Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.2.3.4
3.2.3.4 Kennis en ervaring
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453067:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een voorbeeld waarin dit is misgegaan Rb. Den Haag 1 mei 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BF9951; Rb. Den Haag 18 september 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BF9952, NJF 2008/514; Rb. Den Haag 22 juli 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BF9953 (Stichting Vestia Den Haag Zuid-West/ huurder).
In de zaak die leidde tot HR 8 september 2006, NJ 2006/493 (Timans/Architectenbureau Haarsma c.s.) hanteerde de deskundige bij de beantwoording van de vragen van het hof een onjuiste maatstaf. Het hof heeft vervolgens het deskundigenbericht terzijde geschoven, maar zijn oordeel was volgens de Hoge Raad weer onvoldoende gemotiveerd. Zie hierover Slijk & Husson 2008, p. 191-192.
De deskundige moet in de eerste plaats kennis en ervaring hebben op zijn specifieke vakgebied. Als er sprake is van een welomlijnd vakgebied waarbij de beroepsgroep opleidings- en vakinhoudelijke eisen heeft gesteld, zal de deskundige aan die eisen moeten voldoen. Verder is het wenselijk dat de deskundige niet alleen voldoende vakinhoudelijke kennis heeft, maar ook voldoende praktische ervaring. Het is in het algemeen niet wenselijk deskundigen te benoemen met alleen theoretische kennis, of deskundigen die te lang uit de praktijk zijn. Daarbij is het niet nodig om een strikte leeftijdsgrens te hanteren, maar de ervaring leert dat als een deskundige een paar jaar uit de praktijk is, zijn kennis en ervaring achteruitgaan en het risico dat hij niet meer van de laatste stand der techniek op de hoogte is, toeneemt. Indien er geen sprake is van een vastomlijnd vakgebied, is het moeilijker om aan de hand van objectieve criteria vast te stellen welke kennis en ervaring de deskundige moet hebben. De rechter kan dan niet afgaan op het oordeel van een beroepsvereniging en zal zelf moeten onderzoeken en motiveren in hoeverre de te benoemen deskundige voldoende kennis en ervaring heeft.
Het alleen hébben van vakinhoudelijke kennis en ervaring is evenwel niet voldoende. De deskundige moet ook in staat zijn om zijn deskundigheid aan te wenden in een procedure. Hij moet de juridische context waarbinnen hij zijn advies moet uitbrengen voldoende goed kennen om te kunnen beoordelen hoe hij zijn onderzoek zodanig moet uitvoeren en zijn deskundigenbericht zodanig moet inrichten dat het de zaak ook werkelijk verder kan helpen. Dat wil zeggen: de rechter in staat stellen om op basis van zijn deskundigenbericht het geschil te beslechten. Dit heeft zowel een processuele als een inhoudelijke component. De processuele component brengt mee dat de deskundige op de hoogte moet zijn van de elementaire gedragsregels die hij in acht moet nemen om onafhankelijk en onpartijdig te blijven en recht te doen aan het beginsel van hoor en wederhoor.1 De inhoudelijke component brengt mee dat de deskundige voldoende inzicht moet hebben in het criterium aan de hand waarvan de rechter met de hulp van zijn deskundigenbericht het tussen partijen bestaande geschil moet beslissen.2
Verder kan het zo zijn dat voor de beroepsgroep waarvan de deskundige deel uitmaakt, specifieke regels gelden over de wijze waarop een deskundigenbericht moet worden uitgebracht. Indien de deskundige zich niet aan deze regels houdt, loopt hij in de eerste plaats het risico daarop (tuchtrechtelijk) te worden aangesproken. Bij een ernstige schending van deze regels bestaat echter ook het risico dat de rechter het deskundigenbericht niet, of slechts beperkt, kan gebruiken.