Dit kader is ontleend aan vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Zie onder meer: HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172; HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896; HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1894, NJ 2021/6; HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1134, NJ 2021/270; HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:685, NJ 2021/192.
HR, 22-04-2025, nr. 22/04043
ECLI:NL:HR:2025:658
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-04-2025
- Zaaknummer
22/04043
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:658, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:164
ECLI:NL:PHR:2025:164, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:658
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑02‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0162
NTS 2025/25
Uitspraak 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr), medeplegen gebruik maken van vals geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.2 Sr) en medeplegen witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.a Sr). Aanhoudingsverzoek ttz. in hoger beroep door niet gemachtigde raadsman gedaan en op nadere tz. in h.b. herhaald op de grond dat het voor (in Marokko verblijvende) verdachte nog niet mogelijk is om naar Nederland te reizen om strafzaak bij te wonen, door hof (na eerdere aanhoudingen) afgewezen o.g.v. belangenafweging. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1737 m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken. Raadsman heeft aan aanhoudingsverzoek ttz. in h.b. ten grondslag gelegd dat verdachte gebruik wil maken van zijn in art. 6 EVRM gegarandeerde aanwezigheidsrecht maar dat hij niet kan voldoen aan garantstellingseis die door Nederlandse Staat is verbonden aan visumverlening. Hof heeft dat verzoek afgewezen omdat belang van samenleving bij doeltreffende en spoedige behandeling van zaak ernstig in gedrang zou komen als behandeling van zaak nog langer zou worden aangehouden. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat sinds eerste aanhouding van zaak in 2015 van zijde van OM alle mogelijke medewerking is gegeven bij het aanvragen van inreisvisum door verdachte, waartoe OM ook contact heeft onderhouden met IND. Daarnaast zijn volgens hof door Rh-C alle mogelijkheden onderzocht om verdachte via rogatoire commissie te horen, dan wel hem via videoconferentie in gelegenheid te stellen tz. bij te wonen. Verder heeft hof in aanmerking genomen dat het ook op de weg van verdachte ligt om alles in het werk te stellen om naar Nederland te kunnen afreizen. In dat verband heeft hof het niet aannemelijk geacht dat verdachte dit heeft gedaan, in verband waarmee het heeft overwogen dat niet is gebleken dat verdachte daadwerkelijk visum voor het bijwonen van strafzaak heeft aangevraagd, terwijl hij pas op dag van tz. in h.b. heeft laten weten dat het hem niet is gelukt om garantstelling te regelen. Ten slotte heeft hof in aanmerking genomen dat niet is geconcretiseerd welke inspanningen de verdachte heeft verricht of nog zal verrichten om binnen afzienbare termijn wel naar Nederland te kunnen afreizen om in toekomst de behandeling van zijn zaak te kunnen bijwonen. ’s Hofs op deze omstandigheden steunende oordeel dat op 5-10-2022 “inmiddels moment was gekomen dat strafvorderlijk en maatschappelijk belang (belang dat samenleving heeft bij doeltreffende en spoedige behandeling van zaak) zwaarder weegt dan belang van verdachte bij het uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht”, is niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat het gaat om berechting van feiten die zijn gepleegd in 2007 en 2008 en dat na regiezitting op 3-6-2015 inhoudelijke behandeling op 4 opeenvolgende tz. van 7-2-2019 tot en met 23-4-2021 telkens op verzoek van verdachte is aangehouden i.v.m. diverse namens verdachte naar voren gebrachte problemen die aan zijn komst naar Nederland in de weg stonden. ’s Hofs oordeel over het tekortschieten van inspanningen van verdachte (waaruit volgt dat zich niet situatie voordeed dat het niet kunnen effectueren van zijn aanwezigheidsrecht enkel gevolg was van omstandigheden die waren gelegen buiten macht van verdachte) is toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat al op tz. van 23-4-2021 belang van garantstelling is besproken en verdachte pas op dag van tz. van 5-10-2022 als probleem heeft benoemd dat hij niemand heeft kunnen vinden die voor hem i.h.k.v. visumverlening garant wilde staan, terwijl dit probleem naar zijn eigen zeggen al langere tijd bestond. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04043
Datum 22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2022, nummer 22-001779-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering volgens de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging tot aanhouding van de behandeling van de zaak op de terechtzitting van 5 oktober 2022.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 4.000 waarvan € 2.000 voorwaardelijk en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden voor, kort gezegd, het telkens en meermalen medeplegen van: oplichting (feiten 1 en 2), gebruikmaken van een vals geschrift (feit 3) en witwassen (feit 4), in de periode van 18 juli 2007 tot en met 7 juli 2008.
Procesverloop in hoger beroep
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting (regie) in hoger beroep van 3 juni 2015 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen, maar wel zijn raadsman [raadsman] . Uit het proces-verbaal blijkt verder dat de raadsman heeft meegedeeld niet te zijn gemachtigd om de zaak inhoudelijk te behandelen en heeft verzocht om aanhouding van de zaak omdat de verdachte graag gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak. Het hof heeft geconstateerd dat de raadsman de toezegging heeft gedaan om het adres van de verdachte in Marokko aan het openbaar ministerie te doen toekomen en dat de advocaat-generaal heeft toegezegd een poging te zullen doen om de verdachte – eventueel door middel van een rechtshulpverzoek c.q. laissez-passer – naar Nederland te laten komen. Het hof heeft vervolgens het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst.
2.2.3
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 februari 2019 (en de daaraan gehechte pleitaantekeningen) blijkt dat de verdachte niet is verschenen, maar wel zijn raadsman, die heeft aangegeven dat hij alleen gemachtigd was om een aanhoudingsverzoek te doen. Hij heeft naar voren gebracht dat de verdachte vroeger een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene in Nederland heeft gehad en dat hij lange tijd met zijn vrouw en kinderen in Nederland heeft verbleven. Op enig moment is hij uit Nederland weggegaan en zo lang weggebleven dat de verblijfsvergunning is ingetrokken. De raadsman heeft verder meegedeeld dat de verdachte hem kort voor de terechtzitting heeft laten weten waarschijnlijk op korte termijn vanuit Marokko naar Nederland te kunnen reizen, omdat hij een ID-kaart heeft kunnen aanvragen, waarna hij een inreisvisum zal aanvragen. Subsidiair heeft de raadsman het verzoek gedaan om wanneer de verdachte door middel van een rogatoire commissie als getuige in de zaak van een medeverdachte in Marokko zou worden gehoord, hij dan ook als verdachte in zijn eigen zaak een verklaring zou kunnen afleggen. Het hof heeft het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde tijd aangehouden tot 7 november 2019 met verwijzing van de zaak naar de raadsheer-commissaris zodat de verdachte ook in zijn eigen zaak een verklaring kan afleggen als hij wordt gehoord als getuige in de zaak tegen de medeverdachte. Het hof heeft de raadsman verzocht op korte termijn het adres van de verdachte in Marokko door te geven aan het kabinet van de raadsheer-commissaris.
2.2.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2019 blijkt dat de verdachte niet en zijn raadsman ook niet is verschenen en dat vooraf is bepaald dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 13 maart 2020. Het houdt verder onder meer in:
“Het hof heeft een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 april 2019 van de raadsheer-commissaris ontvangen, waaruit blijkt dat de raadsman de adresgegevens van de verdachte kenbaar zou maken aan de raadsheer-commissaris. Van het kabinet van de raadsheer-commissaris is vernomen dat nog geen adres is doorgegeven. Voorts heeft het hof begrepen uit de mailwisseling tussen de raadsheer-commissaris en de raadslieden van de verdachte en de medeverdachten dat het verhoor van de verdachte bij de raadsheer-commissaris op 30 september 2019 stond gepland, maar dat dit geen doorgang heeft gevonden omdat het niet mogelijk was dat de verdachte alsdan in Nederland kon zijn. Het verhoor van de verdachte bij de raadsheer-commissaris is thans gepland op 11 februari 2020.
In voornoemd proces-verbaal van 2 april 2019 wordt ook aangegeven dat bij navraag bij het IRC bekend is geworden dat geen enkele voortgang wordt gemaakt met lopende rechtshulpverzoeken in Marokko. Volgens het IRC is bij de huidige stand van zaken niet te zeggen op welke termijn de uitvoering van rechtshulpverzoeken in Marokko te verwachten is. Of daar al verandering in is gekomen is het hof niet bekend.
Het gerechtshof, gehoord de advocaat-generaal, schorst hierop het onderzoek tot de terechtzitting van 13 maart 2020 te 9.30 uur;
verwijst de zaak naar de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof teneinde - indien de verdachte als getuige wordt gehoord in de zaak van de medeverdachte (...) - hij (voor zover mogelijk ook) in de gelegenheid wordt gesteld om in zijn eigen zaak als verdachte een verklaring af te leggen;
verzoekt de raadsheer-commissaris om - indien het niet is gelukt de verdachte te horen - ten behoeve van de zitting van 13 maart 2020 een (nader) proces-verbaal van bevindingen op te maken teneinde het hof op de hoogte te stellen van:
1. de stand van zaken omtrent de mogelijkheid om de verdachte middels een rechtshulpverzoek (rogatoire commissie of telefoon/video-verbinding) te horen als getuige (in de zaken tegen de medeverdachten);
2. de verwachting omtrent de afronding van het rechtshulpverzoek.”
2.2.5
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2020 blijkt dat de verdachte niet is verschenen, maar wel zijn raadsman die heeft aangegeven dat hij alleen gemachtigd was om een aanhoudingsverzoek te doen. Het houdt verder onder meer in:
“De voorzitter deelt mee dat het hof voorafgaande aan deze terechtzitting de volgende stukken heeft ontvangen:
1. twee processen-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris, [naam 1] , d.d. 4 februari 2020 respectievelijk 24 februari 2020;
2. een brief van [raadsman] d.d. 12 februari 2020, inhoudende een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, alsmede de namens het hof gegeven reactie op dat verzoek, inhoudende dat niet op voorhand doch heden ter terechtzitting zal worden beslist op dat verzoek;
3. een brief van de advocaat-generaal [naam 2] d.d. 6 september 2019, gericht aan de Immigratie en Naturalisatie Dienst betreffende de mogelijkheid tot het verstrekken van een faciliterend visum aan de verdachte [verdachte] ten behoeve van het bijwonen van de behandeling van deze strafzaak (cc verzonden aan de raadsman, [raadsman] , en de raadsheer-commissaris, [naam 1] ) met als bijlage een uitdraai van een e-mailwisseling d.d. 27 augustus 2019 tussen de raadsheer-commissaris, de advocaat-generaal en de raadsman, [raadsman] , waarin de raadsheer-commissaris heeft verwoord dat het laten uitgaan van een rechtshulpverzoek aan de Marokkaanse autoriteiten teneinde [verdachte] te horen in het kader van een rogatoire commissie niet zinvol is nu het naar Marokkaans recht niet mogelijk is een persoon gelijktijdig als getuige en verdachte in zijn eigen strafzaak te horen, zodat de Marokkaanse autoriteiten geen medewerking zullen verlenen aan een dergelijk rechtshulpverzoek in de onderhavige zaak,
4. een brief van de raadsheer-commissaris [naam 1] aan de Immigratie en Naturalisatie Dienst betreffende het verstrekken van een faciliterend visum aan de verdachte [verdachte] en
5. namens [raadsman] met het oog op de terechtzitting van heden op voorhand aan het hof en de advocaat-generaal toegezonden pleitaantekeningen met bijlagen waarin de raadsman een verzoek tot aanhouding van de zaak heeft gedaan, op gronden zoals verwoord in die pleitnota.
(...)
Op vragen van de voorzitter deelt de raadsman mede:
De zich nog immer in Marokko bevindende verdachte heeft er in de visie van de verdediging alles aan gedaan om heden ter terechtzitting aanwezig te zijn. De verdachte wil gebruik maken van zijn aanwezigheidsrecht teneinde zelf tegenover het hof de hem in de tenlastelegging gemaakte verwijten gemotiveerd te weerspreken. Ik acht het dan ook van groot belang dat hij ter terechtzitting een verklaring kan afleggen. Ik heb er van mijn kant ook alles aan gedaan om de verdachte ter terechtzitting aanwezig te laten zijn. De IND heeft hem een inreisvisum geweigerd. Tegen die weigering is namens hem beroep ingesteld. De Vreemdelingenkamer van de rechtbank heeft zijn zaak behandeld op 28 februari 2020. De uitspraak zal, zo heb ik van zijn vreemdelingenadvocaat [(vreemdelingen-)advocaat] vernomen, volgen over 6 tot 8 weken na de behandeling van de zaak.
U oppert dat er andere opties denkbaar zijn; de verdachte zou een verklaring met betrekking tot het ten laste gelegde op schrift kunnen laten stellen, bijvoorbeeld ten overstaan van een notaris in Marokko.
De verdediging meent dat dat geen optie is; de verdachte wenst van zijn aanwezigheidsrecht hier ter zitting gebruik te maken.
In reactie op uw opmerking dat u niet heeft gezien of zijdens de verdachte een aanvraag voor een faciliterend visum ten behoeve van de strafzaak is ingediend, antwoord ik dat [(vreemdelingen-)advocaat] , die voor de verdachte optreedt in de vreemdelingrechtelijke zaak, mij heeft laten weten dat het doen van een aanvraag voor een visum louter ten behoeve van de strafzaak zinloos is, omdat de IND volgens hem, [(vreemdelingen-)advocaat] , die aanvraag niet zal toewijzen.
(...)
Het lijkt mij goed om nog eenmaal af te wachten om te bezien of de verdachte op basis van een visum voor gezinshereniging naar Nederland kan komen. De enige andere optie is - wat de verdediging betreft - een verhoor van de verdachte door een gedelegeerd raadsheer-commissaris, middels een rechtshulpverzoek aan de Marokkaanse autoriteiten.
De advocaat-generaal deelt mede:
Ik hecht eraan te benadrukken dat niet het Openbaar Ministerie maar de verdachte zelf een 'laissez passer' moet aanvragen. Het Openbaar Ministerie kan de verdachte wel steunen in zijn aanvraag en heeft dat ook gedaan. Doordat de verdachte een visum heeft aangevraagd voor gezinshereniging - in plaats van een faciliterend visum voor zijn strafzaak - is zijn aanvraag afgewezen. Dat is niet aan het Openbaar Ministerie te wijten.
