Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/
Verhandeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS358238:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor verzekeringen die op de beurs worden afgesloten, wordt veelal gebruik gemaakt van een zgn. sluitnota. De sluitnota bevat gegevens die door de makelaar - als lasthebber van de aspirant-verzekeringnemer - zijn ingevuld. De sluitnota vervult daarmee dezelfde functie als het aanvraagformulier: zij belichaamt het aanbod van de aspirant-verzekeringnemer. Zie Wansink, t.a.p., p. 84.
Gezien het uitgangspunt van herroepelijkheid van een aanbod, is het in het algemeen niet noodzakelijk dat de aanbieder om de herroepelijkheid van een uitgebracht aanbod te bewerkstelligen, ter zake daarvan een uitdrukkelijk voorbehoud maakt, aldus Blei Weissmann, (losbl.) Verbintenissenrecht 3 (2006), nr. 57.
Asser/Hartkamp 4-II, nr. 146, wijst erop dat ook bij een in beginsel herroepelijk aanbod de ontvanger van dat aanbod erop mag vertrouwen dat gedurende de tijd (Asser/Hartkamp spreekt over 'enige tijd') waarin hij over de aanvaarding kan beslissen, hij erop mag vertrouwen dat het aanbod gedurende die tijd onherroepelijk is. Dat komt redelijk voor, maar tegelijkertijd zou ervoor gewaakt dienen te worden dat deze periode niet zo lang genomen wordt dat deze de herroepelijkheid - in het licht van de toch ook al geldende periode van 14 dagen waarbinnen de verzekeraar dient te aanvaarden - niet illusoir wordt. Zie ook hierna onder het kopje 'clausules omtrent onherroepelijkheid'.
Blei Weissmann, (losbl.) Verbintenissenrecht 3 (2006), nr. 122.
Blei Weissmann, (losbl.) Verbintenissenrecht 3 (2006), nr. 122.
Asser/Hartkamp 4-II, nr. 146. De verzekeraar als acceptant wordt hiermee dus tegemoetgekomen, nu voor het moment tot welk het aanbod ingetrokken kon worden niet nodig is dat de verklaring van aanvaarding hem heeft bereikt, maar het enkele verzenden al voldoende is.
Zie hiervoor onder 1.1, onder het kopje 'andere nadere aanduidingen binnen het materiële recht' en de daar opgenomen verwijzingen. Bij gebruik van dergelijke terminologie zal de bewijslastverdeling enerzijds afhangen van de aard van de betrokken nadere eisen (zoals vereisten voor het kunnen uitoefenen van een bevoegdheid of het hebben van een recht) en anderzijds van de processuele positie van de partijen.
Blei Weissmann, (losbl.) Verbintenissenrecht 3 (2006), nr. 132.
De hoofdregel omtrent de herroepelijkheid van een aanbod is neergelegd in art. 6:219 BW en heeft als uitgangspunt dat een aanbod kan worden herroepen, tenzij het een termijn voor de aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid ervan op andere wijze uit het aanbod volgt. Doordat bedoelde regel 'slechts' van aanvullend recht is (zie 6:217 BW) en zij toelaat dat uit het aanbod zelf, uit een andere rechtshandeling of uit een gewoonte iets anders kan voortvloeien, zal - gelet op de bestaande praktijk waarin het aanvraagformulier in de regel het aanbod behelst - de tekst daarvan richting geven. De onherroepelijkheid is ook bij gebruik van een dergelijke formulering niet onbegrensd. Zie de volgende noot.
Ook daarmee zij iets gezegd over de onherroepelijkheid van het aanbod: ook een onherroepelijk aanbod, immers, behoudt niet in het oneindige zijn gelding. Wordt binnen de termijn die de wederpartij redelijkerwijs nodig heeft om het aanbod te overwegen - en die door verzekeraar zelf op 14 dagen is gesteld - niet geantwoord, dan eindigt de gebondenheid. Zie in algemene zin Asser/Hartkamp 4-II, nr. 144.
Doordat bij het sluiten van een verzekeringsovereenkomst het doen van een aanbod, zoals hiervoor reeds aan de orde gesteld, veelal tot uitdrukking komt in het insturen van het aanvraagformulier,1 zal over de (on)mogelijk-heid tot het herroepen van een aanbod in de regel niet veel discussie ontstaan. Het aanvraagformulier zelf geeft doorgaans immers uitsluitsel over de vraag of het daarin belichaamde aanbod van de verzekeringnemer herroepelijk of onherroepelijk is.
