Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/7.2.2
7.2.2 Het element van de onzekerheid
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS353476:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het element van het 'onzekere voorval' uit 246 K (oud) is komen te vervallen vanuit de gedachte dat dit element zich wel bij talloze verzekeringsvormen - en vrijwel steeds bij schadeverzekering - maar niet bij alle vormen van verzekering voordoet. De MvT, Kamerstukken II1985/86, nr. 3, p. 5, geeft daarbij als voorbeeld dat het vereiste van in leven zijn op een bepaald toekomstig tijdstip wel een onzeker feit is, maar daarbij toch moeilijk over een 'voorval', d.i. een gebeurtenis, gesproken kan worden. Niet meer relevant is daardoor naar het oordeel van de wetgever de vraag wat het 'onzeker voorval' is.
Zie in deze zin ook Wansink 2006, p. 211, die erop wijst dat overeenkomstig het bepaalde in art. 7:925 BW aan het vereiste van onzekerheid (reeds) zou zijn voldaan in een (ongewenste) situatie dat weliswaar ten tijde van het sluiten van de verzekering voor de verzekeringnemer zeker was dat een schadebrengende gebeurtenis zich zou voordoen, maar niet hoe groot de daaruit voortvloeiende schade zou uitvallen. Omdat dit naar zijn oordeel in de regel bij schadeverzekering niet de bedoeling zal zijn, doet Wansink het (door verzekeraars gevolgd voorstel) om in de polisvoorwaarden een nadere omschrijving op te nemen.
Met deze redactie is gekozen voor de zgn. subjectieve benadering van de onzekerheid. De vraag of sprake is van een onzeker voorval hoeft daarmee niet naar objectieve maatstaven te worden beantwoord (zoals de Hoge Raad in feite doet in het Cox-arrest van 26 november 1993, NJ 1994, 126), maar voldoende is dat (subjectief) de verzekerde ten tijde van het sluiten van de overeenkomst de gebeurtenis niet verwachtte of hoefde te verwachten. Zie over het Cox-arrest in kritische zin Wansink oratie 2006, p. 68. Zie over het verschil in benadering (objectief/subjectief) ook de standpunten van de opponenten A. Blom en M.M. Mendel, te kennen uit N. van Tiggele-van der Velde, 'Symposium van draden en daden. En nog wat losse eindjes in het nieuwe verzekeringsrecht', AV&S 2007, nr. 2.
Aldus P. Soeteman, 'Het nieuwe verzekeringsrecht en co-assurantie; enkele notities met betrekking tot het aanpassen van beurspolis formulieren', in de Wansink-bundel 2006, p. 416. Soeteman verhaalt in deze bijdrage over het proces van aanpassen van de beurs-polissen en clausules in verband met de invoering van het nieuwe verzekeringsrecht, zoals dit bij een tweetal commissies van de vNAB gespeeld heeft.
Soeteman stelt dat 'toegegeven moet worden' dat een uitsluiting leesbaarder is, maar stelt daar op p. 418 tegenover, zonder verder aan te geven waarom hij dat vindt, dat de nadere definiëring 'juridisch logischer en zuiverder' is.
Zie ook hierna onder 7.2.4.
C.J.H. Brunner, Bouwschade en w.a.-verzekering, BR 1977, p. 303 e.v. gaat ook uit van onzeker voorval als onderdeel van de geldigheid van de verzekering, zij het in relatie tot de CAR-polis en de daaraan eigen problematiek.
Ook Blom 2006, p. 51, gaat - zij het helaas uitsluitend verwijzend naar 'zijn opvatting', en daarmee zonder goed traceerbare nadere motivering - uit van een bewijslast voor verzekeraar. Zie voor een behandeling van het zgn. zelfstandig verweer ook hiervoor onder 1.1 onder het kopje 'De partij die zich op rechtsgevolgen beroept, dient te bewijzen' blijft (toch) de hoofdregel'.
Met de vaststelling dat er een beroep gedaan wordt op een zelfstandig rechtsgevolg - en niet 'slechts' om een verweer dat de kern van de grondslag van de eis aantast - is de keuze voor een zelfstandig verweer gemaakt. De grenzen ter bepaling van de vraag of van een zelfstandig verweer sprake is, zijn, zoals reeds onder hoofdstuk 1 aan de orde gesteld, steeds lastig te trekken. Asser drukt dat aansprekend uit, waar hij zijn annotatie bij HR 7 december 2001, NJ 2002, 494, begint met de mededeling: 'Het is soms een beetje tobben met de juiste toepassing van de hoofdregel van bewijslastverdeling van art. 150 Rv'.
Op het moment nu dat de 'onzekerheid' vaststaat, is nog aan de orde de vraag naar het causaal verband tussen het voorval en de schade. Dät dit element nog 'open' staat, lijkt wat in tegenspraak met de gedachte achter het zelfstandig verweer. Bij een zuiver zelfstandig verweer, ook wel rechtsverhinderend of bevrijdend feit genoemd (zie ook 1.1.2 onder het kopje 'het zgn. zelfstandig verweer'), zou een vordering in beginsel voor toewijzing gereed moet liggen' en kan zij alleen nog worden afgewezen als de gedaagde dit bevrijdend feit bewijst. Dit een en ander laat zich op zich verklaren vanuit de gedachte dat het 'onzekerheidsverweer' in deze het meest verstrekkend is. Zie over deze 'volgorde' ook Biegmann-Hartogh in haar conclusie vóór HR 19 november 1982, NJ 1983, 711. Het is vervolgens (hoewel dit bewijs in de praktijk vaak gelijktijdig in hetzelfde vonnis wordt opgelegd) aan de verzekerde om het bewijs van causaliteit tussen voorval en schade bij te brengen. Ik zal er op deze plaats mee volstaan te stellen dät op verzekerde in beginsel de verplichting rust om het bewijs van causaliteit bij te brengen. De vraag welke bijzondere invulling aan het causaliteitsvereiste binnen het verzekeringsrecht gegeven wordt, zal ik hier niet aan de orde stellen. Daarvoor is de materie, gegeven het eigen stelsel van polisbepalingen en de systematiek van de wet (de leer van de toerekening naar redelijkheid in art. 6:98 BW, waarvoor binnen het verzekeringsrecht in voorkomende gevallen slechts een bijrol weggelegd is) te omvattend. Graag verwijs ik naar Blom 2006.
11 april 1997, NJ 1998, 111(Bike Brothers), m.nt. MMM. Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 28 gaan daar ook van uit: de verzekeraar die zich beroept op bekendheid van de verzekeringnemer of van de verzekerde bij het sluiten van de verzekering met reeds voorgevallen schade, zal die bekendheid moeten bewijzen.
HR 19 november 1982, NJ 1983, 711 en HR 2 mei 1997, NJ 1997, 597.
Het advies is te kennen uit S&S 1996, 19. Claringbould onderbouwt niet nader waarom hij uitgaan van een verplichting op verzekerde en evenmin waarom hij het voldoende acht dat 'aannemelijk gemaakt wordt dat'.
1998, nr. 6.15: 'Heeft de verzekeraar op zich genomen de schade te vergoeden ongeacht uit welke oorzaak die is ontstaan of: 'all risks', dan zal de verzekerde, indien betwist, toch moeten stellen en bewijzen dat de schade het gevolg is van een onzeker voorval. Door clausules als zo even genoemd wordt niet afgeweken van het beginsel dat slechts is verzekerd tegen de gevolgen van een onzeker voorval'.
Vgl. Ook Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 27 ('De onzekerheid die art. 7:925 BW bij een verzekering verlangt, moet bij het sluiten van de overeenkomst voor partijen bestaan. Voor zover die onzekerheid ontbreekt, heeft de overeenkomst geen effect') en nr. 346 ('Waar het om gaat is dat het karakter van kansovereenkomst zich ertegen verzet dat een rechtsgeldige verzekeringsovereenkomst tot stand komt voor zover deze ziet op dekking voor schade waarvan de verzekerde reeds ten tijde van het sluiten van de verzekering wist dat deze al was ontstaan, dan wel met zekerheid zou ontstaan').
HR 11 april 1997, NJ 1998, 111(Bike Brothers), m.nt. MMM.
Voor een dergelijke uitbreiding pleit Blom 2006, p. 29.
Zie noot 87.
Kenmerkend voor de verzekeringsovereenkomst is het element van onzekerheid: voor partijen dient bij het sluiten van de overeenkomst geen zekerheid te bestaan dat, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet worden gedaan, of ook hoe lang de overeengekomen premiebetaling zal duren, aldus art. 7:925 BW. Wat opvalt is dat het 'oude' onzeker voorval, zoals dat in art. 246 K (oud) was opgenomen en waarin een koppeling bestond tussen de verplichting tot uitkering voor de verzekeraar en de schade die de verzekerde door een onzeker voorval zou kunnen leiden, niet langer in de wettelijke omschrijving van een overeenkomst van verzekering is opgenomen. De wetgever heeft bij dit vervallen het oog gehad op uniformiteit van die omschrijving1 maar die uniformiteit draagt voor de overeenkomst van schadeverzekering het risico in zich dat onduidelijk is wat nu onzeker dient te zijn.2 Inmiddels is in de bij de invoering van titel 7.17 BW door het Verbond van Verzekeraars aan de markt geadviseerde modelteksten aan verzekeraars ervoor gekozen om - teneinde discussie over de reikwijdte van het verzekerde risico te voorkomen - in de polisvoorwaarden voor schadeverzekeringen de volgende bepaling op te nemen:
'Deze overeenkomst beantwoordt - tenzij partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen - aan het vereiste van onzekerheid als bedoeld in artikel 7:925 BW, indien en voorzover de schade op vergoeding waarvan aanspraak wordt gemaakt, het gevolg is van een gebeurtenis waarvan voor partijen ten tijde van het sluiten van de verzekering onzeker was dat daaruit voor verzekerde schade was ontstaan dan wel naar de normale loop van omstandigheden nog zou ontstaan.'
Daarmee is de onzekerheid - in de vorm van het onzeker voorval - alsnog gedefinieerd en maakt zij ook weer 'benoemd' deel uit van de verzekeringsovereenkomst.3 Behalve bij de Juridische Commissie Schade (JCS) van het Verbond als geestelijk vader van de hiervoor weergegeven modeltekst, blijkt in ander commissieverband de definiëring van de onzekerheid eveneens op de agenda te hebben gestaan. Binnen de vereniging Nederlandse Assurantie Beurs, vNAB, is de vraag aan de orde geweest of het niet beter zou zijn om de nadere omschrijving van het onzeker voorval niet in de vorm van een nadere definiëring, maar in de vorm van een uitsluiting op te nemen.4 Soeteman benadert deze gedachte luchtig en stelt dat er naar zijn mening geen grote verschillen bestaan in de rechtsgevolgen tussen het hanteren van een 'definitie' of een uitsluiting.5 Uiteindelijk is ook door deze commissie aan de definiëring vastgehouden (en dus niet voor een uitsluiting gekozen), mede omdat door aansluiting bij de reeds eerder verschenen modeltekst van het Verbond er 'meer eenheid in verzekeringsland gewaarborgd werd'.
Wat van de uiteindelijk gemaakte keuze ook zij, Soeteman gaat op het aspect van de mogelijk bewijsrechtelijke gevolgen van de ene of de andere benadering niet in. In het algemeen zou ik willen stellen dat de keuze voor 'definiëring', dan wel voor 'uitsluiting' wel degelijk (grote) bewijsrechtelijke gevolgen in zich draagt, die voor de uiteindelijke beslissing bepalend kunnen zijn. Bij het opnemen, immers, van een (nadere) definiëring in de polisvoorwaarden, is het in beginsel aan verzekerde om in een procedure (beoogd rechtsgevolg: nakoming overeenkomst c.q. betaling van de penningen) zonodig bewijs van de onzekerheid bij te brengen. Het mogelijke risico van het niet kunnen leveren van het bewijs rust daarbij (dus) op hem. Dat is vanzelfsprekend anders wanneer de onzekerheid in het jasje van een uitsluiting was gestoken: het zou dan juist aan verzekeraar zijn om deze uitsluiting (rechtsgevolg: bevrijding van betalingsverplichting) te stellen en zonodig te bewijzen.6 Hieronder zal aan de orde komen de vraag of dit (bewijsrechtelijk) verschil bij het onzeker voorval ook daadwerkelijk een rol speelt.
Onder de regeling zoals deze thans voorligt, is de stelling van de onzekerheid er een die 'meegenomen' wordt door verzekerde: dät er bij het sluiten van de overeenkomst onzekerheid bestond over de vraag of er (vermo-gens)schade zou ontstaan in de zin van deze definitie, maakt in feite steeds onbenadrukt deel uit van de stellingen die aan de vordering tot schadevergoeding door de verzekerde ten grondslag liggen. Eerst immers in het geval de verzekeraar zich op het standpunt stelt dat er géén onzekerheid bestond voor de verzekerde, zal dit element een rol gaan spelen. Op wie rust dan vervolgens de bewijslast? Uitgangspunt is daarbij vanzelfsprekend steeds dat de last rust bij degene die zich op een rechtsgevolg beroept. Praktisch vertaald is het in de regel ook steeds de eiser (de nakoming vorderende verzekerde) die eerst zal moeten bewijzen en hoeft een gedaagde (hier: verzekeraar) niet de feiten te bewijzen die hij stelt ter motivering van zijn betwisting. In die lijn zou de bewijslast van de onzekerheid er een zijn die ligt bij verzekerde: er is een definiëring en de elementen daarvan dienen - zoals hiervoor onder 7.2.1 ook steeds het geval was bij andere definiëring in de polis - door verzekerde te worden bewezen. Het is evenwel de vraag of dat hier ook zo is. Het verweer van de verzekeraar, immers, is formeel geen 'dekkingsverweer', maar strekt verder omdat de vraag of tegen een onzeker voorval verzekerd is, de geldigheid7 van de verzekeringsovereenkomst raakt: 'ik, verzekeraar, betwist de overeenkomst niet, maar doordat jij, verzekerde, wist dat deze schade was ontstaan/nog zou ontstaan, is - in elk geval ten aanzien van deze specifieke schade - geen rechtsgeldige verzekering tot stand gekomen'. Van een zodanig verweer dat een beroep op een zelfstandig rechtsgevolg inhoudt ('er is geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand gekomen), dient mijns inziens de verzekeraar het bewijs bij te brengen.89 De verdeling sluit daarmee aan bij die onder het oude recht, zij het dat die regeling door de gekozen opbouw bewijsrechtelijk duidelijkheid schiep: na de definiëring van de verzekeringsovereenkomst in art. 246 K (oud) (waarvan het onzeker voorval nog deel uitmaakte) volgde in art. 269 K (oud) nietigheid (en daarmee: de bewijslast op verzekeraar) als sanctionering voor het geval van een onzeker voorval geen sprake was.10 Op die lijn zit ook - naar het lijkt - de Hoge Raad in het Bike Brothers-arrest daar waar hij in het licht van het bepaalde in art. 269 K (oud) onder meer overweegt:
'Ook indien de verzekeringnemer of verzekerde eerst na het indienen van de aanvraag maar voor de totstandkoming van de verzekering op de hoogte geraakt van de verwezenlijking van het risico, is de verzekering in zoverre derhalve niet geldig'11
De bewijsproblematiek toegespitst op de vraag of het voorvallen van de geleden schade bij het sluiten van de verzekering voor de verzekerde een onzeker voorval vormde (onzeker was) anders dan in het licht van art. 269 K (oud), heeft opvallend genoeg zowel in de jurisprudentie, als ook in de literatuur nauwelijks of geen (gemotiveerde) aandacht gehad. Zo wordt in de (weinige) uitspraken van de Hoge Raad over deze materie ermee volstaan 'aan de hand van het hele gebeuren' vast te stellen dat zich geen onzeker voorval 'heeft voorgedaan' waarna de vordering (eenvoudig) wordt afgewezen.12 In de literatuur gaat Claringbould in zijn bindend advies van 28 oktober 1994, te kennen uit S&S 1996, 19, wel in op het bewijs. Hij gaat daarbij niet uit van een bewijslast op verzekeraar, maar stelt dat 'naar het Nederlands verzekeringsrecht de verzekerde aannemelijk moet maken' dat er sprake is van een onzeker voorval.13 Hetzelfde geldt - ook zonder nadere motivering - voor Scheltema/Mijnssen.14 Asser/Clausing & Wansink daarentegen lijken steun te bieden voor mijn stelling dat de bewijslast hier op de verzekeraar rust, daar waar ook zij spreken over (het betwisten van) de rechtsgeldigheid van de verzekering, waarmee het in de rede ligt de bewijslast op de verzekeraar te doen rusten.15
Bij schadeverzekeringen kan zich nog de bijzondere situatie voordoen, dat partijen een verzekering doen ingaan op een tijdstip dat is gelegen vóór het tijdstip waarop de verzekering tot stand komt. Ook hier geldt 'zuivere' toepassing van het vereiste van - subjectieve - onzekerheid aan de schade: wanneer het risico zich reeds heeft verwezenlijkt op het moment waarop de verzekering tot stand komt, dekt de verzekering niet de schade die het gevolg is van die verwezenlijking van het risico, althans voor zover de verzekeringnemer bij het sluiten van de overeenkomst wist.16
Bewijsproblemen?
Een verdeling waarbij verzekeraar dient te bewijzen dat voor verzekerde geen onzekerheid bestond dat de schade zich heeft voorgedaan, dan wel zich nog naar de normale loop der omstandigheden zou voordoen, zal voor verzekeraar niet steeds eenvoudig zijn. Hoe als verzekeraar om te gaan met de verzekerde die stelt 'wat jij ook zegt, ik heb het niet geweten...'. De neiging die opkomt, is de verzekeraar 'tegemoet' te komen door binnen die subjectivering toch een zekere objectivering in te brengen door de zekerheid van het ontstaan/nog zullen ontstaan uit te breiden tot het 'moeten hebben geweten'.17 Ik zou er voor willen pleiten die neiging te onderdrukken. Door de keuze immers voor de subjectieve benadering18 is bewust binnengehaald hetgeen 'verzekerde wist ten tijde van het sluiten van de overeenkomst'. Binnen die bewuste subjectivering zou geen ruimte moeten zijn voor deze uitbreiding. Bovendien zal het in de praktijk, zo stel ik mij voor, ook niet steeds nodig zijn omdat dit weten door de rechter vaak ook 'uit de feiten afgeleid' zal kunnen worden. Daarnaast kan een verzekeraar ook stellen dat een bepaalde gebeurtenis 'voor verzekerde, gelet op zijn ervaring' wel vaststond. Onder die omstandigheden kan de rechter verzekeraar toelaten tot het bewijs van die stelling of - tot op tegenbewijs - uitgaan van de juistheid daarvan.