De raadsman deelt mede:
(...) Ik kan mij voorstellen dat het hof, gegeven de omstandigheid dat het verzoek tot het horen van mijn cliënt als getuige is ingetrokken, de uitkomst van de heden besproken vreemdelingrechtelijke beroepsprocedure waarin de rechtbank naar verwachting over een aantal weken uitspraak zal doen, afwacht en - tegelijkertijd - in afwachting van die uitspraak - rekening houdend met een mogelijke ongegrondverklaring van dat beroep - de raadsheer-commissaris verzoekt een rechtshulpverzoek aan de Marokkaanse autoriteiten te doen teneinde de verdachte in het kader van een rogatoire commissie in Marokko te horen. Mijn cliënt wenst dat een van de raadsheren die deel uitmaken van de zittingscombinatie die zijn zaak inhoudelijk zal behandelen naar Marokko afreist om hem te horen. Hij wil zijn rechter in de ogen kunnen kijken. Ik verzoek u om aan die wens gehoor te geven. Ik zal met het oog op de uitvoering van een eventueel rechtshulpverzoek binnen veertien dagen na heden het adres waar de verdachte verblijft en zal verblijven doorgeven aan het kabinet van de raadsheer-commissaris bij dit hof.
(...)
Voorts beslist het hof als volgt.
De behandeling van de zaak wordt voor onbepaalde tijd aangehouden, teneinde de uitspraak van de rechtbank in de vreemdelingrechtelijke beroepsprocedure inzake de visumaanvraag voor verblijf in Nederland van de verdachte af te wachten. Indien de rechtbank het beroep van de verdachte gegrond verklaart, kan de verdachte op een nader te bepalen terechtzitting van het hof zijn aanwezigheidsrecht effectueren.
De raadsman, [raadsman] , wordt verzocht zodra de uitspraak van de rechtbank in de vreemdelingenrechtelijke beroepsprocedure bekend is het kabinet van de raadsheer-commissaris daarvan in kennis te stellen.
Rekening houdend met een eventuele ongegrondverklaring van het beroep in de vreemdelingrechtelijke procedure zal het hof de zaak tevens nu al verwijzen naar de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, teneinde een allerlaatste poging te doen de verdachte middels een rechtshulpverzoek aan de Marokkaanse autoriteiten te horen via een rogatoire commissie in Marokko. Dit onder de nadrukkelijke voorwaarde dat de raadsman van de verdachte [verdachte] , [raadsman] , binnen veertien dagen na heden het adres waarop de verdachte [verdachte] thans verblijft (en zal verblijven) aan het kabinet van de raadsheer-commissaris zal opgeven.”
2.2.6
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2021 blijkt dat de verdachte niet is verschenen, maar wel zijn raadsman. Het houdt verder onder meer in:
“De voorzitter deelt mede dat het hof voorafgaande aan deze terechtzitting de volgende stukken heeft ontvangen:
1. een e-mail van [naam 3] , Visadienst kort verblijf, Directie Asiel & Bescherming van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) d.d. 26 maart 2021, gericht aan het openbaar ministerie en ter informatie doorgeleid aan het hof. Deze e-mail houdt in dat de (vreemdelingen-)advocaat van [verdachte] , [(vreemdelingen-)advocaat] , op 23 maart 2021 contact heeft opgenomen met de Marokkaanse autoriteiten te Rabat naar aanleiding van de ontvangst van de oproeping voor de terechtzitting van heden door de verdachte, die een visumplichtige vreemdeling is. [(vreemdelingen-)advocaat] heeft, aldus [naam 3] , verzocht aan de Marokkaanse autoriteiten of een visum verstrekt kan worden aan [verdachte] in verband met zijn aanwezigheid ter terechtzitting van het hof. Daar de Nederlandse overheid het besluit van de EU heeft overgenomen om de toegangsvoorwaarden voor Nederland aan te scherpen voor personen die van buiten de EU naar Nederland reizen heeft de IND aan het openbaar ministerie een aantal vragen -onder meer over de noodzaak van de aanwezigheid van de verdachte ter terechtzitting en zijn tijdelijke verblijfadres in Nederland- voorgelegd ter beoordeling van het verzoek tot het verstrekken van een visum aan de verdachte;
2. een door de advocaat-generaal op 1 april 2021 aan het hof doorgezonden e-mail van [raadsman] d.d. 31 maart 2021 waarin [raadsman] de door de advocaat-generaal aan hem doorgezonden vragen van de IND heeft beantwoord. De raadsman geeft onder meer te kennen dat een aanhouding van de behandeling van de zaak wat hem betreft in de rede ligt indien de verdachte heden niet ter terechtzitting aanwezig kan zijn;
3. een door de advocaat-generaal op 7 april 2021 aan het hof doorgezonden e-mail d.d. 6 april 2021 waarin zij aan [naam 3] en [raadsman] bericht dat wat haar betreft heden een inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting kan plaatsvinden;
4. een e-mail van de griffier d.d. 7 april 2021 aan de advocaat-generaal inhoudende dat alles in het werk gesteld moet worden dat de verdachte ter terechtzitting aanwezig kan zijn en dat het hof er vanuit gaat dat de advocaat-generaal daarvoor het nodige in gang zal zetten;
5. een door de advocaat-generaal op 7 april 2021 aan het hof doorgezonden e-mail d.d. 7 april 2021 waarin zij aan de IND ( [naam 3] ) verzoekt om ervoor zorg te dragen dat aan de verdachte - in verband met de effectuering van zijn aanwezigheidsrecht ter terechtzitting - een visum wordt verstrekt;
6. een door de advocaat-generaal op 9 april 2021 aan het hof doorgezonden e-mail d.d. 9 april 2021 aan [raadsman] inhoudende dat de IND haar, advocaat-generaal, heeft bericht dat de verdachte een visumaanvraag kan indienen bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Rabat. Voorts houdt dit bericht in een verzoek van de advocaat-generaal aan [raadsman] om aan haar, advocaat-generaal, door te geven wie optreedt als financieel garantsteller voor de verdachte, nu de beschikbaarheid van een financieel garantsteller geldt als een van de voorwaarden voor visumverlening;
7. een faxbericht van de raadsman d.d. 14 april 2021 inhoudende het verzoek de behandeling van de zaak aan te houden, in verband met de effectuering van verdachtes aanwezigheidsrecht. Blijkens informatie van het Ministerie van Buitenlandse zaken (https://www.nederlandwereldwijd.nl/landen/marokko/reizen/reisadvies) heeft de Marokkaanse regering tot nader order alle rechtstreekse vluchten tussen Marokko en Nederland opgeschort, wegens de besmettingen met het Coronavirus in Nederland;
8. een e-mail van de advocaat-generaal aan de griffier van het hof d.d. 20 april 2021, waarin zij concludeert tot toewijzing van het onder 7. vermelde aanhoudingsverzoek;
9. een e-mail van de griffier van het hof d.d. 20 april 2021 aan de gemeenschappelijke administratie van het hof en het ressortsparket, inhoudende het verzoek namens de voorzitter om aan de raadsman en aan de advocaat-generaal te berichten dat het hof voornemens is het aanhoudingsverzoek in de zaak [verdachte] ter terechtzitting van 23 april 2021 toe te wijzen.
(...)
Op vragen van de advocaat-generaal deelt de raadsman mede:
Een financieel garantsteller voor de visumaanvraag is beschikbaar. Een visumaanvraag is niet ingediend. Gelet op het vliegverbod zou dat geen zin hebben gehad.
Ik weet niet of mijn collega [(vreemdelingen-)advocaat] voor de verdachte nog stappen heeft ondernomen ter verkrijging van een visum voor gezinshereniging in Nederland, zoals ter terechtzitting van 13 maart 2020 besproken.
Het hof wijst bij monde van de voorzitter het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak toe in verband met de effectuering van verdachtes aanwezigheidsrecht.
De voorzitter deelt voorts mede dat behandeling van de zaak ter terechtzitting van 13 maart 2020 is aangehouden, in afwachting van de uitspraak van de rechtbank in de vreemdelingrechtelijke beroepsprocedure inzake de visumaanvraag voor verblijf in Nederland van de verdachte en dat de zaak - rekening houdend met een eventuele ongegrondverklaring van het beroep in de vreemdelingrechtelijke procedure - naar de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof is verwezen, teneinde een allerlaatste poging te doen de verdachte middels een rechtshulpverzoek aan de Marokkaanse autoriteiten te horen via een rogatoire commissie in Marokko. Het hof zal de stukken in handen van de raadsheer-commissaris stellen met verzoek ten behoeve van de volgende zitting een proces-verbaal van bevindingen op te maken waarin wordt aangegeven of er, bijvoorbeeld middels een rechtshulpverzoek, mogelijkheden zijn om de verdachte via videoconferentie de zitting te laten bijwonen dan wel anderszins als verdachte te horen in zijn zaak.”
2.2.7
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2022 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder in:
“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen [raadsman] , advocaat te Amsterdam.
(...)
De voorzitter deelt mede dat het hof, voorafgaande aan deze terechtzitting, van de raadsman een brief d.d. 3 oktober 2022 heeft ontvangen waarin wordt verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak, nu het voor de verdachte nog immer niet mogelijk is om naar Nederland te reizen om de strafzaak bij te wonen. De verdachte wenst wel aanwezig te zijn en de raadsman is zonder zijn aanwezigheid niet bepaaldelijk gevolmachtigd om de verdediging te voeren.
Voorts doet de voorzitter mededeling van de reactie van de advocaat-generaal op deze brief bij e-mailbericht d.d. 4 oktober 2022, inhoudende het standpunt dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen.
De raadsman krijgt de gelegenheid het aanhoudingsverzoek nader toe te lichten.
De raadsman overlegt een e-mailbericht d.d. 5 oktober 2022 van de verdachte, inhoudende:
"Goedendag [raadsman]
Ten aanzien van de zitting van heden woensdag 5 oktober bericht ik u hierbij als volgt. In het verleden is er een visum aangevraagd via [(vreemdelingen-)advocaat] waarvan de ind mij verzocht voor een garantstelling om een garantstelling te kunnen krijgen in des tijds had ik wel iemand die mij de garantstelling wil voorzien maar na enkele dagen heeft de persoon zich terug getrokken om het niet meer te geven en sinds dien ben ik zoekende naar iemand anders die daar bereid voor is. wellicht die boven het minimum loon zit en tot heden is er nog niemand die mij de garantstelling kan geven in verband met laag inkomen heeft ook te maken met corona crisis en mensen durven geen garant meer te geven en tot heden nog zoekende naar een kandidaat die überhaupt een garant kan geven. Wellicht is er een schrijven nodig die ik bij de justitiële instellingen, kan inleveren als uitnodiging om de zaak bij te wonen in Nederland de uitnodiging kan gerichten worden naar [naam 4] en [naam 5] zodat ik de toestemming heb om te kunnen reizen. Verder wil ik u aangeven dat deze problemen allen door de Nederlandse OM is ontstaan door het aangeven om mij hier aan te houden door een internationale hulp verzoek als de Nederlandse OM deze verzoek niet intrekt om mij vrij te laten reizen dan kan ik voorlopig niet reizen. Ik hoop dat dit duidelijkheid aangeeft dat ik niet kan reizen om mijn zaak bij te wonen in Nederland
Met vriendelijke groet
[verdachte] "
De raadsman brengt naar voren:
Dit e-mailbericht heb ik ontvangen van mijn cliënt. Mijn kantoorgenoot had contact met hem voorafgaand aan deze zitting en heeft hem gesproken. We hadden moeite om hem te bereiken en ik ben dus blij dat we hem zelf gesproken hebben. Uit dit bericht blijkt dat mijn cliënt vandaag niet kan komen terwijl hij wel bij de behandeling aanwezig wenst te zijn. Inmiddels heb ik uit de media vernomen dat de relaties tussen de justitiële autoriteiten van Nederland en Marokko verbeterd zijn. Dit deed bij mij de vraag opkomen of er wellicht een mogelijkheid is om mijn cliënt door middel van een videoverbinding aanwezig te laten zijn. Vorig jaar kon dit blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris nog niet, maar misschien is dit inmiddels wel mogelijk. Mijn cliënt beroept zich op artikel 6 EVRM en om die reden verzoek ik het hof de zaak aan te houden en te verwijzen naar de raadsheer-commissaris om na te gaan wat de mogelijkheden zijn om cliënt via een videoverbinding de zaak te laten volgen.
De voorzitter merkt op dat de raadsman op een eerder moment in deze procedure heeft medegedeeld dat hij een videoverbinding juist geen goed idee vond, mede gelet op het vertrouwelijk karakter van overleg tussen verdachte en raadsman.
De raadsman brengt naar voren:
Dat ging destijds om de vraag of hij als getuige kon worden gehoord, niet als verdachte. Ik kan mij voorstellen dat ik met hem contact zou kunnen hebben via Whatsapp tijdens de zitting.
De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid om te reageren en hij brengt naar voren:
Ik heb ook begrepen dat de relatie tussen de justitiële autoriteiten in Nederland en Marokko in positieve zin is gewijzigd, maar dat zag op het naar Marokko kunnen terugsturen van ongewenst verklaarde vreemdelingen onder de voorwaarde dat Nederland zich niet zou uitlaten over de mensenrechten in Marokko. Ik zie geen verband met het verrichten van rechtshulp in strafzaken. Ik vind het niet concreet genoeg. We moeten kijken naar wat er in de onderhavige zaak al is gebeurd als het gaat om het effectueren van het aanwezigheidsrecht. De verdediging heeft er moeite in gestoken en het Openbaar Ministerie heeft telkens ook moeite gedaan om één en ander te ondersteunen, bijvoorbeeld door een brief aan de IND te sturen als het ging om het verkrijgen van een visum. Het Openbaar Ministerie heeft zich telkens welwillend opgesteld. Er is hier geen sprake van een situatie waarin het Openbaar Ministerie geen enkele moeite heeft gedaan om de verdachte te laten verschijnen, niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is hier dus niet aan de orde. Er is nadrukkelijk bemoeienis geweest vanuit het Openbaar Ministerie. Daarnaast heeft de raadsheer-commissaris ook inspanningen verricht. Dit alles heeft er niet in geresulteerd dat de verdachte vandaag ter zitting is verschenen. Als ik de e-mail van de verdachte lees, dan kan ik daar niet uit afleiden dat het aannemelijk is dat hij in de nabije toekomst wel ter terechtzitting zal verschijnen. We kijken wat dat betreft in een zwart gat. Dan moet er een afweging worden gemaakt, waarbij belangrijk is dat in dit geval alle middelen zijn uitgeput en het belang van behandeling van de strafzaak ook zwaarder gaat wegen. Naar mijn mening dient het maatschappelijk belang om de zaak af te doen thans te prevaleren. In praktische zin kan ik me de optie nog voorstellen dat er tijdens de zitting regelmatig wordt geschorst zodat de raadsman met de verdachte kan overleggen. Maar op dit moment is mijn standpunt dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen, dat er verstek moet worden verleend en dat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
De raadsman brengt naar voren:
De procedure voor visumaanvraag in het kader van gezinshereniging is doorlopen, mijn cliënt werd daarin bijgestaan door een andere advocaat. Er zijn geen recente stukken van. Mijn cliënt moest een borgstelling hebben maar die had hij niet. Hij kan niet aan de garantstellingseis voldoen.