De herroepelijkheid van het aanbod als uitgangspunt
Indien over de (on)herroepelijkheid niets is opgenomen, geldt de hoofdregel van art. 6:219 BW en kan een aanbod in beginsel worden herroepen, zolang het niet is aanvaard en er ook geen mededeling, houdende de aanvaarding, is verzonden.2 De mogelijkheid van herroeping door degene die het aanbod doet, wordt daarmee dus begrensd door het moment van aanvaarding resp. het moment waarop door de verzekeraar de aanvaarding is verzonden.3 Naar bewijsrechtelijke verhoudingen lijkt de totstandkoming bij de 'herroepelijke aanvraagformulieren' eerst en vooral feitelijk te zijn, in die zin dat bij de beantwoording van de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen het er in eerste instantie op aan komt om helderheid te verkrijgen over de momenten van aanvaarding en/of (voorafgaande) herroeping. Zodra deze in kaart zijn gebracht kan langs de weg van vergelijking van de tijdstippen van werking van herroeping en aanvaarding vervolgens beoordeeld worden of en zo ja, op welk moment de overeenkomst tot stand is gekomen.4
Alvorens in te gaan op de vraag op welk van de partijen de stelplicht en eventuele bewijslast ter zake rust, hecht ik eraan om op deze plaats te benadrukken dat met het oog op de aan die beide momenten verbonden gevolgen bij het bedoeld feitelijk onderzoek onderscheid dient te worden gemaakt tussen (a) het verzendingsmoment van de mededeling tot aanvaarding en (b) het moment waarop die aanvaarding de wederpartij ook bereikt heeft. Het onder (a) bedoelde moment speelt 'uitsluitend' een rol in de beantwoording van de vraag of een gedaan aanbod (nog) herroepen kan/mag worden: dat mag niet (meer) wanneer de mededeling tot aanvaarding is verzonden. Dat verzendingsmoment is evenwel niet beslissend voor het moment waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. Daartoe is bepalend het moment (b): eerst wanneer de aanvaarding de aanbieder bereikt heeft in de zin van art. 3:37 BW, kan van totstandkoming sprake zijn.5 Of, zoals Asser-Hartkamp de bedoelde samenhang omschrijft: door de enkele (tijdige) verzending van zijn aanvaarding mag de acceptant er dus op vertrouwen dat de overeenkomst tot stand zal komen, maar dat neemt niet weg dat de overeenkomst pas tot stand komt indien en op het tijdstip dat de aanvaarding de aanbieder bereikt.6
Impliciet is in het voorgaande reeds een aantal handvatten gegeven, dat mede houvast biedt bij de beantwoording van de vraag op welke punten de stelplicht en bewijslast ziet en op welk van de partijen deze mogelijk rusten. Enerzijds, immers, is er art. 6:219 lid 2 BW, waarin de voorwaarden zijn geschetst waaronder de aspirant-verzekeringnemer gebruik mag maken van het hem toekomend recht op herroeping van het aanbod. Daaruit blijkt dat de herroeping 'slechts (kan) geschieden, zolang het aanbod niet is aanvaard en evenmin een mededeling, houdende de aanvaarding is verzonden'. Hoewel het materiële recht door de gekozen terminologie ('zolang ... niet' en 'evenmin') geen keuze voor een bepaalde verdeling van de bewijslast op het oog lijkt te hebben gehad,7 kan de bepaling toch niet veel anders worden gelezen dan als een verweer van de zijde van verzekeraar: 'Jij, verzekeringnemer, stelt dat je het aanbod hebt herroepen, maar dat kon niet meer, want ik, verzekeraar, heb het aanbod aanvaard. En voor zover de aanvaarding je nog niet bereikt heeft, heb ik het in ieder geval - nog voor de herroeping - aan jou verzonden'. Daarmee kan de verdeling van de bewijslast ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv mijns inziens in beginsel niet anders dan op de verzekeraar rusten. Hfj heeft bovendien de aanvaarding verzonden en daarmee zicht op de gegevens en mogelijkheden voor bewijs.
