk konden deze tegemoetkomingen het Europees Parlement in onvoldoende mate tevreden stellen. Geïnspireerd door een rapport van Karl von Wogau — een Duits lid van het Europees Parlement — heeft het Europees Parlement zijn positie in de Richtlijn marktmisbruik nog langs drie wegen enigszins weten te versterken.4 In de eerste plaats heeft het Europees Parlement zijn positie versterkt door te bewerkstelligen dat het na de eerste indiening van ontwerp-uitvoeringsmaatregelen door de Europese Commissie beschikt over een termijn van drie maanden om het ontwerp te behandelen en zich daarover uit te spreken.5 Indien het Europees Parlement binnen deze termijn een resolutie aanneemt, dient de Europese Commissie de ontwerp-uitvoeringsmaatregelen opnieuw te behandelen. In de tweede plaats kan worden gewezen op de opname van een aantal beginselen dat de Europese Commissie in acht moet nemen bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden.6 In de derde plaats is de positie van het Europees Parlement versterkt door een zogeheten Sunset-clausule. Die clausule houdt in dat na een periode van vier jaar na inwerkingtreding van technische uitvoeringsmaatregelen de toepassing van die uitvoeringsmaatregelen wordt opgeschort, tenzij vóór het verstrijken van die periode het Europees Parlement en de Europese Raad besluiten de desbetreffende technische uitvoeringsmaatregelen te verlengen volgens de medebeslissingsprocedure van art. 251 EG-Verdrag (thans art. 294 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie).7
Inmiddels heeft de Europese Raad een wijziging van het Comitologiebesluit vastgesteld waardoor het Europees Parlement op een aantal onderdelen een positie heeft gekregen die nagenoeg gelijk is aan die van de Europese Raad bij het controleren van aan de Europese Commissie gedelegeerde uitvoeringsbevoegdheden.8 In het nieuwe art. 5bis van het Comitologiebesluit9 is een regelgevingsprocedure met een toetsingsrecht voor het Europees Parlement opgenomen die moet worden gevolgd voor technische uitvoeringsmaatregelen met een quasi legislatief karakter.10 In een gemeenschappelijke verklaring hebben het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie overeenstemming bereikt over de lijst van basisbesluiten die moeten worden aangepast aan het gewijzigde Comitologiebesluit, zodat de nieuwe regelgevingsprocedure met een toetsingsrecht voor het Europees Parlement erin kan worden opgenomen. Onderdeel van die lijst met basisbesluiten zijn de Richtlijn marktmisbruik, de Richtlijn markten voor fmanciële instrumenten en de Transparantierichtlijn.11 In maart 2008 zijn deze richtlijnen aangepast aan het gewijzigde Comitologiebesluit.12 Omdat deze wijzigingen slechts van technische aard zijn en alleen betrekking hebben op de Comitologieprocedure was het niet nodig dat de lidstaten deze voorschriften zouden omzetten in nationale wet- of regelgeving.