Als het gaat om de betrekkingen met Marokko dan ben ik van mening dat dit moet worden nagevraagd. Er moet het maximale worden gedaan om ervoor te zorgen dat mijn cliënt aanwezig kan zijn. De enige hobbel die nu niet door cliënt kan worden genomen is de garantstelling die Nederland vereist.
Het Openbaar Ministerie zou wat mij betreft ook niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden, zoals dat momenteel ook in andere zaken het geval is.
Ik verzoek het hof primair de zaak aan te houden op grond van artikel 6 EVRM en het feit dat de Nederlandse Staat zelf de horde voor cliënt creëert om ter terechtzitting aanwezig te zijn. Subsidiair verzoek ik het hof om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren. In dat geval kunt u nu wel doorgaan met de zaak.
Tegen de optie om ter zitting regelmatig te schorsen om te overleggen heb ik geen bezwaar, maar ik weet niet wat mijn cliënt ervan vindt. Via een videoverbinding aanwezig zijn is niet ideaal, maar wel second best.
De advocaat-generaal brengt naar voren:
Ik wil nog opmerken dat de verdachte schrijft dat er vanuit het Nederlandse Openbaar Ministerie een verzoek zou liggen om de verdachte aan te houden en dat hij daarom niet kan afreizen naar Nederland. Dat klopt niet, er is geen sprake van een internationale signalering (SIS). Hoogstens ligt er een OPS-signalering, maar dat geldt alleen in Nederland. Er is geen beletsel voor de verdachte om naar Nederland te komen. Over de door de raadsman genoemde horde die de Nederlandse Staat zou opwerpen wil ik opmerken dat het één van de voorwaarden is voor het verlenen van een visum dat iemand wordt opgegeven die voor de kosten borg kan staan. Dat is op geen enkele manier bedoeld om de aanwezigheid van de verdachte te belemmeren. Er is echter niets concreets aangedragen en om die reden meen ik dat het verzoek moet worden afgewezen.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.
De vraag die thans voorligt is of de door de raadsman gestelde verhindering van de verdachte om aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak wederom noopt tot aanhouding van de behandeling van de zaak. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat sinds 2015 van de zijde van het Openbaar Ministerie alle mogelijke medewerking is gegeven bij het aanvragen van een inreisvisum door de verdachte. Daartoe is door het Openbaar Ministerie ook contact gelegd met de IND. Daarnaast zijn door de raadsheer-commissaris alle mogelijkheden onderzocht om de verdachte via een rogatoire commissie te horen, dan wel hem via een videoconferentie in de gelegenheid te stellen de zitting bij te wonen. Verder neemt het hof in aanmerking dat het zeker ook op de weg van de verdachte ligt om alles in het werk te stellen om naar Nederland te kunnen afreizen. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte alles daarvoor in het werk heeft gesteld. Niet is gebleken dat door de verdachte een visum voor het bijwonen van de strafzaak is aangevraagd en ook is het niet gelukt om een garantstelling te regelen.
Daarnaast is niet geconcretiseerd welke inspanningen de verdachte heeft verricht of zal verrichten om binnen afzienbare termijn naar Nederland te kunnen afreizen. De conclusie is dan ook dat niet aannemelijk is dat de verdachte binnen afzienbare termijn in de gelegenheid zal zijn om naar Nederland af te reizen. Door de zaak nog langer aan te houden wordt de redelijke termijn nog verder geschonden. Het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling van de strafzaak komt ernstig in gedrang als het hof de behandeling van deze zaak nog langer zal aanhouden.
Inmiddels is dan ook het moment gekomen dat, naar het oordeel van het hof, het strafvorderlijk en maatschappelijk belang - het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling - zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij het uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde verbeterde relatie tussen de Nederlandse en Marokkaanse autoriteiten ook op justitieel gebied, nog onvoldoende is geconcretiseerd om daarmee in deze strafzaak rekening te houden.
De conclusie is dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen. Voorts ziet het hof in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om het Openbaar Ministerie in dit kader niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte te verklaren.
De inhoudelijke behandeling van de zaak wordt dan ook voortgezet.
Het gerechtshof verleent - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal - verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”
2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737.)
2.4.1
De raadsman van de verdachte heeft aan het aanhoudingsverzoek op de terechtzitting van 5 oktober 2022 ten grondslag gelegd dat de verdachte gebruik wil maken van zijn in artikel 6 EVRM gegarandeerde aanwezigheidsrecht maar dat hij niet kan voldoen aan de garantstellingseis die door de Nederlandse Staat is verbonden aan de visumverlening.
2.4.2
Het hof heeft dat verzoek afgewezen omdat het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige behandeling van de zaak ernstig in gedrang zou komen als de behandeling van de zaak nog langer zou worden aangehouden. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat sinds de eerste aanhouding van de zaak in 2015 van de zijde van het openbaar ministerie alle mogelijke medewerking is gegeven bij het aanvragen van een inreisvisum door de verdachte, waartoe het openbaar ministerie ook contact heeft onderhouden met de IND. Daarnaast zijn volgens het hof door de raadsheer-commissaris alle mogelijkheden onderzocht om de verdachte via een rogatoire commissie te horen, dan wel hem via een videoconferentie in de gelegenheid te stellen de terechtzitting bij te wonen. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat het ook op de weg van de verdachte ligt om alles in het werk te stellen om naar Nederland te kunnen afreizen. In dat verband heeft het hof niet aannemelijk geacht dat de verdachte dit heeft gedaan, in verband waarmee het heeft overwogen dat niet is gebleken dat de verdachte daadwerkelijk een visum voor het bijwonen van de strafzaak heeft aangevraagd, terwijl hij pas op de dag van de terechtzitting van 5 oktober 2022 heeft laten weten dat het hem niet is gelukt om een garantstelling te regelen. Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat niet is geconcretiseerd welke inspanningen de verdachte heeft verricht of nog zal verrichten om binnen afzienbare termijn wel naar Nederland te kunnen afreizen om in de toekomst de behandeling van zijn zaak te kunnen bijwonen.
2.5
Het op deze omstandigheden steunende oordeel van het hof dat op 5 oktober 2022 “inmiddels het moment was gekomen dat het strafvorderlijk en maatschappelijk belang – het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling van de zaak – zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij het uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht”, is niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat het gaat om de berechting van feiten die zijn gepleegd in 2007 en 2008 en dat na de regiezitting op 3 juni 2015 de inhoudelijke behandeling op vier opeenvolgende terechtzittingen van 7 februari 2019 tot en met 23 april 2021 telkens op verzoek van de verdachte is aangehouden in verband met diverse namens de verdachte naar voren gebrachte problemen die aan zijn komst naar Nederland in de weg stonden. Het oordeel van het hof over het tekortschieten van de inspanningen van de verdachte – waaruit volgt dat zich niet de situatie voordeed dat het niet kunnen effectueren van zijn aanwezigheidsrecht enkel het gevolg was van omstandigheden die waren gelegen buiten de macht van de verdachte – is toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat al op de terechtzitting van 23 april 2021 het belang van de garantstelling is besproken en de verdachte pas op de dag van de terechtzitting van 5 oktober 2022 als probleem heeft benoemd dat hij niemand heeft kunnen vinden die voor hem in het kader van de visumverlening garant wilde staan, terwijl dit probleem naar zijn eigen zeggen al langere tijd bestond.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 4.000, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan € 2.000, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 3.900, subsidiair 49 dagen hechtenis, bedragen, waarvan € 2.000, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.
Conclusie 11‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Oplichting van verhuurbedrijven, door deze onder valse voorwendselen te bewegen tot afgifte van verreikers, waarna de verreikers (vrijwel meteen na afgifte) werden getransporteerd naar/richting Marseille en (daarna) Marokko met het doel deze aldaar te verkopen. Klachten over (1) de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, (2 en 3) de bewezenverklaringen van medeplegen van oplichting, terwijl niet zou zijn vastgesteld dat de verdachte enige gedraging heeft verricht wat betreft het bewegen tot de afgifte van de verreikers en evenmin dat de oplichting zelf door de verdachte is uitgevoerd, aangezien in de bewijsvoering uitsluitend (en niet: hoofdzakelijk) gedragingen van de verdachte van na de uitvoering zouden blijken, en (4) het oordeel van het hof dat bij de oplegging van de geldboete rekening is gehouden met de draagkracht van de verdachte. De conclusie strekt tot vernietiging maar uitsluitend wat betreft de oplegging van de straf en tot ven tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige (middelen (1) en (4) met toepassing vaermindering daarvan i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn, n art. 81 lid 1 RO).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04043
Zitting 11 februari 2025
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 19 oktober 2022 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 april 2014 bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en de strafmotivering en met aanvulling en verbetering van de gronden. Dat brengt mee dat de verdachte wegens 1 primair en 2 primair “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, 3 “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd” en 4 “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot een geldboete van € 4.000 (subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis), waarvan € 2.000 (subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. II. Het eerste middel en de bespreking ervan
Het middel
4. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
Het verzoek tot aanhouding
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2022 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat het hof, voorafgaande aan deze terechtzitting, van de raadsman een brief d.d. 3 oktober 2022 heeft ontvangen waarin wordt verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak, nu het voor de verdachte nog immer niet mogelijk is om naar Nederland te reizen om de strafzaak bij te wonen. De verdachte wenst wel aanwezig te zijn en de raadsman is zonder zijn aanwezigheid niet bepaaldelijk gevolmachtigd om de verdediging te voeren.
Voorts doet de voorzitter mededeling van de reactie van de advocaat-generaal op deze brief bij e-mailbericht d.d. 4 oktober 2022, inhoudende het standpunt dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen.
De raadsman krijgt de gelegenheid het aanhoudingsverzoek nader toe te lichten.
De raadsman overlegt een e-mailbericht d.d. 5 oktober 2022 van de verdachte, inhoudende:
"Goedendag [...]
Ten aanzien van de zitting van heden woensdag 5 oktober bericht ik u hierbij als volgt. In het verleden is er een visum aangevraagd via de [betrokkene 1] waarvan de ind mij verzocht voor een garantstelling om een garantstelling te kunnen krijgen in des tijds had ik wel iemand die mij de garantstelling wil voorzien maar na enkele dagen heeft de persoon zich terug getrokken om' het niet meer te geven en sinds dien ben ik zoekende naar iemand anders die daar bereid voor is. wellicht die boven het minimum loon zit en tot heden is er nog niemand die mij de garantstelling kan geven in verband met laag inkomen heeft ook te maken met corona crisis en mensen durven geen garant meer te geven en tot heden nog zoekende naar een kandidaat die überhaupt een garant kan geven. Wellicht is er een schrijven nodig die ik bij de justitiële instellingen, kan inleveren als uitnodiging om de zaak bij te wonen in Nederland de uitnodiging kan gerichten worden naar [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zodat ik de toestemming heb om te kunnen reizen. Verder wil ik u aangeven dat deze problemen allen door de Nederlandse OM is ontstaan door het aangeven om mij hier aan te houden door een internationale hulp verzoek als de Nederlandse OM deze verzoek niet intrekt om mij vrij te laten reizen dan kan ik voorlopig niet reizen. Ik hoop dat dit duidelijkheid aangeeft dat ik niet kan reizen om mijn zaak bij te wonen in Nederland
Met vriendelijke groet
[verdachte] "
De raadsman brengt naar voren:
Dit e-mailbericht heb ik ontvangen van mijn cliënt. Mijn kantoorgenoot had contact met hem voorafgaand aan deze zitting en heeft hem gesproken. We hadden moeite om hem te bereiken en ik ben dus blij dat we hem zelf gesproken hebben. Uit dit bericht blijkt dat mijn cliënt vandaag niet kan komen terwijl hij wel bij de behandeling aanwezig wenst te zijn. Inmiddels heb ik uit de media vernomen dat de relaties tussen de justitiële autoriteiten van Nederland en Marokko verbeterd zijn. Dit deed bij mij de vraag opkomen of er wellicht een mogelijkheid is om mijn cliënt door middel van een videoverbinding aanwezig te laten zijn. Vorig jaar kon dit blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris nog niet, maar misschien is dit inmiddels wel mogelijk. Mijn cliënt beroept zich op artikel 6 EVRM en om die reden verzoek ik het hof de zaak aan te houden en te verwijzen naar de raadsheer-commissaris om na te gaan wat de mogelijkheden zijn om cliënt via een videoverbinding de zaak te laten volgen.
De voorzitter merkt op dat de raadsman op een eerder moment in deze procedure heeft medegedeeld dat hij een videoverbinding juist geen goed idee vond, mede gelet op het vertrouwelijk karakter van overleg tussen verdachte en raadsman.
De raadsman brengt naar voren:
Dat ging destijds om de vraag of hij als getuige kon worden gehoord, niet als verdachte. Ik kan mij voorstellen dat ik met hem contact zou kunnen hebben via Whatsapp tijdens de zitting.