De bewijslast rust evenzeer op hem ten aanzien van het eerste deel van de stelling; in dat geval (mede) op basis van art. 3:37 BW. Voor de uiteindelijke totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst is namelijk toch in ieder geval vereist dat de aanvaarding de aanbieder ook bereikt heeft en in lijn met de hoofdregel - zie hiervoor ook onder 2.1 - is het aan de verzekeraar om daarvan bewijs bij te brengen. Ook Blei Weismann stelt dat in uitgangspunt de stelplicht ter zake van het reeds hebben aanvaard casu quo het reeds verzonden hebben van een aanvaardingsmededeling op de geadresseerde van het (herroepen?) aanbod - i.c. dus de verzekeraar - rust.8
Bij dit alles zij bedacht dat de situatie als hier aan de orde niet heel verstrekkende gevolgen hoeft te hebben. Zie ik het goed, dan gaat het 'uitsluitend' om de situatie waarin de verzekeraar zijn verzekeringnemer aan de naar zijn oordeel gesloten overeenkomst wil houden. Een vordering in rechte tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst of een verklaring voor recht om dit oordeel te krijgen is op het eerste gezicht weinig voorstelbaar ingeval de (aspirant-)verzekeringnemer reeds bij toezending van de polis en premienota aangeeft dat de verzekering naar zijn oordeel nimmer tot stand is gekomen. Aan de andere kant zij bedacht dat het zo kan zijn - denk aan brandverzekering of een AOV-polis - dat de verzekeraar in het voortraject van acceptatie van de betreffende verzekeringsovereenkomst reeds (substantiële) kosten heeft gemaakt.
Clausules omtrent onherroepelijkheid
In de praktijk wordt in het aanvraagformulier wel gewerkt met een tweetal clausules die de onherroepelijkheid van het aanbod bedoelen weer te geven. Dat is allereerst de clausulering: 'Hij (zij) verplicht zich de polis te accepteren en de verschuldigde premie etc. te voldoen.' Op het moment dat de verzekeraar het aanbod aanvaardt, komt de verzekering tot stand.9Een andere in de praktijk gehanteerde clausulering is de volgende:
'Indien de verzekeraar niet binnen 14 dagen na ontvangst van de aanvraag kenbaar maakt, dat de aanvraag niet of nog niet wordt aanvaard, zal de dekking ingaan op de door ondergetekende voorgestelde ingangsdatum.'
Wat bijzonder is aan deze clausule, is dat de verzekeraar meer doet dan aangeven dat het aanbod van de aspirant-verzekeringnemer onherroepelijk is: niet alleen, immers, geeft hij aan dat hij als verzekeraar aan zet is binnen de periode van 14 dagen na ontvangst van de aanvraag. Ook zegt de verzekeraar aan de aspirant-verzekeringnemer toe dat hij - behalve wanneer hij laat weten dat dat (nog) niet zo is - dekking vanaf de door aanvrager voorgestelde ingangsdatum geeft, ook indien die ingangsdatum vóór die veertiende dag ligt.
De periode van 14 dagen na ontvangst van de aanvraag hangt, naar ik aanneem, samen met de tijd die de verzekeraar redelijkerwijze nodig heeft om het aanbod te overwegen en zijn besluit mee te delen.10 Verzekeraar geeft daarmee te kennen dat de aspirant-verzekeringnemer ook na ommekomst van die 14 dagen niet vrij is om het aanbod in te trekken, omdat het aanbod op dat moment in beginsel geacht wordt aanvaard te zijn. Daarmee ligt in de bedoelde clausulering een bijzondere vorm van gebondenheid besloten. Gebondenheid allereerst van de aspirant-verzekeringnemer aan het aanbod gedurende de termijn van 14 dagen en - na verloop van de bedoelde termijn - gebondenheid van de verzekeraar aan (acceptatie van) de overeenkomst per een datum die mogelijk voor die veertiende dag ligt. Omdat die gebondenheid alleen niet geldt indien de verzekeraar voor die veertiende dag kenbaar maakt dat de aanvraag niet of nog niet wordt aanvaard, neemt het belang bij ontvangst van die mededeling door de (aspi-rant-)verzekeringnemer duidelijk toe. Ik zal dat aspect hieronder onder 3.2.2 aan de orde stellen, maar eerst ingaan op de betekenis van de meer-bedoelde clausulering bij de totstandkoming ingeval van een reeds gevallen schade.