Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.2.3.2
3.2.3.2 De deskundige in het strafprocesrecht
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453068:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 22 januari 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (Wet deskundige in strafzaken),Stb. 2009, 33. Zie over deze wet Haverkate 2009a en b, 2014a en b; Beaujean 2010; Keulen e.a. 2010; Kwakman 2011; Smithuis 2014. Op het functioneren van het NRGD is kritiek uitgeoefend. Zie vooral Beaujean 2010. In 2014 is het NRGD geëvalueerd door De Ridder 2014.
Naast het NRGD is er ook het instituut van de Landelijke Deskundigheidsmakelaar (“LDM”). De LDM is een politieproject en bevat een databank waarin ongeveer 380 deskundigheidsgebieden zijn opgenomen. Zie hierover Gonzales 2012, p. 873-876 en De Ridder e.a. 2014, p. 28-29.
Besluit van 18 juli 2009, houdende instelling van het Nederlands register gerechtelijk deskundigen en kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken (Besluit register deskundige in strafzaken),Stb. 2009, 330.
Meer informatie hierover is te vinden in de nieuwsbrieven van het NRGD, te raadplegen op nrgd.nl. Zie over de voortgang van het NRGD Smithuis 2014. Kritisch over de commissies specifieke kwaliteitseisen is Van Ettekoven 2016, p. 88-89.
Onder andere gepubliceerd op de website van het NRGD: nrgd.nl. Zie over de Gedragscode NRGD Coster van Voorhout 2010; Smithuis 2014.
De Ridder 2014. Zie over deze evaluatie Kamerstukken II 2014/15, 29279, 272.
Keulen e.a. 2010.
Keulen e.a. 2010, p. 4.
Keulen e.a. 2010, p. 10.
Hoogendijk 2009, p. 18; Van Dijk 2009, p. 130; Jaarplan Rechtspraak 2010, p. 17.
Van Ettekoven 2016.
Alvorens nader in te gaan op de eisen die aan deskundigen in civiele zaken moeten worden gesteld, maak ik eerst een uitstapje naar het strafprocesrecht. Op 1 januari 2010 is de Wet deskundige in strafzaken in werking getreden.1 In deze wet wordt een landelijk openbaar register van gerechtelijk deskundigen in het strafproces in leven geroepen: het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (“NRGD”).2 De wet verplicht de rechter overigens niet een geregistreerd deskundige te benoemen. Dit kan ook daarom niet omdat op dit moment geen registratie mogelijk is voor alle specialismen. Wel moet de rechter bij benoeming van een deskundige die niet is opgenomen in het register motiveren op grond waarvan hij als deskundige wordt aangemerkt (artikel 51k lid 2 Sv). Daardoor wordt bevorderd dat de rechter een geregistreerde deskundige benoemt.
Het bij het Besluit register deskundige in strafzaken (“het Brds”)3 in het leven geroepen College gerechtelijk deskundigen (“het College”) bepaalt of een deskundige voldoet aan de kwaliteitseisen om in het register te worden opgenomen. Artikel 12 lid 2 Brds bepaalt dat een deskundige op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register wordt ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College:
beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft;
beschikt over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin;
in staat is de opdrachtgever inzicht te bieden in de vraag of en zo ja, in hoeverre de vraagstelling van de opdrachtgever voldoende helder en onderzoekbaar is om deze vanuit zijn specifieke deskundigheid te kunnen beantwoorden;
in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren;
in staat is onderzoeksmaterialen en -gegevens in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven te verzamelen, vast te leggen, te interpreteren en te beoordelen;
in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven toe te passen;
in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren;
in staat is een opdracht te voltooien binnen een daarvoor gestelde of afgesproken termijn;
in staat is zijn werkzaamheden als deskundige onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig, vakbekwaam en integer te verrichten.
In opdracht van het College hebben aparte commissies specifieke kwaliteitseisen voor bepaalde deskundigheidsgebieden vastgesteld.4 Het College heeft verder een Gedragscode gerechtelijk deskundigen (“Gedragscode NRGD”) opgesteld.5 In deze gedragscode zijn vijf kernwaarden uitgewerkt waaraan de deskundige volgens het College moet voldoen: onafhankelijkheid, onpartijdigheid, zorgvuldigheid, vakbekwaamheid en integriteit.
Tijdens de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer heeft de minister van Justitie een evaluatie van het register aangekondigd, die inmiddels is verschenen.6 Ter voorbereiding daarop heeft hij het WODC onderzoek laten uitvoeren.7 Dit onderzoek is uitgevoerd door Keulen e.a. Zij onderscheiden drie verschillende doelen van het deskundigenregister: operationele doelen, productdoelen en systeemdoelen. Bij de operationele doelen staat centraal wat noodzakelijk is om het register goed te laten werken. Hierbij kan vooral gedacht worden aan een kwantitatief en kwalitatief goede vulling van het register. Productdoelen zijn de doelen die gesteld worden als het register eenmaal werkt: wat wil men met het register bereiken. De ontsluitingsfunctie is daarvan een voorbeeld: het register beoogt de keuze van een goede deskundige te vergemakkelijken. Systeemdoelen zijn de doelstellingen die worden nagestreefd met het strafvorderlijke systeem waarbinnen het deskundigenregister functioneert. Daarbij kan men denken aan het bevorderen van juiste beslissingen en, breder nog, het vertrouwen in de rechtspraak.8
Een van de kritische succesfactoren voor het deskundigenregister is de bereidheid van deskundigen om zich te laten registreren. Uit het onderzoek komt de verwachting naar voren dat de bereidheid tot registratie in belangrijke mate afhankelijk zal zijn van twee factoren. De eerste is de houding van grote instituten. Van deze instituten wordt een stimulerende houding verwacht omdat zij registratie als een kwaliteitsstap zien. De tweede betreft de rechter. Het deskundigenregister kan alleen goed functioneren als de rechter in voldoende mate van de geregistreerde deskundigen gebruikmaakt.9
Het was de bedoeling – en mede daarom ben ik hierop wat uitvoeriger ingegaan – om op termijn in het NRGD ook te komen tot een registratie van deskundigen ten behoeve van de rechtspleging – zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk – in andere rechtsgebieden, zoals het civiele, familie- en bestuursrecht.10 Deze plannen zijn, helaas, verzand.11 Het NRGD heeft, naar verluidt, de hoop om te komen tot een register voor de gehele rechtspraak nog niet opgegeven.