De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid om te reageren en hij brengt naar voren:
Ik heb ook begrepen dat de relatie tussen de justitiële autoriteiten in Nederland en Marokko in positieve zin is gewijzigd, maar dat zag op het naar Marokko kunnen terugsturen van ongewenst verklaarde vreemdelingen onder de voorwaarde dat Nederland zich niet zou uitlaten over de mensenrechten in Marokko. Ik zie geen verband met het verrichten van rechtshulp in strafzaken. Ik vind het niet concreet genoeg. We moeten kijken naar wat er in de onderhavige zaak al is gebeurd als het gaat om het effectueren van het aanwezigheidsrecht. De verdediging heeft er moeite in gestoken en het Openbaar Ministerie heeft telkens ook moeite gedaan om één en ander te ondersteunen, bijvoorbeeld door een brief aan de IND te sturen als het ging om het verkrijgen van een visum. Het Openbaar Ministerie heeft zich telkens welwillend opgesteld. Er is hier geen sprake van een situatie waarin het Openbaar Ministerie geen enkele moeite heeft gedaan om de verdachte te laten verschijnen, niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is hier dus niet aan de orde. Er is nadrukkelijk bemoeienis geweest vanuit het Openbaar Ministerie. Daarnaast heeft de raadsheer-commissaris ook inspanningen verricht. Dit alles heeft er niet in geresulteerd dat de verdachte vandaag ter zitting is verschenen. Als ik de e-mail van de verdachte lees, dan kan ik daar niet uit afleiden dat het aannemelijk is dat hij in de nabije toekomst wel ter terechtzitting zal verschijnen. We kijken wat dat betreft in een zwart gat. Dan moet er een afweging worden gemaakt, waarbij belangrijk is dat in dit geval alle middelen zijn uitgeput en het belang van behandeling van de strafzaak ook zwaarder gaat wegen. Naar mijn mening dient het maatschappelijk belang om de zaak af te doen thans te prevaleren. In praktische zin kan ik me de optie nog voorstellen dat er tijdens de zitting regelmatig wordt geschorst zodat de raadsman met de verdachte kan overleggen. Maar op dit moment is mijn standpunt dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen, dat er verstek moet worden verleend en dat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
De raadsman brengt naar voren:
De procedure voor visumaanvraag in het kader van gezinshereniging is doorlopen, mijn cliënt werd daarin bijgestaan door een andere advocaat. Er zijn geen recente stukken van. Mijn cliënt moest een borgstelling hebben maar die had hij niet. Hij kan niet aan de garantstellingseis voldoen.
Als het gaat om de betrekkingen met Marokko dan ben ik van mening dat dit moet worden nagevraagd. Er moet het maximale worden gedaan om ervoor te zorgen dat mijn cliënt aanwezig kan zijn. De enige hobbel die nu niet door cliënt kan worden genomen is de garantstelling die Nederland vereist.
Het Openbaar Ministerie zou wat mij betreft ook niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden, zoals dat momenteel ook in andere zaken het geval ia. Ik verzoek het hof primair de zaak aan te houden op grond van artikel 6 EVRM en het feit dat de Nederlandse Staat zelf de horde voor cliënt creëert om ter terechtzitting aanwezig te zijn. Subsidiair verzoek ik het hof om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren. In dat geval kunt u nu wel doorgaan met de zaak.
Tegen de optie om ter zitting regelmatig te schorsen om te overleggen heb ik geen bezwaar, maar ik weet niet wat mijn cliënt ervan vindt. Via een videoverbinding aanwezig zijn is niet ideaal, maar wel second best.
De advocaat-generaal brengt naar voren:
Ik wil nog opmerken dat de verdachte schrijft dat er vanuit het Nederlandse Openbaar Ministerie een verzoek zou liggen om de verdachte aan te houden en dat hij daarom niet kan afreizen naar Nederland. Dat klopt niet, er is geen sprake van een internationale signalering (SIS). Hoogstens ligt er een OPSsignalering, maar dat geldt alleen in Nederland. Er is geen beletsel voor de verdachte om naar Nederland te komen. Over de door de raadsman genoemde horde die de Nederlandse Staat zou opwerpen wil ik opmerken dat het één van de voorwaarden is voor het verlenen van een visum dat iemand wordt opgegeven die voor de kosten borg kan staan. Dat is op geen enkele manier bedoeld om de aanwezigheid van de verdachte te belemmeren. Er is echter niets concreets aangedragen en om die reden meen ik dat het verzoek moet worden afgewezen.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.
De vraag die thans voorligt is of de door de raadsman gestelde verhindering van de verdachte om aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak wederom noopt tot aanhouding van de behandeling van de zaak. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat sinds 2015 van de zijde van het Openbaar Ministerie alle mogelijke medewerking is gegeven bij het aanvragen van een inreisvisum door de verdachte. Daartoe is door het Openbaar Ministerie ook contact gelegd met de IND. Daarnaast zijn door de raadsheer-commissaris alle mogelijkheden onderzocht om de verdachte via een rogatoire commissie te horen, dan wel hem via een videoconferentie in de gelegenheid te stellen de zitting bij te wonen. Verder neemt het hof in aanmerking dat het zeker ook op de weg van de verdachte ligt om alles in het werk te stellen om naar Nederland te kunnen afreizen. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte alles daarvoor in het werk heeft gesteld. Niet is gebleken dat door de verdachte een visum voor het bijwonen van de strafzaak is aangevraagd en ook is het niet gelukt om een garantstelling te regelen.
Daarnaast is niet geconcretiseerd welke inspanningen de verdachte heeft verricht of zal verrichten om binnen afzienbare termijn naar Nederland te kunnen afreizen. De conclusie is dan ook dat niet aannemelijk is dat de verdachte binnen afzienbare termijn in de gelegenheid zal zijn om naar Nederland af te reizen. Door de zaak nog langer aan te houden wordt de redelijke termijn nog verder geschonden. Het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling van de strafzaak komt ernstig in gedrang als het hof de behandeling van deze zaak nog langer zal aanhouden.
Inmiddels is dan ook het moment gekomen dat, naar het oordeel van het hof, het strafvorderlijk en maatschappelijk belang - het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling - zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij het uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde verbeterde relatie tussen de Nederlandse en Marokkaanse autoriteiten ook op justitieel gebied, nog onvoldoende is geconcretiseerd om daarmee in deze strafzaak rekening te houden.
De conclusie is dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen. Voorts ziet het hof in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om het Openbaar Ministerie in dit kader niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte te verklaren.
De inhoudelijke behandeling van de zaak wordt dan ook voortgezet.
Het gerechtshof verleent - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal – verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”
Het juridisch kader1.
6. Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van art. 279 Sv is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een verzoek doen tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in art. 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging. Overeenkomstig de artikelen 329 en 330 Sv wordt op het verzoek beslist nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord.
7. De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
8. Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte – of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd – ware het juist – in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
9. Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds – dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan – afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.
10. Wanneer zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid 3 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing. In het algemeen geldt dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe vorenstaande belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst.
De bespreking van het middel
11. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2022 heeft de (niet gemachtigde) raadsman zowel voorafgaand aan, als op deze terechtzitting een aanhoudingsverzoek gedaan. Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat het voor de verdachte nog immer niet mogelijk is om naar Nederland te reizen om de strafzaak bij te wonen, terwijl hij wel wenst ter terechtzitting aanwezig te zijn en de raadsman zonder zijn aanwezigheid niet bepaaldelijk is gevolmachtigd om de verdediging te voeren. Ter terechtzitting is door de raadsman een door de verdachte verstuurd e-mailbericht overgelegd, waarin deze toelicht dat hij niet naar Nederland kan reizen voor de behandeling van zijn zaak. De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de zaak aan te houden en te verwijzen naar de raadsheer-commissaris om na te gaan wat de mogelijkheden zijn om de verdachte via een videoverbinding de zaak te laten volgen.
12. Het hof heeft het verzoek tot aanhouding van de behandeling afgewezen. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat het openbaar ministerie reeds sinds 2015 alle mogelijke medewerking heeft gegeven bij het aanvragen van een inreisvisum door de verdachte en dat door de raadsheer-commissaris alle mogelijkheden zijn onderzocht om de verdachte via een rogatoire commissie te horen of hem via een videoconferentie in de gelegenheid te stellen de zitting bij te wonen. Het hof heeft voorts overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte alles in het werk heeft gesteld om naar Nederland te kunnen afreizen, dat niet is gebleken dat door de verdachte een visum voor het bijwonen van de strafzaak is aangevraagd en dat het ook niet is gelukt een garantstelling te regelen. Ook is volgens het hof niet geconcretiseerd welke inspanningen de verdachte heeft verricht of zal verrichten om binnen afzienbare tijd naar Nederland te kunnen afreizen. Uit dit een en ander leidt het hof de – in mijn ogen niet onbegrijpelijke – conclusie af dat niet aannemelijk is dat de verdachte binnen afzienbare termijn in de gelegenheid zal zijn om naar Nederland af te reizen. Tegen die achtergrond, en in samenhang met het zich reeds voltrokken tijdsverloop in hoger beroep, oordeelt het hof dat het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling van de strafzaak ernstig in gedrang komt indien het hof de behandeling van de zaak (opnieuw) aanhoudt. Het hof komt tot de slotsom dat het belang van een doeltreffende en spoedige berechting in deze zaak prevaleert boven het belang van het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte.
13. Ik begrijp het bestreden oordeel van het hof zó, dat het hof met zijn overweging dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte alles in het werk heeft gesteld om naar Nederland te kunnen afreizen, bedoeld heeft, overeenkomstig het hierboven uiteengezette juridisch kader, de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde grond bij de door het hof gemaakte belangenafweging te betrekken.2.Aldus verstaan acht ik – gelet op het tijdsverloop in deze zaak, de eerdere aanhoudingen van de zaak op verzoek van de verdachte, de overwegingen van het hof over de door de verdachte verrichte inspanningen en te verrichten inspanningen om naar Nederland af te reizen en de belangen om tot een doeltreffende en spoedige berechting te komen – het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Ook heb ik daarbij in aanmerking genomen dat het hof er blijk van heeft gegeven onvoldoende aanleiding te zien om, opnieuw, onderzoek te (laten) doen naar de mogelijkheid om de verdachte per videoconferentie aan de behandeling van de zaak te laten deelnemen. De omstandigheid waarop de steller van het middel nog wijst, namelijk dat de duur van het procesverloop voor een deel niet aan de verdachte valt toe te rekenen (ook het treffen van coronamaatregelen zijn daaraan debet geweest), doet aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel van het hof niet af.
14. Het middel faalt derhalve.
III.Het tweede middel en het derde middel
De middelen
15. Met het tweede en het derde middel wordt opgekomen tegen de bewezenverklaringen van het medeplegen van oplichting onder de feiten 1 en 2.
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen
16. Ten laste van de verdachte is onder feit 1 respectievelijk feit 2 bewezenverklaard dat hij:
“1.
op tijdstippen in de periode van 11 september 2007 tot en met 7 juli 2008, te Lisse en te Amsterdam en te [plaats] (gemeente Haarlemmermeer) en te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [A] B.V. en [B] B.V. en [C] B.V. en [D] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van verreikers, te weten
- een verreiker, merk Manitou, serienummer [01] en
- een verreiker, merk Manitou, serienummer [02] en
- een verreiker, merk Manitou, serienummer [03] en
- een verreiker, merk Manitou, serienummer [04] en
- een verreiker, merk Manitou, serienummer [05] en
- een verreiker, merk Manitou, serienummer [06] en
- een verreiker, merk Manitou, serienummer [07] en
- een verreiker, merk Jlg, serienummers [08] en/of [08] ,
hebbende verdachte en zijn medeverdachten (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- zich tegenover [betrokkene 4] van [C] B.V., die optrad als tussenpersoon tussen hem, verdachte, en [A] B.V. en [B] B.V. voorgedaan als bonafide huurder en
- zich tegenover die [betrokkene 4] voorgedaan als eigenaar van een bouwbedrijf ( [G] -Betuwe B.V.) dat daken van fabrieken maakte en
- aan die [betrokkene 4] verteld dat zijn bouwbedrijf meerdere projecten had waarvoor meerdere verreikers nodig waren en
- met die [betrokkene 4] huurcontracten voor vooromschreven verreikers opgesteld en ondertekend voor de huur van vooromschreven verreikers voor bepaalde tijd (drie jaar),
waardoor [A] B.V. en [B] B.V. en [C] B.V. en [D] B.V. werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;
2.
op tijdstippen in de periode van 18 juli 2007 tot en met 23 juli 2007, te [plaats] (gemeente Haarlemmermeer), en/of te Moerbeke, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [F] / [F] heeft bewogen tot de afgifte van verreikers, te weten
- een verreiker, merk Manitou, serienummer [09] en/of
- een verreiker, merk Manitou, serienummer [10] ,
hebbende verdachte en zijn medeverdachten telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- zich tegenover [betrokkene 5] van [F] / [F] voorgedaan als bonafide huurder en
- aan die [betrokkene 5] verteld dat zijn bedrijf ( [G] BV) deze verreikers twee jaar lang zou gebruiken op een werf op Schiphol en
- met die [betrokkene 5] (een) huurcontract voor vooromschreven verreikers opgesteld voor de huur van vooromschreven verreikers voor bepaalde tijd (twee jaar),
waardoor [F] / [F] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte”.
17. De bewijsoverwegingen houden het volgende in (hier met weglating van voetnoten):
“3. Bewijsoverwegingen
3.1
Inleiding
Het strafdossier in deze zaak, "Kraanvogel", is onderverdeeld in vier zaakdossiers, genummerd 1 tot en met 4. Het onderzoek richtte zich op een aantal natuurlijke personen en rechtspersonen die zich bezig zouden hebben gehouden met het huren en vervolgens, met gebruikmaking van valse facturen, naar Marokko laten transporteren van zogenaamde verreikers (voertuigen met uitschuifbare grijparmen). Het onderzoek heeft geleid tot de vervolging van drie personen; verdachte is één van hen. De rechtbank heeft in deze zaak de vraag te beantwoorden of verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van oplichting van diverse bedrijven, onder meer door zich voor te doen als een bonafide huurder en eigenaar van een bouwbedrijf dat verreikers nodig had en daartoe huurcontracten aan te gaan (feit 1 primair en feit 2 primair, subsidiair tenlastegelegd als verduistering), valsheid in geschrift door gebruikmaking van valse facturen en faxen (feit 3) en het witwassen van acht verreikers (feit 4).
(…)
3.4
De beoordeling van de tenlastelegging
De rechtbank zal eerst de bewijsmiddelen uit de hiervoor genoemde zaakdossiers weergeven. Deze opsomming geschiedt chronologisch, derhalve te beginnen met zaakdossier 4 (het zogenaamde Belgisch dossier), zoals tenlastegelegd onder feit 2. Zaakdossiers 1, 2 en 3 zien allen op verreikers verhuurd door aangever [betrokkene 4] en geleverd in respectievelijk [plaats] , Lisse en Amsterdam, welke samen zijn tenlastegelegd onder feit 1. Om nodeloze herhaling van bewijsmateriaal te voorkomen, worden bewijsmiddelen die in deze drie zaakdossiers steeds terugkomen slechts eenmaal genoemd. Bij de beoordeling van de vraag wat van de tenlastegelegde feiten kan worden bewezen verklaard, zal de rechtbank de bewijsmiddelen uit de vier zaakdossiers in onderling verband en in samenhang bezien.
4.4.1
De bevindingen en verklaringen in de zaakdossiers
Zaakdossier 4 Belgisch dossier
[betrokkene 5] , eigenaar van de firma [F] , handelend onder de naam [F] .be (hierna ook: [F] ) heeft op 23 juli 2007 bij de Belgische politie een klacht neergelegd tegen de firma [G] B.V. (hierna: [G] ), gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] . Hij heeft verklaard dat op 13 juli 2007 twee medewerkers van deze firma zich bij zijn bedrijf aandienden en zeiden dat zij twee hoogwerkers wilden huren voor de duur van twee jaar. Deze machines zouden worden gebruikt op een werf op Schiphol. Toen dezelfde mannen zich conform afspraak op 20 juli 2007 opnieuw meldden, werd een voorschot van € 14.950,- cash overhandigd en een contract opgesteld voor de huur van twee hoogwerkers (merk Manitou), met de serienummers [11] en [12] . Een medezaakvoerder van [F] is op de werf in Nederland gaan kijken. Het viel hem op dat de werf niet op het domein van Schiphol was gelegen. Ook moesten de hoogwerkers worden geleverd op de [b-straat] te [plaats] , zijnde een andere locatie dan waar de werf is gelegen, en was er geen uitleg nodig over de werking van de hoogwerkers, welke uitleg normaal gesproken een halve dag in beslag neemt. Omdat [F] de zaak niet vertrouwde is besloten GPS-toestellen in de hoogwerkers te installeren. Op 23 juli 2007 werd [betrokkene 5] telefonisch geïnformeerd over het feit dat de hoogwerkers werden getransporteerd richting Luxemburg. Hierop zijn de beide hoogwerkers door de politie onderschept op een parkeerplaats te Libin Bestin, gelegen aan een afrit van de E411. Volgens [betrokkene 5] vertegenwoordigen de hoogwerkers samen een waarde van € 200.000,-.
De zoon van [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , is op 24 juli 2007 door de Belgische politie gehoord. Hij heeft - in aanvulling op de verklaring van zijn vader - verklaard dat na de onderschepping van de verreikers bleek dat de stickers met de naam en het adres van de firma waren verwijderd, waardoor de lak op verschillende plaatsen was beschadigd. De mannen die [G] vertegenwoordigden waren genaamd [verdachte] en [betrokkene 3] . [betrokkene 6] heeft [verdachte] opnieuw gezien op 19 juli 2007 te [plaats] , waar de verreikers in de nacht van 19 op 20 juli 2007 zijn afgeleverd. [betrokkene 7] van de firma [H] heeft hij vernomen dat er door [G] op werd aangedrongen dat de beide hoogwerkers nog dezelfde dag, 20 juli 2007, zouden worden geladen en worden overgebracht naar Frankrijk, om van daaruit te worden verscheept. Nu er in het weekend geen vervoer mag plaatsvinden op Franse snelwegen, zijn de hoogwerkers eerst op (maandag) 23 juli 2007 geladen en diezelfde dag onderschept door de politie. De ontvanger van de hoogwerkers was volgens [betrokkene 6] een zekere [verdachte] uit Marokko.
[betrokkene 6] heeft op 18 juni 2008 tegenover de Nederlandse politie - in aanvulling op zijn eerdere verhoor in België - verklaard dat hij in eerste instantie was benaderd door een man genaamd [betrokkene 8] . Met hem had hij een afspraak te [plaats] , maar [betrokkene 8] kon niet komen, waarna hij werd aangesproken door [verdachte] , die eerder met [betrokkene 3] bij hem in België was geweest. Nadat hij de machines terugontvangen had, heeft hij geen enkel contact meer gehad met [verdachte] , [betrokkene 3] of [betrokkene 8] . Wel is hij op de avond dat hij de machines terughaalde gebeld door [betrokkene 8] , die hem meedeelde dat de machines gestolen waren en dat hij aangifte zou gaan doen. Later is er nog contact geweest over het terugbetalen van de borg. Nadat aan [betrokkene 6] de foto van medeverdachte [betrokkene 9] was getoond, heeft deze verklaard dat hij deze persoon voor 95% zeker herkent als de persoon die bij hem op het bedrijf was geweest en zich [verdachte] noemde. Tevens is aan [betrokkene 6] een foto van [betrokkene 10] getoond. Hierop heeft [betrokkene 6] hem herkend als de man die op zijn bedrijf was geweest en het woord had gevoerd.
[betrokkene 6] heeft twee verkoopfacturen overgelegd, welke hem door het transportbedrijf [H] waren overhandigd. Dit zijn facturen d.d. 18 juli 2007 van de firma [I] , aan [J] te Marokko, betreffende twee gebruikte Manitou verreikers (met serienummers [12] en [13] ). Op de facturen is vermeld is dat [I] is gevestigd aan de [c-staat 1] te [plaats] , ook is een bedrijfsstempel geplaatst met daarin dat adres. Uit gegevens van de Kamers van Koophandel blijkt dat de onderneming [I] , gevestigd aan de [plaats] ) [plaats] niet bestaat. Wel bestaat de onderneming [K] , gevestigd aan de [c-staat 1] te [plaats] .
[betrokkene 11] van de firma [H] , één van de twee chauffeurs die het transport naar Marseille hebben verzorgd, heeft verklaard dat hij de machine van het merk Manitou met nummer [10] op 22 juli 2007 om 7.00 uur op Schiphol heeft geladen. De sleutels van de Manitou bevonden zich onder een band.
[betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ), eigenaar van Transportbedrijf [H] B.V. heeft verklaard dat hij in april 2007 is benaderd door een man die zich voorstelde als “ [verdachte] ”. De man had vragen omtrent een transport. De man vertelde dat hij bij expeditiebedrijf [L] B.V. te [plaats] in het pand een ruimte had gehuurd voor zijn eigen bedrijf. [H] heeft al jaren een goede band met [L] en hij heeft navraag gedaan of [verdachte] daar daadwerkelijk een bedrijfje had. Hij kreeg te horen dat dit inderdaad zo was. De vraag van [verdachte] ging over het transport van een verreiker en een heftruck. De machines zouden in Brussel opgehaald moeten worden en in Schiedam bij de vestiging van [L] moeten worden afgeleverd voor verder transport per schip. [verdachte] gaf de laadgegevens telefonisch door. Via het mailadres [e-mailadres 1] correspondeerde [H] met [verdachte] en ontving [H] foto’s met daarbij de afmetingen van de machines. Toen op 12 april 2007 een vrachtwagen van [H] naar de afgesproken laadplek in de omgeving van Brussel ging om de vracht te laden, kreeg [H] van [verdachte] telefonisch door dat niet Schiedam maar Antwerpen de losplaats zou worden. Op 13 april 2007 is de lading in de haven van Antwerpen gelost. Na enkele dagen werd opnieuw contact opgenomen door [verdachte] met de vraag of [H] nog een transport van twee verreikers voor hem wilde uitvoeren. Dit keer moest de lading vanuit Brussel naar Vitrolles (nabij Marseille) in Frankrijk worden getransporteerd. Opnieuw zijn de laad- en losgegevens telefonisch doorgegeven. De benodigde exportdocumenten zijn door [verdachte] persoonlijk langsgebracht. Het transport heeft plaatsgevonden van vrijdag 20 april 2007, toen de verreikers werden geladen in Brussel en tot en met zondag 22 april 2007, toen de verreikers werden gelost in Vitrolles. Op uitdrukkelijk verzoek van [verdachte] werd als factuuradres vermeld:
[M] .
t.a.v. [verdachte]
[plaats]
[d-straat 1]
De betaling van beide facturen heeft binnen de gestelde termijn plaatsgevonden. In opdracht van dezelfde personen heeft [H] in juli of augustus 2007 nogmaals een transport met twee verreikers uitgevoerd vanaf de [b-straat] te [plaats] met als bestemming Marseille te Frankrijk. Dit transport is in België, vlakbij de Franse grens, tegengehouden omdat de verreikers gestolen of verduisterd bleken te zijn.
Het bedrijf [M] stond, blijkens een uittreksel uit het Marokkaanse handelsregister van 25 januari 2007, op die datum op naam van [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1969 (bedrijfsleider) en [betrokkene 12] (medebedrijfsleider) en was toen gevestigd aan de [plaats] [= Résidence] [d-straat 1] .
[betrokkene 13] (hierna: [betrokkene 13] ) heeft verklaard dat [verdachte] bij hem als chauffeur in dienst is geweest. In 2007 vroeg [verdachte] hem of [betrokkene 13] voor hem het transport van twee of drie verreikers naar Marseille wilde doen. [betrokkene 13] vertelde hem dat hij geen tijd had. [verdachte] is uiteindelijk bij [H] Transport terecht gekomen. In 2007 werd [betrokkene 13] gebeld door [betrokkene 14] . Die vertelde hem dat [betrokkene 3] en [verdachte] de opdrachtgevers waren van het transport naar Casablanca. Het mailadres [e-mailadres 1] is [betrokkene 13] bekend. [verdachte] maakte daar gebruik van. [H] heeft [betrokkene 13] eens gebeld met de vraag wat hij over [betrokkene 3] en [verdachte] kon vertellen.
Zaakdossier 1 [e-straat 1] te [plaats]
[betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), eigenaar van [C] BV (hierna: [C] ) te Den Haag, heeft op 23 november 2007 aangifte gedaan van fraude met door hem als tussenpersoon verhuurde bouwkranen. Hij heeft verklaard met ingang van 11 september 2007 een verhuurcontract te zijn aangegaan met [G] , gevestigd aan de [a-straat 1] te Amsterdam. Dit bedrijf werd vertegenwoordigd door [betrokkene 9] . [C] is bij de verhuur als tussenpersoon opgetreden; dit bedrijf heeft de machines zelf gehuurd bij [D] . [G] moest voor het huren van de machines voor een bedrag van € 50.000,- borg staan. Op 11 oktober 2007 is een onderdeel [betrokkene 21] € 15.000,- van deze borg contant voldaan. Omdat de rest van het bedrag niet werd voldaan door [G] , heeft [betrokkene 4] vanaf 16 november 2007 continu telefonisch navraag gedaan. [betrokkene 9] zou [betrokkene 4] op 16 november 2007 telefonisch hebben medegedeeld dat hij zich geen zorgen hoefde te maken omdat het geld via de boekhouder zou worden overgemaakt. Omdat de betaling uitbleef en [betrokkene 4] het niet vertrouwde, heeft hij met een werknemer een onderzoek ingesteld en geconstateerd dat het in een uittreksel van de Kamer van Koophandel vermelde adres van [G] in Amsterdam een leegstaand pand betrof. Aangekomen op een afleveradres, te weten Meer en Duin te Lisse (hierna te bespreken onder zaakdossier 2), heeft [betrokkene 4] geconstateerd dat zich daar geen verreikers bevonden. Een voorbijganger heeft [betrokkene 4] toen desgevraagd verteld dat de bouwkranen eerder ’s nachts waren weggehaald door transportonderneming [E] . Van de eigenaar van [D] , [betrokkene 15] , heeft [betrokkene 4] vernomen dat de bouwkranen in opdracht van de firma [N] BV door [E] BV naar Marseille waren vervoerd, waarna deze, opnieuw in opdracht van [N] BV, per zeetransport naar de haven van Casablanca zouden worden verscheept. Van [betrokkene 15] had [betrokkene 4] begrepen dat er op dat moment eveneens twee kranen in Marseille zouden staan die op het punt stonden getransporteerd te worden.
Bij de aangifte is gevoegd een op 11 september 2007 tussen [C] en [G] gedateerde huurovereenkomst voor de huur van negen verreikers voor een periode van drie jaren. Voorts is bij de aangifte gevoegd een huurovereenkomst voor de huur van twee verreikers voor de duur van drie jaren, welke overeenkomst op 10 september 2007 is ondertekend door [betrokkene 16] namens [C] en [betrokkene 9] namens [G] .
In een aanvullend verhoor op 10 december 2007 heeft [betrokkene 4] verklaard dat [C] in totaal acht verreikers heeft (door)verhuurd, die door de eigenaren van de machines, te weten [A] en [B] , op drie verschillende locaties zijn afgeleverd. Op 11, 13 en 18 september 2007 zijn er in totaal drie verreikers afgeleverd op [plaats] . Op 1 oktober 2007 zijn er drie verreikers afgeleverd op de [g-straat 1] te [plaats] . Ten slotte zijn er op 2 en 6 november 2007 in totaal nog twee verreikers afgeleverd (zaakdossier 3). De twee Marokkaanse mannen van [G] hadden deze verreikers nodig om materialen te verplaatsen bij het maken van daken van fabrieken. Omdat [betrokkene 4] de verreikers niet zelf kon regelen, heeft hij aan één van de Marokkaanse mannen voorgesteld om de machines rechtstreeks bij [D] te huren. De man wilde dat echter niet, omdat hij [betrokkene 4] naar eigen zeggen vertrouwde. [betrokkene 4] is later telefonisch verzocht om nog meer verreikers te verhuren omdat [G] meer projecten had aangenomen, waarvoor nog meer verreikers nodig waren. [betrokkene 4] heeft ten slotte verklaard dat in de huurovereenkomst was opgenomen dat de machines niet verplaatst of naar het buitenland vervoerd mochten worden.
[betrokkene 15] , eigenaar van [D] , heeft verklaard dat [C] een grote klant van hem is en dat [betrokkene 4] hem vertelde dat hij vanaf het begin zaken deed met de mannen van [G] , welke onderneming op Schiphol een [betrokkene 21] project zou hebben met dakbedekkingen. Op verzoek van [C] heeft hij een verreiker bij [B] gehuurd en naar [plaats] gebracht. De overige zeven verreikers zijn volgens [betrokkene 15] bij [A] BV gehuurd. Zowel [B] als [A] waren ervan op de hoogte dat de verreikers zouden worden doorverhuurd, aldus [betrokkene 15] .
Blijkens een daarvan opgemaakt document heeft [A] verreikers (merk Manitou) aan [D] verhuurd en geleverd, met de volgende serienummers:
- [01] met ingang van 18 september 2007, afgeleverd te [plaats]
- [03] met ingang van 1 oktober 2007, afgeleverd te [plaats]
- [04] met ingang van 1 oktober 2007, afgeleverd te [plaats]
- [05] met ingang van 1 oktober 2007, afgeleverd te [plaats]
- [06] met ingang van 31 oktober 2007, afgeleverd te [plaats]
- [07] met ingang van 6 november 2007, afgeleverd te [plaats]
- [02] met ingang van 13 september 2007, afgeleverd te [plaats]
Op dit document is voorts vermeld één verreiker (merk JGL) met het serienummer [08] van [B] .
[betrokkene 17] , vestigingsdirecteur van [A] , heeft verklaard dat hij op verzoek van [betrokkene 15] in september en oktober 2007, respectievelijk drie verreikers in [plaats] en twee in [plaats] heeft afgeleverd. In totaal zijn er zeven verreikers verhuurd. Volgens [betrokkene 17] heeft [betrokkene 18] hem medegedeeld dat er ter zake van de door [A] geleden schade door de verzekeringsmaatschappij € 400.000,- tot € 500.000,- is uitgekeerd.
Blijkens een uittreksel uit het handelsregister d.d. 29 augustus 2007 is [betrokkene 9] - geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] en wonende op de [a-straat 1] te [plaats] - sinds 12 juli 2007 de enig aandeelhouder en bestuurder van de onderneming [G] BV.
Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat het perceel op de [a-straat 1] te [plaats] een hoekwoning betreft, waarbij op het naambordje op de deur de [naam] stond vermeld.
In opdracht van de verzekeraar van [A] heeft de firma [O] eveneens onderzoek gedaan naar de verdwijning van de verreikers. [O] heeft onder andere gesproken met de directeur van [P] B.V. (hierna: [P] ), [betrokkene 19] . Deze heeft tegen [O] verklaard voor de firma [Q] , vertegenwoordigd door [betrokkene 8] , op 16 oktober 2007 drie verreikers te hebben vervoerd vanaf de [e-straat 1] te [plaats] naar de vestiging van [N] in Marseille. De factuur moest worden verzonden naar [Q] , [plaats] . De helft van de transportpenningen werden door de onderneming [Q] voorafgaand aan het transport per bankoverschrijving betaald. De opdracht is verleend middels een door [P] aan [O] overgelegd faxbericht van [Q] met de titel ‘Transport opdracht akkoord’, dat is ondertekend door ‘ [betrokkene 8] ’ op 10 oktober 2007. Daarbij is verzocht dat de verreikers op 15 oktober 2007 zouden worden geladen en op 17 oktober 2007, bij voorkeur vroeg in de ochtend, zouden worden gelost in verband met verdere verscheping.
Uit een overzicht van rekeningmutaties van de bankrekening van [P] blijkt dat op 17 oktober 2007 twee stortingen van € 1.195,- en € 415,- zijn bijgeschreven. Deze stortingen zijn afkomstig van de bankrekening P9.45 0.688 van medeverdachte [betrokkene 9] .
Uit onderzoek naar twee facturen d.d. 2 en 12 oktober 2007 van [Q] aan [M] , is gebleken dat op het adres van deze onderneming, [f-straat 1] te [plaats] , een geheel ander bedrijf gevestigd is. De zoekvraag [Q] in de registers van de Kamers van Koophandel, de elektronische telefoongidsen en het internet, heeft geen resultaat opgeleverd. Geconcludeerd wordt dat [Q] in Nederland niet bestaat en nooit heeft bestaan.
Op 25 juni 2008 hebben Nederlandse rechercheurs in Casablanca geconstateerd dat de Marokkaanse autoriteiten acht verreikers in beslag hadden genomen. Nadat de serienummers van de verreikers waren vergeleken, bleken dit de verreikers te zijn die in het Kraanvogelonderzoek voorkwamen.
[betrokkene 14] (hierna: [betrokkene 14] ), Branche Manager bij transportonderneming [N] B.V., heeft verklaard dat [N] (hierna: [N] ) op verzoek van ‘ [betrokkene 10] ’ acht verreikers heeft getransporteerd. Met [betrokkene 10] bedoelt hij [betrokkene 3] en [verdachte] . Hij kent hen vanaf 2006. Zij hadden in het verleden al eerder zaken gedaan met [N] . [verdachte] vertelde hem dat er een goede handel in de verreikers zat. Er was ruime winst op te maken in Marokko. [verdachte] wist dat [N] een vestiging had in Frankrijk (Marseille) en in Casablanca (Marokko). Eind 2006 kwam dit ter sprake. [verdachte] vertelde [betrokkene 14] dat hij in Marokko, met drie Marokkaanse mannen uit Nederland, een bedrijf in Meknes had opgericht onder de naam [M] . Toen [verdachte] [betrokkene 14] verzocht om het vervoer van verreikers te regelen, heeft [betrokkene 14] binnen [N] navraag gedaan. De kosten van twee van de transporten zijn door [betrokkene 3] en [verdachte] voldaan.
Aan [betrokkene 14] zijn verschillende documenten getoond. De facturen van [Q] aan [M] . van 2 oktober 2007 en van 12 oktober 2007 heeft [betrokkene 14] van ‘ [betrokkene 10] ’ via de fax ontvangen.
[betrokkene 14] heeft verklaard dat het eind 2006 of begin 2007 was dat [verdachte] hem vroeg of [N] iets kon betekenen voor de transporten die hij had naar Marokko. [betrokkene 14] heeft in eerste instantie alleen de zeetransporten voor [verdachte] geregeld. Bij het laatste transport heeft hij ook het wegtransport geregeld, dit is bij de overige transporten door [verdachte] zelf gedaan. [betrokkene 14] heeft bemoeienis gehad met drie transporten in de tweede helft van 2007. Daarvóór was er nog een transport geweest. [verdachte] belde [betrokkene 14] toen op kantoor en vroeg hem of hij een transport over zee kon regelen vanuit Marseille naar Casablanca. [verdachte] gaf toen aan dat hij onderweg was naar Marseille of al in Marseille stond. Nadat [betrokkene 14] te horen had gekregen dat de verreikers van diefstal afkomstig waren, heeft hij in eerste instantie contact opgenomen met [betrokkene 3] . Hij heeft ook geprobeerd [verdachte] te bellen, maar hij kreeg geen gehoor. Hij werd later door [verdachte] teruggebeld en die vertelde [betrokkene 14] dat er niets met de verreikers aan de hand was. Volgens [verdachte] was het een truc van de verkoper die op deze manier ook nog een keer verzekeringspenningen wilde incasseren. [betrokkene 14] deed in eerste instantie de meeste zaken met [verdachte] . Toen [verdachte] niet was te bereiken, had hij de meeste contacten met [betrokkene 3] .
Voorts verklaarde [betrokkene 14] dat voor transporten, zoals door hem uitgevoerd voor [betrokkene 3] en [verdachte] een factuur nodig is, waarop staat wie de verkopende en de kopende partij is. Op het document kan tevens worden aangegeven wie de ontvanger van de goederen is. In dit geval was dat de onderneming van [verdachte] , [M] . [betrokkene 14] weet niet wie zich in Casablanca heeft gemeld om de machines op te halen. Hij weet wel dat [verdachte] regelmatig naar Marokko ging en dat [verdachte] precies wist welke secretaresse op dat kantoor werkte. Toen [betrokkene 14] aan [verdachte] vroeg welk BTW-nummer op het douaneformulier moest worden ingevuld, kon [verdachte] hem dat niet geven. Hij had geen BTW-nummer. [betrokkene 14] vroeg expliciet naar het BTW-nummer van [Q] . [verdachte] vroeg toen of het niet mogelijk was om het formulier op naam op te maken. [verdachte] zei [betrokkene 14] dat hij de naam ‘ [betrokkene 8] ’ op het formulier moest invullen. [betrokkene 14] heeft dat één keer gedaan.
Aan [betrokkene 14] zijn twee documenten getoond. Eén document betreft een faxbericht gedateerd 10 oktober 2007, afkomstig van [Q] en getekend door [betrokkene 8] . In dit faxbericht wordt aan [P] opdracht gegeven voor een transport van Amsterdam naar Marseille (laden maandag 15 oktober 2007 én lossen woensdag 17 oktober 2007). Het andere document betreft een bericht met daarin de laad- en losgegevens en het afleveradres van [N] te Marseille. Dit bericht is afkomstig van “ [betrokkene 8] ”. Naar aanleiding van deze documenten heeft [betrokkene 14] verklaard dat slechts twee personen hier achter kunnen zitten, namelijk [verdachte] en [betrokkene 10] . De informatie die op de documenten staat, met name het adres van [N] in Marseille, heeft [verdachte] van hem gekregen. Zijn Nederlands was niet helemaal correct. Volgens [betrokkene 14] heeft waarschijnlijk [verdachte] het faxbericht opgesteld omdat hij alleen met hem hierover, onder andere over het adres, gesproken heeft.
Aan [betrokkene 14] is een foto getoond, waarop hij [verdachte] herkent.
Zaakdossier 2 [g-straat 1] te [plaats]
Agenten van de politie Hollands-Midden zijn op 23 oktober 2007 omstreeks 23.48 uur ter plaatse gegaan, naar aanleiding van een melding van een verdachte situatie bij hoogwerkers bij het bedrijventerrein [g-straat ] te [plaats] . De agenten hoorden de verbrandingsmotor van één van de hoogwerkers draaien en zagen dat zich drie personen bij de hoogwerkers bevonden, van wie er één in de bedieningscabine van één van de hoogwerkers zat. De mannen gaven op te zijn:
- [betrokkene 10] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats]
- [betrokkene 9] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,
- [betrokkene 20] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] .
De agenten hoorden de mannen verklaren dat zij de hoogwerkers aan het starten waren om te kunnen verplaatsen en naast het bedrijf [R] te rijden, zodat het gemakkelijker zou zijn om deze hoogwerkers - die de volgende dag zouden worden opgehaald - op een vrachtwagen te rijden.
[betrokkene 20] heeft op 6 oktober 2009 verklaard dat hij een paar jaar geleden zijn gegevens aan de politie heeft opgegeven, toen hij stickers aan het verwijderen was van een soort hijskranen. [betrokkene 20] is destijds door een Marokkaanse man in het koffiehuis benaderd met het verzoek of hij diezelfde avond voor € 100,- stickers van hijskranen wilde afhalen. De man vertelde dat [betrokkene 20] blauwe stickers moest verwijderen van de zijkanten van de twee of drie rode machines. Toen hij samen met twee Marokkaanse mannen bijna klaar was met het verwijderen van de stickers, kwam er een politieauto aanrijden. [betrokkene 20] heeft zijn legitimatiebewijs getoond en op de vraag van de verbalisanten wat zij aan het doen waren, geantwoord dat zij de stickers van de machines moesten afhalen omdat deze de volgende dag weg moesten.
De mededirecteur van transportbedrijf [S] (hierna ook: [S] ), [betrokkene 21] , heeft verklaard dat hij op verzoek van [betrokkene 8] van [Q] te [plaats] , via transportbedrijf [T] , een transport van drie verreikers heeft geregeld naar Marseille. Op 26 oktober 2007 is er via een bankfiliaal op de rekening van [S] een voorschot van € 1.000,- betaald door [betrokkene 8] . Toen er betalingsproblemen ontstonden, kwam [S] in contact met [betrokkene 14] van [N] . Deze had contact met twee heren, zijnde de Marokkaanse opdrachtgevers, aldus [betrokkene 21] . [betrokkene 14] zou deze twee heren verzoeken te bemiddelen bij de betaling die [S] nog tegoed had. De factuur is aanvankelijk retour gekomen. Later heeft [betrokkene 8] gezegd dat er rechtstreeks aan een bedrijf in Marokko gefactureerd moest worden.
In de aanhef van een e-mail bericht d.d. 26 oktober 2007 is als verzender vermeld “ [betrokkene 8] [[Q] [e-mailadres 2]]”. In deze email wordt verzocht de factuur te richten aan zijn klant in Marokko: “ [Q] ” te [plaats] .
Zaakdossier 3 [h-straat 1] te [plaats]
Agenten van de politie Amsterdam-Amstelland zijn op 15 november 2007 ter plaatste gegaan naar aanleiding van een melding dat er op een industrieterrein te [plaats] twee jongens op een bromfiets erg veel interesse toonden voor aldaar onbeheerd staande shovels. Ter plaatse zagen de verbalisanten twee mannen gehurkt pal achter een grote rode hijs/graafmachine samen en dicht bij elkaar zitten, terwijl zij met iets bezig waren. Nadat beide mannen op een bromfiets waren gevlucht, zagen de verbalisanten dat er diverse afgescheurde delen van blauwe stickers - met de opdruk ‘ [U] ’ - verspreid op het wegdek lagen, welke stickers kennelijk van de hijs/graafmachines waren vernield. Op de voertuigen stond in grote letters de opdruk “ [U] ” en het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .
Het telefoonnummer van [U] is [telefoonnummer 2] .
Blijkens een door een verbalisant van de nationale opsporingsbrigade te Casablanca op 9 juli 2008 opgemaakt proces-verbaal, waren er in de haven van Casablanca op die datum een achttal kranen opgeslagen, die onder de volgende serienummers zijn geregistreerd:
1. [05]
2. [03]
3. [04]
4. [06]
5. [07]
6. [01]
7. [08]
8. [14 ]
Onder de door [betrokkene 14] overgelegde vrachtdocumenten bevindt zich een bewijs van inscheping van de [15] , waarop [N] te Vitrolles is vermeld als ‘chargeur’, [N] te Casablanca als ‘destinataire’ en [M] als te informeren partij, ter zake van ‘2 engines de travaux publics soit 1 Manitou SN 75340, 1 Manitou SNR [16] ’. Daarbij is gevoegd een factuur van de firma [W] gericht aan [M] d.d. 10 november 2007, met factuurnummer 1011235903. Op deze factuur is vermeld dat deze ziet op de verkoop van een 2e hands “verrijker” van het merk Manitou, s/n [06] en een 2e hands “verrijker” van het merk Manitou, s/n [16] .
De onderneming [W] blijkt niet voor te komen in de registers van de Kamer van Koophandel. Vergelijking van de facturen van [Q] en [W] wijst uit dat de opmaak van beide facturen, met uitzondering van het briefhoofd, nagenoeg overeenkomt.
4.4.2
Het oordeel van de rechtbank
Vooraf
De rechtbank overweegt met betrekking tot de door verdachte gestelde lezing van de feiten - zoals weergegeven onder 3.3 - het volgende. De rechtbank stelt met betrekking tot de door de raadsman aan zijn pleitnota gehechte - slechte - kopieën van een tweetal koopovereenkomsten tussen [C] B.V. en “ [M] ” (bijlage 2) vast dat op beide exemplaren het adres van [C] B.V. verkeerd is gespeld, namelijk “ [i-straat] ” in plaats van [i-straat] en dat op het tweede exemplaar als verkopende partij “ [C] b.v.” genoemd staat in plaats van [C] B.V. Aangezien beide documenten - gelet op de weergave van het logo van [C] B.V. bovenaan deze documenten - het wensen te doen voorkomen als waren zij van [C] b.v. afkomstig, vormt de omstandigheid dat tot tweemaal toe het adres en eenmaal de naam van deze vennootschap onjuist is gespeld een aanwijzing voor vervalsing. Hetzelfde geldt voor de - als zeer merkwaardig aan te merken - omstandigheid dat één en dezelfde koopovereenkomst is vervat in twee van [C] B.V. afkomstige documenten, te meer nu deze documenten op dezelfde datum (9 oktober 2007) zijn ondertekend, maar totaal verschillend zijn qua vormgeving en verschillende vennootschapsstempels bevatten, waarbij bovendien in één stempel het adres van de vennootschap verkeerd is gespeld.
De rechtbank stelt verder vast dat de koopovereenkomsten - waarin de serienummers van de betreffende verreikers worden vermeld - zijn gedateerd op 9 oktober 2007, een tijdstip waarop in elk geval twee van de ‘verkochte’ verreikers nog [A] stonden. Deze verreikers zijn, blijkens het hiervoor onder zaaksdossier 1 opgenomen overzicht, immers pas op 31 oktober 2007 en 6 november 2007 verhuurd en afgeleverd in Amsterdam. De rechtbank stelt vast dat de door verdachte overgelegde koopovereenkomsten dus zijn geantedateerd.
Met betrekking tot het faxbericht van [N] (bijlage 3) overweegt de rechtbank dat de inhoud van deze faxberichten niet overeenkomt met de verklaringen van [betrokkene 14] . Met betrekking tot de overgelegde facturen (bijlage 4) stelt de rechtbank ten slotte vast dat de opmaak van deze facturen sterke overeenkomsten vertoont met de opmaak van de in de onder feit 3 tenlastegelegde documenten, waarvan de rechtbank hierna zal oordelen dat dit valse documenten zijn.
Ook in de door verdachte overgelegde kopieën van advertenties van [C] B.V., waarin tweedehands verreikers worden aangeboden (bijlage 1), is het adres van de vennootschap [C] verkeerd gespeld.
De rechtbank concludeert op grond van vorenstaande dat de door de verdediging overgelegde stukken vals zijn. Dit brengt mee dat de rechtbank, anders de verdediging, geen aanleiding ziet om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 4] te twijfelen en reeds hierom geen waarde hecht aan de alternatieve lezing van verdachte, dat hij slachtoffer zou zijn van fraude gepleegd door [betrokkene 4] .
Feit 1
Gevolgtrekkingen aangaande [G]
Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de rechtspersoon [G] nimmer werknemers in dienst heeft gehad en dat niet is gebleken dat deze onderneming ooit bedrijfsactiviteiten heeft verricht in de bouw of bij het maken van daken van fabrieken. [G] beschikt evenmin over een bankrekening en een vast telefoonnummer. Uit onderzoek naar het adres van [G] op de [a-straat 1] is gebleken dat daar geen onderneming is gevestigd. [G] is dus een onderneming die enkel op papier bestaat.
Modus operandi
[G] , onder meer vertegenwoordigd door [betrokkene 9] en [betrokkene 10] , heeft bij [C] , via [D] , meerdere verreikers van [A] en [B] gehuurd, die zijn afgeleverd te [plaats] , [plaats] en [plaats] . Zowel te [plaats] als te [plaats] zijn de stickers met de bedrijfsnaam van de gehuurde verreikers verwijderd, waarna de verreikers, korte tijd na levering en met gebruikmaking van valse facturen, naar Marseille en vervolgens naar Marokko werden getransporteerd. In de contracten en de overige correspondentie is gebruik gemaakt van de naam [betrokkene 8] / [betrokkene 8] . Nu in het onderzoek geen persoon in beeld is gekomen met deze naam, gaat de rechtbank ervan uit dat deze persoon niet bestaat en deze naam dus als schuilnaam is gebruikt.
Betrokkenheid verdachte
Met betrekking tot de door de raadsman betwiste betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 14] overweegt de rechtbank dat zij - waar het gaat over om de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde - geen aanleiding ziet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen, nu deze gedetailleerd zijn en steun vinden in andere gegevens in het dossier. De rechtbank hecht in het licht van deze omstandigheden geen waarde aan de stelling van verdachte dat hij [betrokkene 14] niet kent. Ten eerste heeft [betrokkene 14] verklaard dat hij verdachte herkent in de aan hem getoonde foto waarop verdachte is afgebeeld. Ten tweede heeft [betrokkene 13] , die verdachte ook kent, verklaard dat hij op enig moment gebeld werd door [betrokkene 14] die tegen hem zei dat (o.a.) [verdachte] opdrachtgever was van transporten naar Casablanca.
De rechtbank gaat er op grond van de voornoemde verklaringen van [betrokkene 14] van uit dat verdachte met name bemoeienis heeft gehad bij het transport van de verreikers, nadat deze door zijn medeverdachte(n) [betrokkene 10] en [betrokkene 9] onder valse voorwendselen waren gehuurd bij [betrokkene 4] / [C] B.V.. [betrokkene 14] heeft namens de firma [N] het vervoer van de verreikers geregeld, (mede) in opdracht van verdachte. Blijkens de verklaringen van [betrokkene 14] deed hij in eerste instantie de meeste zaken met verdachte en zijn de transporten door verdachte en [betrokkene 10] betaald. Verdachte heeft [betrokkene 14] gezegd de naam ‘ [betrokkene 8] ’ op het douaneformulier in te vullen en alleen met verdachte heeft [betrokkene 14] het adres van [N] in Marseille besproken, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat (ook) verdachte de hand heeft gehad in de faxberichten aan [N] aan [P] over het transport vanuit [plaats] (D88-2 en D88-3).
Medeplegen
Voor de vraag of verdachte als medepleger kan worden aangemerkt bij het oplichten van verhuurbedrijven zoals onder feit 1 primair tenlastegelegd, acht de rechtbank van belang dat de oplichting als bedoeld in zaakdossier 4 (het Belgisch dossier) ten tijde van onderhavige oplichting reeds had plaatsgevonden. Uit de verklaringen van [H] in samenhang met met de verklaring van [betrokkene 13] volgt dat verdachte in juli of augustus 2007 bij Transportbedrijf [H] B.V. is geweest om het transport van de verreikers, die uit België afkomstig waren, te regelen. Dit transport is toen mislukt. Zoals hierna eveneens zal worden overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte in die zaak als medepleger van [betrokkene 9] en FT [verdachte] kan worden aangemerkt. De rechtbank gaat er, gelet op de betrokkenheid van verdachte bij het Belgisch dossier, vanuit dat hij wist dat ook de onder dit feit tenlastegelegde de verreikers onder valse voorwendselen waren gehuurd. Voorts is van belang de verklaring van [betrokkene 14] dat hij, toen de oplichting aan het licht was gekomen, contact opnam met verdachte. Dit wijst erop dat verdachte in de samenwerking met zijn medeverdachten kennelijk een ‘flinke vinger in de pap’ had. Op grond van al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de rol van verdachte voldoende significant om medeplegen van oplichting bewezen te achten.
Kwalificatie oplichting
Uit het vorenstaande volgt dat verdachte samen met anderen door het aannemen van een valse hoedanigheid - die van bonafide huurder - door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels - te weten dat er sprake was van een huurder te goeder trouw en vertegenwoordigers van een actief bouwbedrijf [G] BV met diverse lopende opdrachten en door gebruik te maken van stukken van de niet-bestaande onderneming [G] - [C] , [D] , [A] en [B] heeft bewogen tot de afgifte van de in de tenlastelegging genoemde verreikers.
Oogmerk oplichting
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen en de daaruit af te leiden modus operandi komen vast te staan dat verdachte - nadat de verreikers waren gehuurd - bij het organiseren van het transport een prominente rol speelde. Daarbij was het de bedoeling de verreikers te transporteren naar Marokko, om ze aldaar via de daar gevestigde onderneming van verdachte te verkopen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich in genoemde periode meermalen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van voornoemde bedrijven, zoals ten laste is gelegd onder feit 1 primair.
Feit 2
Modus operandi
De rechtbank stelt vast dat er op naam van de niet actieve onderneming [G] bij [F] verreikers zijn gehuurd die zijn afgeleverd te [plaats] . In de contracten en de overige correspondentie, is gebruik gemaakt van de naam van een fictieve persoon, te weten “ [betrokkene 8] ”. De verreikers zijn - in strijd met de huurvoorwaarden - vrijwel onmiddellijk na levering getransporteerd naar België en onderschept nabij de grens met Luxemburg. Voorts blijkt uit de verklaring van [betrokkene 6] dat ook bij deze verreikers de stickers van de verhuurder zijn verwijderd. De rechtbank stelt vast dat voornoemde modus operandi deels overeenkomt met die bij feit 1.
Kwalificatie
Medeverdachte [betrokkene 10] heeft zich samen met medeverdachte [betrokkene 9] , in de hoedanigheid van eigenaar van bouwbedrijf [G] , tweemaal in Moerbeke (België) gemeld bij [F] voor de huur van verreikers. Uit het vorenstaande volgt dat daarbij sprake is geweest van het aannemen van een valse hoedanigheid - die van bonafide huurder - van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels - te weten de mededeling dat [G] voor een opdracht op Schiphol twee verreikers nodig had en van het gebruikmaken van stukken van de niet bestaande onderneming [G] - waardoor [F] is bewogen tot de afgifte van de in de tenlastelegging genoemde verreikers.
Betrokkenheid verdachte
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er, evenals de verdediging, niet van uit dat verdachte de [verdachte] is geweest die in België bij het bedrijf van [F] is geweest en die op [plaats] de kranen in ontvangst heeft genomen; dat was medeverdachte [betrokkene 9] . Verdachte heeft bij deze zaak echter wel een rol gespeeld bij het transport naar Marseille van de gehuurde verreikers. Blijkens de verklaring van [H] is het [verdachte] geweest die [H] in juli of augustus 2007 - dat was overigens niet de eerste keer - heeft benaderd voor het transport van de twee verreikers vanaf [plaats] naar Marseille en [H] daartoe ook opdracht heeft gegeven. Daarbij werd gebruik gemaakt van het mailadres [e-mailadres 1] . Uit de verklaring van [betrokkene 13] volgt dat verdachte, die in het verleden voor [betrokkene 13] had gewerkt, gebruik maakte van dit mailadres. Dat verdachte niet bekend zou zijn met dit mailadres, acht de rechtbank dan ook onaannemelijk. Voorts volgt uit de verklaring van [betrokkene 13] dat verdachte hem eerder had benaderd voor een transport, maar dat hij, omdat [betrokkene 13] weigerde, uiteindelijk bij [H] is terechtgekomen. De rechtbank heeft dan ook, anders dan de raadsman, geen réden om eraan te twijfelen dat de persoon die zich tegenover [H] voorstelde als [verdachte] ook daadwerkelijk verdachte was. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de contactpersoon van [H] uitdrukkelijk heeft gevraagd de factuur te versturen naar het bedrijf [M] . ter attentie van [verdachte] , welk bedrijf (in ieder geval) in januari 2007 op naam stond van verdachte.
Medeplegen
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van de voor het bewezen verklaren van medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. [betrokkene 10] heeft samen met zijn medeverdachte [betrokkene 9] onder valse voorwendselen ervoor gezorgd dat [F] bereid was om twee dure machines aan [G] te verhuren. Verdachte is vervolgens degene geweest die het transport van deze verreikers naar Marseille met [H] heeft geregeld. Nu het verkrijgen van de verreikers met geen ander doel plaatsvond dan het transport naar Marokko, concludeert de rechtbank dat sprake was van een vooropgezet plan waar verdachte een aandeel aan had. Derhalve staat de omstandigheid dat verdachte zelf geen contact had met [F] heeft gehad een bewezenverklaring van medeplegen niet in de weg .
Oogmerk
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [betrokkene 10] en [betrokkene 9] zich, direct op de dag na die waarop [betrokkene 9] eigenaar was geworden van de onderneming [G] , hebben gemeld bij [F] voor de huur van de verreikers. Uit de verklaring van [betrokkene 6] blijkt dat de verreikers vrijwel direct na aflevering te [plaats] in de nacht van 19 op 20 juli 2007, op transport zijn gezet naar Marseille, namelijk op 23 juli 2007, welk transport door verdachte was geregeld. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte van meet af aan de bedoeling had de verreikers, in plaats van deze te gebruiken voor werkzaamheden, naar het buitenland te transporteren om deze aldaar te verkopen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich in genoemde periode schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van voornoemd bedrijf, zoals ten laste is gelegd onder feit 2 primair.”
Het juridisch kader3.
18. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor de kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met een of meerdere anderen. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De Hoge Raad heeft in dit kader overwogen dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
De bespreking van het tweede middel en het derde middel
19. Als gezegd keren beide middelen zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte de onder feit 2 onderscheidenlijk feit 1 tenlastegelegde oplichting heeft medegepleegd. Samengevat wordt in dat verband tegengeworpen dat in de bewijsvoering niet is vastgesteld dat de verdachte enige gedraging heeft verricht met betrekking tot het bewegen van de verhuurbedrijven tot de afgifte van verreikers en evenmin dat de oplichting zelf door de verdachte is uitgevoerd, aangezien uit de vaststellingen in de bewijsvoering uitsluitend (en niet: hoofdzakelijk) gedragingen van de verdachte van na de uitvoering blijken. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
20. Nu het hof zich in zoverre heeft verenigd met het promisvonnis van de rechtbank, kan daaruit worden opgemaakt dat (ook) naar het oordeel van het hof ten aanzien van beide feiten sprake is van medeplegen aan de zijde van de verdachte. Tot deze slotsom komt het hof in navolging van de rechtbank op grond van de, in de vorm van promisoverwegingen opgenomen, bewijsmiddelen die afkomstig zijn uit vier zaakdossiers en in het licht van de beoordeling van het tenlastegelegde in onderling verband en samenhang zijn beschouwd.
21. De vraag die thans voorligt is of uit de door het hof overgenomen promisoverwegingen van de rechtbank kan worden afgeleid dat sprake is van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten [betrokkene 9] en [betrokkene 10] dat de verdachte als medepleger in de zin van de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden aangemerkt. Deze vraag zal ik hieronder voor elk van de twee bewezenverklaarde feiten afzonderlijk bespreken. Ik begin met feit 2, dat chronologisch voorafgaat aan de onder feit 1 bewezenverklaarde oplichting. Daarbij komt dat ook de schriftuur deze volgorde hanteert: het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting onder feit 2.
