RvdW 2025/504:Beklag ex art. 98 lid 4 jo. art. 552a Sv door notaris tegen beslag op administratieve stukken, (kopieën van) gegevensdragers, server van notariskantoor en telefoon wegens verdenking van betrokkenheid bij strafbare feiten bij vastgoedtransacties (medeplegen witwassen, niet voldoen aan meldingsplicht o.g.v. Wwft en deelname aan criminele organisatie), waarbij notaris (klager) beroep doet op zijn verschoningsrecht. 1. Had Rb behandeling van klaagschrift t.a.v. inbeslaggenomen server van kantoor van klager en zijn telefoon moeten aanhouden en stukken in zoverre in handen van R-C moeten stellen? 2. Kon Rb oordelen dat doorbreking van verschoningsrecht t.a.v. de onder klager inbeslaggenomen administratieve stukken is beperkt tot het strikt noodzakelijke? Ad 1. en 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 18 februari 2022, NJ 2014/172, m.nt. P.A.M. Mevis, m.b.t. verschoningsrecht van advocaat als beroepsbeoefenaar a.b.i. art. 218 Sv en procedure van art. 98 Sv. Bij beantwoording van de vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat verschoningsrecht mag worden doorbroken, geldt wat betreft belang van waarheidsvinding als beoordelingsmaatstaf of betreffende gegevens redelijkerwijs in zodanig direct verband staan met strafbaar feit waarvan vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR 30 november 1999, NJ 2002/438, m.nt. Y. Buruma). Rb heeft vastgesteld dat klager wordt verdacht van betrokkenheid bij groot aantal vastgoedtransacties ten aanzien waarvan onregelmatigheden zijn geconstateerd. Onder klager zijn op kantoor en in woning voorwerpen in beslag genomen. R-C heeft in verband hiermee ‘regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden’ van toepassing verklaard. O.g.v. deze vaststellingen heeft Rb geoordeeld dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van verschoningsrecht rechtvaardigen en dat nu onderzoek nog loopt, strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van beslag. Rb heeft vervolgens echter niet kenbaar in oordeel betrokken of inbreuk op verschoningsrecht t.a.v. de onder klager inbeslaggenomen administratieve stukken en gegevensdragers niet verder gaat dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van waarheid van feiten. Oordeel Rb is daarom niet toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen Rb (i) wel nadere vaststellingen heeft gedaan over ‘i.h.b.’ bij medeverdachten inbeslaggenomen geschriften, maar niet specifiek over de onder klager inbeslaggenomen administratieve stukken, en (ii) t.a.v. (kopieën van) onder klager inbeslaggenomen gegevensdragers heeft vastgesteld dat filtering van betreffende gegevens door R-C nog niet heeft plaatsgevonden. Na terugwijzing zal Rb, als R-C niet inmiddels ook t.a.v. de onder klager inbeslaggenomen administratieve stukken en (kopieën van) gegevensdragers een beschikking a.b.i. art. 98 Sv heeft gegeven, zaak in handen van R-C moeten stellen. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. de onder klager inbeslaggenomen stukken en kopieën van gegevensdragers.