Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.3.6
6.3.6 Inzage van de boeken van de rechtspersoon bij derden
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS459096:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vz OK 19 mei 2009, ARO 2009/88 (KPNQwest), r.o. 2.1.
Vz OK 19 mei 2009, ARO 2009/88 (KPNQwest), r.o. 2.2. Zie ook Vz OK 21 februari 2006, ARO 2006/43 (Global Green).
Zo ook Geerts 2004, p. 161.
De op de rechtspersoon rustende medewerkingsplicht (§ 6.1.1) kan meebrengen dat de rechtspersoon deze kosten moet betalen. Als de rechtspersoon echter insolvent is, zullen de onderzoekers deze kosten uit het onderzoeksbudget moeten voldoen.
HR 15 april 1994, NJ 1995/640, m.nt. W.M. Kleijn (Middendorf/Kouwenberg q.q.), r.o. 3.4.
HR 15 april 1994, NJ 1995/640, m.nt. W.M. Kleijn (Middendorf/Kouwenberg q.q.), r.o. 3.5. In de Wet versterking positie curator is de mogelijkheid voor een professionele partij die de administratie van de rechtspersoon onder zich heeft om ten opzichte van de curator een beroep op een opschortingsrecht te doen, aan banden gelegd. Zie artikel 105b Fw.
De bevoegdheid van de raadsheer-commissaris om de bevelen te geven die de omstandigheden nodig maken (artikel 2:352 BW) is zodanig ruim dat hij de rechtspersoon kan bevelen om degene die zich op het opschortingsrecht beroept, te betalen. Zie hierna § 6.5.4.
Vgl. voor de positie van de curator ten opzichte van derden die de administratie van de gefailleerde onder zich hebben, Bosvelt & Van Oijen 2013, p. 237-241.
Denkbaar is dat derden de beschikking hebben over voor het onderzoek relevante boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Dat zou wel eens vaker kunnen voorkomen dan men op het eerste gezicht zou denken. Bij veel ondernemingen draaien de computersystemen in de cloud, op servers van een zogenaamde host. Indien de gegevens daarop toebehoren aan de rechtspersoon zelf, kunnen de onderzoekers die gegevens bij deze derde opvragen. In de KPNQwest-beschikking van 19 mei 2009 overwoog de voorzitter van de Ondernemingskamer dat de inzagebepaling geen geadresseerden kent op wie de verplichting tot het mogelijk maken van die raadpleging of dat tonen rust.1 Hij overwoog vervolgens dat de verplichting tot het tonen van de boeken, bescheiden en gegevensdragers van de rechtspersoon wiens beleid wordt onderzocht, ook op accountants en anderen ligt die in de uitoefening van hun werkzaamheden ten behoeve van de betrokken rechtspersoon boeken, bescheiden of andere gegevensdragers afkomstig van de vennootschap onder zich houden. Volgens hem viel niet in te zien op welke gronden deze derden niet gehouden zouden zijn die boeken, bescheiden of andere gegevensdragers van de rechtspersoon aan de onderzoekers te doen tonen (in de ruimste zin van het woord).2 Als uitgangspunt ben ik het met deze beschikking eens. De strekking van het inzagerecht van de onderzoekers is te bewerkstelligen dat zij de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers daadwerkelijk kunnen inzien. Daarbij doet het er in beginsel niet toe wie die documenten onder zich heeft. De verplichting tot het verstrekken van inzage strekt zich echter uitsluitend uit tot de gegevens die afkomstig zijn van de rechtspersoon, en niet tot eigen dossiers van derden die voor het onderzoek relevant zouden kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld de controledossiers van de accountant.3
Er rijzen in dit verband nog twee vragen. Ten eerste: mag de derde die de gegevensdragers van de rechtspersoon (rechtmatig) onder zich heeft, medewerking aan het verzoek van de onderzoekers tot inzage afhankelijk stellen van de bereidheid van de onderzoekers de kosten die hij moet maken, te vergoeden? Ik meen dat die vraag in beginsel bevestigend beantwoord moet worden. Zonder aan te bieden om de kosten van de derde te vergoeden zal het verzoek van de onderzoekers om inzage al snel in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.4 Een tweede vraag is of de derde zich op een eventueel opschortingsrecht kan beroepen. Dat een derde zich op een opschortingsrecht zou willen beroepen is niet ondenkbaar. Indien bijvoorbeeld de rechtspersoon zijn administratie aan een boekhouder ter beschikking heeft gesteld om die bij te werken, kan de boekhouder afgifte van de administratie aan de rechtspersoon opschorten zolang hij niet is betaald. Daaraan doet niet af dat een administratie niet geacht kan worden een verkoopwaarde te hebben.5 De Hoge Raad heeft met betrekking tot een door een advocaat uitgeoefend retentierecht op een dossier ten opzichte van de curator in het faillissement van zijn cliënt beslist dat ingeval de boedel niet beschikt over middelen om de advocaat te voldoen, het belang van de curator om ten behoeve van de boedel over de stukken te kunnen beschikken zoveel zwaarder weegt dan het belang van de advocaat om druk op de curator te kunnen blijven uitoefenen door de stukken terug te houden, dat voortzetting van de uitoefening van het retentierecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.6 Geldt nu hetzelfde voor een door een derde ten opzichte van de onderzoekers uitgeoefend opschortingsrecht om inzage te geven in de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon? Dit hangt mijns inziens af van de omstandigheden van het geval. Indien de rechtspersoon over voldoende financiële middelen beschikt of kan beschikken om degene die het opschortingsrecht uitoefent, te betalen, maakt die derde geen misbreuk van zijn bevoegdheid om zich ook ten opzichte van de onderzoekers op het opschortingsrecht te beroepen. De rechtspersoon kan dan immers gedwongen worden alsnog aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.7 Het is echter anders indien de rechtspersoon insolvent is en niet over middelen beschikt om degene die zijn boeken onder zich heeft, te betalen.8