RvdW 2025/628:Poging tot doodslag door met mes in bovenlichaam van ander te steken na ruzie op feest over betaling voor gebruik van lachgas (art. 287 Sr) en dragen van machete (art. 27 lid 1 WWM). Vrijspraak in eerste aanleg t.a.v. poging tot doodslag. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep t.a.v. dragen van machete, art. 427 lid 2 Sv. 2. Bewijsklacht poging tot doodslag. Verweer t.a.v. betrouwbaarheid van verklaringen van aangever en 2 getuigen. Ad 1. ’s Hofs uitspraak heeft wat betreft feit 2 betrekking op overtreding (art. 27 lid 1 jo. art. 54 en art. 56 WWM). Hof heeft voor dat feit een geldboete van € 225, subsidiair 4 dagen hechtenis opgelegd. O.g.v. art. 427 Sv staat tegen ’s hofs uitspraak t.a.v. feit 2 geen cassatieberoep open. Om die reden kan HR wat betreft dat feit het cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: I.h.k.v. bewijsvraag komt hof tot oordeel dat samenstel van beschikbaar materiaal een consistent beeld oplevert m.b.t. hetgeen is voorgevallen. Verklaringen van getuigen in samenhang bezien met verklaring van aangever en verklaring van verdachte zelf, zijn volgens hof bruikbaar v.zv. het eigen waarnemingen betreft. Dat getuige tussen hetgeen is voorgevallen en het afleggen van verklaring met anderen heeft gesproken, maakt diens verklaring niet helemaal onbruikbaar. Verklaring van getuige (inhoudende dat jongen die heeft gestoken best wel lang was en enige op feest met dreadlocks was) is niet méér belastend dan wat voortvloeit uit wat getuige zelf heeft waargenomen (en behoeft geen trekken te hebben van het ‘interessant’ vinden om, om reden dat het een bekende drillrapper betreft, verdachte te beschuldigen). Dergelijke verklaring is immers ook te geven als het daadwerkelijk steken niet zelf is waargenomen en los daarvan geeft verklaring inzicht in uiterlijke kenmerken van iemand die is betrokken bij schermutseling en die o.b.v. dan wel in samenhang bezien met ander bewijs kan worden aangewezen als degene die heeft gestoken. Met aandacht voor omstandigheden die van invloed kunnen zijn op authenticiteit en betrouwbaarheid van beschikbaar bewijsmateriaal heeft hof (uitdrukkelijk) de nodige behoedzaamheid betracht bij beantwoording van bewijsvraag. Hof heeft daarbij ook inconsistenties en verschillen tussen verklaringen expliciet en op niet onbegrijpelijke wijze in zijn overwegingen besproken en beoordeeld. Tegen deze achtergrond en mede gelet op afwezigheid van aanwijzingen dat ander dan verdachte zou hebben gestoken is hof niet onbegrijpelijk tot bewezenverklaring (van daderschap) gekomen. ’s Hofs oordeel is ook toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.