RvdW 2025/500:Verkrachting, art. 242 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Kon hof mede bewezen verklaren wat verdachte ‘die avond/nacht’ zou hebben gezegd tegen aangeefster, nu bewezenverklaring (slechts) ziet op wat op zondagochtend 21 februari 2021 is gebeurd? 2. Bevat voor bewijs gebruikte verklaring van getuige een ontoelaatbare gissing? 3. Bewijsminimum, art. 342 lid 2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in andere bewijsmiddelen? 4. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van verklaring van aangeefster, art. 359 lid 2 Sv? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft als a.g.v. kennelijke misslag de woorden ‘tijdens die avond/nacht’ in bewezenverklaring laten staan. HR kan dit verbeterd lezen. Ad 2. In passage waar het om gaat, beschrijft getuige uitsluitend welke gelaatsuitdrukking zij bij aangeefster heeft waargenomen: (uiterst) verdrietige blik. Dit betreft geen gissing. Ad 3. ’s Hofs oordeel dat aan bewijsminimumvoorschrift is voldaan, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 4. Verdediging heeft weliswaar gewezen op enkele (kennelijke) discrepanties tussen verklaringen die aangeefster op verschillende momenten in proces heeft afgelegd maar deze discrepanties houden geen (direct) verband met tlgd. gedragingen en het betreffen overigens ook geen discrepanties die in scenario van schuld niet of minder goed verklaarbaar zijn. Volgt verwerping.