Openbaarmaking van koersgevoelige informatie
Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/5.7.1:5.7.1 Inleiding
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/5.7.1
5.7.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS496295:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een laatste begrenzing ten aanzien van de door uitgevende instellingen openbaar te maken informatie is gelegen in het belangrijke bestanddeel dat openbaarmaking van de informatie "significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de financiële instrumenten of op de koers van daarvan afgeleide fmanciële instrumenten" (art. 5:25i lid 2 j° art. 5:53 lid 1 Wft). Zonder overdrijving kan worden gesteld dat van de vier bestanddelen van koersgevoelige informatie aan dit bestanddeel een nagenoeg allesoverheersende betekenis toekomt. Daarvan getuigt uiteraard niet alleen de aanduiding van deze informatie als koersgevoelige informatie, maar ook — zoals wij hebben gezien in § 5.4 — de koppeling die door CESR is aangebracht tussen het bestanddeel concrete informatie en het laatste bestanddeel, het koersgevoeligheidsvereiste.
Uit de in art. 5:53 lid 1 Wft gebezigde formulering kan worden afgeleid dat uitgevende instellingen een hypothetische vraag dienen te beantwoorden om te beoordelen of voor hen een openbaarmakingsplicht geldt. In haar meest rudimentaire vorm luidt deze vraag als volgt: gesteld dat de informatie door de uitgevende instelling openbaar zou worden gemaakt, zou dat dan ten minste de wettelijk vereiste significante invloed op de koers van de door de uitgevende instelling uitgegeven fmanciële instrumenten kunnen hebben? Indien die vraag door de uitgevende instelling bevestigend wordt beantwoord, zal voor de uitgevende instelling een openbaarmakingsplicht ex art. 5:25i Wft ontstaan.
Om voormelde hypothetische vraag te kunnen beantwoorden, zal eerst vastgesteld moeten worden wat onder "significante invloed" op de koers van de financiële instrumenten wordt verstaan. Op deze maatstaf wordt in § 5.7.2 ingegaan. Daarna zal in § 5.7.3 op een aantal andere aspecten van het koersgevoeligheidsvereiste worden ingegaan. Deze aspecten liggen voor een deel reeds besloten in de tekst van art. 5:53 lid 1 Wft. Voor een ander deel zijn die aspecten van het koersgevoeligheidsvereiste te ontlenen aan de op het terrein van handel met voorwetenschap gewezen rechtspraak. Ten slotte geef ik in § 5.7.4 mijn eigen visie op de betekenis van het koersgevoeligheidsvereiste in verband met de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen.