Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/586
De afwijzing van het aanhoudingsverzoek met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht, nadat de zaak vijf keer eerder was aangehouden, is niet onbegrijpelijk.
HR 22-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:658
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 april 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T.B. Trotman, R. Kuiper
- Zaaknummer
22/04043
- Conclusie
A-G mr. E.J. Hofstee
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:658, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:164, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑02‑2023
- Wetingang
Art. 6 EVRM
Essentie
Afwijzing aanhoudingsverzoek. Namens de verdachte wordt gedurende een periode van zeven jaar zes keer verzocht om aanhouding van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte, die zich in Marokko bevindt en geen inreisvisum heeft. Het hof wijst het zesde, in deze zaak centraal staande aanhoudingsverzoek af. Die afwijzende beslissing is niet onbegrijpelijk.
Samenvatting
Het oordeel van het hof dat op 5 oktober 2022 ‘inmiddels het moment was gekomen dat het strafvorderlijk en maatschappelijk belang — het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling van de zaak — ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.