- Middel 2; medeplegen van oplichting zoals bewezenverklaard onder feit 2 (het Belgisch dossier)
22. Onder feit 2 is (kort gezegd) ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij in de periode van 18 juli 2007 tot en met 23 juli 2007 te Schiphol-Rijk en/of Moerbeke als medepleger betrokken is geweest bij oplichting jegens [F] inzake twee verreikers. Het bewijs daarvoor is in belangrijke mate ontleend aan zaakdossier 4, ook wel het “Belgisch dossier” genoemd, maar dat neemt niet weg dat blijkens de bewijsvoering hier óók bewijsoverwegingen van betekenis zijn die meer in de sfeer van het tenlastegelegde feit 1 zijn geplaatst. Ter wille van de leesbaarheid zal ik hieronder, voor zover nodig, in voetnoten de vindplaatsen in het promisvonnis vermelden.
23. In navolging van de rechtbank heeft het hof onder meer het navolgende vastgesteld.
24. De medeverdachten [betrokkene 10] en [betrokkene 9] hebben, in naam van de niet-actieve en niet bestaande onderneming ‘ [G] ’, twee verreikers gehuurd van [F] .4.Daarbij hebben zij zich voorgedaan als bonafide huurder (aannemen van een valse hoedanigheid, aldus het hof met de rechtbank), hebben zij medegedeeld dat ‘ [G] ’ de verreikers voor een opdracht op Schiphol nodig had en hebben zij gebruikgemaakt van stukken van deze niet bestaande onderneming (listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, aldus het hof met de rechtbank). Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
25. De gehuurde verreikers zijn vrijwel onmiddellijk na levering5.getransporteerd richting Marseille, met de bedoeling om deze vanuit daar naar Marokko te verschepen. Het transport is echter in België (te Libin Bestin) tegengehouden.6.De verdachte heeft dit transport geregeld.7.Aan deze vaststelling ligt onder meer ten grondslag de overweging dat de eigenaar van het hiervoor ingeschakelde transportbedrijf, [betrokkene 7] , heeft verklaard dat hij door de verdachte is benaderd voor dit transport en dat de verdachte daartoe opdracht heeft gegeven. Het e-mailadres waarvan daarbij gebruik werd gemaakt, was volgens de verklaring van [betrokkene 13] , de (voormalig) werkgever van de verdachte, in gebruik bij de verdachte.8.Uit de promisoverwegingen met betrekking tot zaakdossier 4 (het Belgisch dossier) blijkt dat de verdachte reeds in april 2007 bij [betrokkene 13] heeft geïnformeerd of hij het transport van twee of drie verreikers naar Marseille kon verzorgen.9.[betrokkene 13] heeft verklaard dat de verdachte, nadat [betrokkene 13] had aangegeven dat hij geen tijd had om het transport uit te voeren, uiteindelijk bij [betrokkene 7] is terechtgekomen. Daarin ligt mijns inziens besloten dat de verdachte reeds voorbereidingen voor het transport van de verreikers trof nog vóórdat de verhuur van de verreikers door de medeverdachten gerealiseerd was.
26. Voorts is in de bewijsvoering betrokken dat door de opdrachtgever van het transport uitdrukkelijk is verzocht de factuur voor het transport te versturen naar het bedrijf [M] . ter attentie van. [verdachte] . Dit bedrijf stond (in ieder geval) in januari 2007 op naam van de verdachte.10.Uit de promisoverwegingen in het vonnis onder het hoofd “Zaakdossier 4 Belgisch dossier” volgt daarnaast dat [betrokkene 7] in het bezit was van twee facturen – die, kennelijk, door [H] zijn verkregen ten behoeve van het transport van de verreikers11.– betreffende twee gebruikte Manitou verreikers (met de in de bewezenverklaring opgenomen serienummers) van de firma [I] aan [J] te Marokko.12.Ten aanzien van deze facturen heeft het hof in navolging van de rechtbank onder het tenlastegelegde feit 3 de valsheid van de daarin genoemde facturen vastgesteld (in cassatie niet betwist), alsmede het opzettelijk gebruikmaken hiervan door de verdachte en de medeverdachten ten behoeve van het transport van de verreikers.13.Uit de bewijsoverwegingen kan mijns inziens worden opgemaakt dat (mede) door de verdachte met deze facturen de indruk werd gewekt dat de verreikers door een in Nederland gevestigde onderneming waren verkocht aan het bedrijf van de verdachte, om zich alzo een “geldige” titel voor het transport te (kunnen) verschaffen.14.
27. Tot slot merk ik op dat uit de promisoverwegingen in het vonnis onder het hoofd “Zaakdossier 4 Belgisch dossier” volgt dat [betrokkene 6] , een zoon van de eigenaar van [F] , heeft verklaard dat hij in eerste instantie over de verhuur van de twee verreikers was benaderd door een man met de naam ‘ [betrokkene 8] ’.15.Met hem had hij een afspraak te [plaats] (waar de verreikers zijn afgeleverd). Deze ‘ [betrokkene 8] ’ zou echter niet kunnen komen, waarna [betrokkene 6] werd aangesproken door [betrokkene 9] . [F] heeft verklaard dat hij op de avond waarop de verreikers tijdens het transport zijn onderschept telefonisch contact heeft gehad met ’ [betrokkene 8] ’, die aangaf dat de verreikers waren gestolen en dat hij, ‘ [betrokkene 8] ’, voornemens was aangifte te doen. In de promisoverwegingen onder het hoofd “Zaakdossier 1” – die het hof in navolging van de rechtbank in samenhang met de bewijsmiddelen uit onder meer zaakdossier 4 beziet – is vastgesteld dat in contracten en correspondentie over het transport van de in zaakdossier 1 aan de orde zijnde verreikers gebruik is gemaakt van de naam ‘ [betrokkene 8] ’ (ook wel “ [betrokkene 8] ” of “ [betrokkene 8] ” genoemd).16.Onder deze correspondentie bevindt zich onder meer een faxbericht dat blijkens de overwegingen van de rechtbank door de verdachte aan het transportbedrijf moet zijn verzonden.17.De rechtbank, en met haar het hof, gaat ervan uit dat ‘ [betrokkene 8] ’ niet bestaat en dat deze naam dus als schuilnaam is gebruikt.18.Naar het mij voorkomt ligt in deze bewijsoverwegingen het oordeel besloten dat de schuilnaam en de (in dit verband) niet bestaande persoon ‘ [betrokkene 8] ’ door de verdachten werd opgevoerd als vertegenwoordiger van de slechts op papier bestaande onderneming ‘ [G] ’ (zaakdossier 4) én als vertegenwoordiger van een bedrijf namens welke de verdachte opdracht gaf tot het transport van verreikers (zaakdossier 1). Weliswaar hebben de transporten waartoe door ’ [betrokkene 8] ’ opdracht werd gegeven later in de tijd plaatsgevonden dan het onder feit 2 bewezenverklaarde medeplegen van oplichting. Maar niettemin duidt het gebruik van deze (schuil)naam zowel door de medeverdachten ten behoeve van de verhuur van de verreikers aan ‘ [G] ’ als door de verdachte ten behoeve van het transport van (andere) verreikers namens het opnieuw niet bestaande, bedrijf ‘ [Q] ’ op een afstemming en samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten ten aanzien van onder meer de onder feit 2 bewezenverklaarde oplichting.
28. Met betrekking tot het medeplegen is door het hof in navolging van de rechtbank vastgesteld dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Daarbij is de onderlinge taakverdeling in het plan tussen de drie verdachten expliciet in aanmerking genomen: de medeverdachten [betrokkene 10] en [betrokkene 9] waren degenen die onder valse voorwendselen twee verreikers zouden huren en de verdachte zou het transport van deze verreikers naar Marseille verder regelen. Nadrukkelijk is door het hof en de rechtbank onder ogen gezien dat de verdachte hoofdzakelijk feitelijke handelingen heeft verricht die te maken hadden met het transport van de verreikers. Ten aanzien van het transport is verder vastgesteld dat de verdachte dit had geregeld en dat dit op verzoek van de verdachte (vrijwel) onmiddellijk na levering van de verreikers heeft plaatsgevonden. Hoewel het transport van de verreikers (logischerwijs) feitelijk is te situeren na voltooiing van de genoemde oplichtingshandelingen, blijkt uit de bewijsvoering dat de inbreng van de verdachte met betrekking tot dit transport een directe relatie heeft met handelingen die voorafgaand aan en/of ten tijde van het contact van de medeverdachten met [F] in het kader van het huren van de verreikers hebben plaatsgehad. Het is derhalve begrijpelijk dat het hof in navolging van de rechtbank de gedragingen van de verdachte met betrekking tot het transport beziet als wezenlijk onderdeel van een groter geheel waarbinnen de oplichting zich heeft uitgestrekt. Een van de bewijsoverwegingen luidt dat het verkrijgen van de verreikers geen ander doel diende dan het transporteren daarvan naar Marokko als eindbestemming. Op grond van het voorgaande luidt de conclusie in de bewijsoverwegingen dat sprake was van “een vooropgezet plan” waarin de verdachte een wezenlijk aandeel had. 308.
29. Dit oordeel acht ik, gelet op de door de het hof overgenomen vastgestelde feiten en omstandigheden in het promisvonnis en de daaraan gegeven duiding en waardering, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Door zich in dit verband ook met de slotoverweging van de rechtbank te verenigen, heeft het hof tevens geoordeeld dat de omstandigheid dat de verdachte zelf geen contact heeft gehad met [F] een bewezenverklaring van het medeplegen niet in de weg staat. In dat oordeel ligt besloten dat de rechtbank de bijdrage van de verdachte van zodanig gewicht heeft geacht dat hieraan, hoewel niet is vastgesteld dat de verdachte zelf de in de bewezenverklaring opgenomen uitvoeringshandelingen heeft verricht, de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd is. Ook dit impliciete oordeel acht ik, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, toereikend en begrijpelijk gemotiveerd.
30. Het tweede middel faalt.
- Middel 3; medeplegen van oplichting zoals bewezenverklaard onder feit 1
31. Ten laste van de verdachte is onder feit 1 (kort gezegd) bewezenverklaard dat hij in de periode van 11 september 2007 t/m 7 juli 2008 te Lisse en te Amsterdam en te Schiphol-Rijk en te ‘s-Gravenhage de daarin nader omschreven oplichting heeft medegepleegd. Het bewijsmateriaal is voornamelijk geput uit de zaakdossiers 1 t/m 3. Ook in dit verband zal ik hieronder met het oog op de leesbaarheid in voetnoten naar de vindplaatsen in het promisvonnis verwijzen.
32. Deze bewezenverklaring betreft de verhuur en afgifte van 8 verreikers. Dienaangaande heeft het hof zich verenigd met de volgende vaststellingen van de rechtbank.
33. Het slechts op papier bestaande bedrijf ‘ [G] ’ heeft bij [C] B.V. (via [C] en [D] ) 7 verreikers gehuurd van [A] en 1 verreiker van [B] . De medeverdachten [betrokkene 9] en [betrokkene 10] traden op als vertegenwoordiger van ‘ [G] ’ en gaven aan dat de verreikers zouden worden gebruikt voor het verplaatsen van materialen bij het maken van daken van fabrieken. De verreikers zijn afgeleverd te Schiphol-Rijk , Lisse en Amsterdam. In Lisse en Amsterdam zijn vervolgens de stickers met de bedrijfsnaam verwijderd.
34. De verreikers zijn alle, kort na aflevering en met gebruikmaking van valse facturen19., naar eerst Marseille en vervolgens Marokko getransporteerd.20.De verdachte heeft ter zake “met name”21.bemoeienis gehad bij het transport van de verreikers, nadat deze door de medeverdachten waren gehuurd bij [C] B.V. Door het gebruik van de woorden “met name” is gelet op de context van de bewijsoverwegingen geëxpliciteerd dat de betrokkenheid van de verdachte volgens het hof en de rechtbank niet beperkt was tot alleen het regelen van het transport.
35. De betrokkenheid van de verdachte bij het regelen van het transporteren van de onderhavige verreikers heeft de rechtbank onder meer ontleend aan de verklaringen van [betrokkene 14] , die namens de firma [N] de verscheping (en eenmalig tevens het wegtransport) van de verreikers had geregeld.22.[betrokkene 14] heeft blijkens de promisoverwegingen in het vonnis onder het hoofd “Zaakdossier 1” verklaard dat hij op verzoek van “ [betrokkene 10] ” – waarmee hij doelt op de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 10] – 8 verreikers heeft getransporteerd.23.Ontvanger van de verreikers was de onderneming van de verdachte: [M] . In eerste instantie deed [betrokkene 14] de meeste zaken met de verdachte. Later, nadat de verreikers in Marokko in beslag waren genomen en [betrokkene 14] de verdachte niet meer kon bereiken, verliep het contact via de medeverdachte [betrokkene 10] . Uit de promisoverwegingen onder “Zaakdossier 1” volgt voorts dat [betrokkene 14] reeds eind 2006 of begin 2007 door de verdachte is benaderd met de vraag of hij transporten naar Marokko kon verzorgen.24.Eerder had de verdachte hem al verteld dat er goede handel zat in verreikers en dat hij in Meknes (Marokko) samen met drie Marokkaanse mannen uit Nederland het bedrijf [M] had opgericht. Uit de promisoverwegingen onder het hoofd “Zaakdossier 1” volgt met betrekking tot de betaling van de transporten, dat aan [N] ten minste twee van de transporten werden betaald door de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 10] .25.De betalingen aan een van de transportbedrijven die het wegtransport naar Marseille vervoerde zijn afkomstig van een bankrekening op naam van de medeverdachte [betrokkene 9] .26.Uit het voorgaande blijkt naar mijn inzicht van een aanloop van de transporten van de verreikers van enkele maanden, die (ruim) voorafging aan de verhuur van de verreikers. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat sprake was van een nauw samenwerkingsverband tussen de verdachte en de medeverdachten met betrekking tot de transporten. De rechtbank heeft ten aanzien van de bedoelde transporten overwogen, en het hof heeft zich daarmee verenigd, dat in de contracten en correspondentie hierover is gebruikgemaakt van de hierboven reeds aangehaalde schuilnaam ‘ [betrokkene 8] ’27., als vertegenwoordiger van ‘ [Q] ’.28.In de bewijsoverwegingen is ten eerste vastgesteld (het is hierboven reeds opgemerkt) dat uit het onderzoek geen persoon in beeld is gekomen met de naam ‘ [betrokkene 8] ’, zodat hof en rechtbank ervan uitgaan dat deze persoon (in dit verband) niet bestaat en het hier om een schuilnaam gaat.29.Ten tweede is vastgesteld dat het bedrijf ‘ [Q] ’ in Nederland niet bestaat en nooit heeft bestaan.30.Met betrekking tot het gebruik van de documenten heeft het hof met de rechtbank onder meer uit de overige gegevens in de correspondentie afgeleid dat de correspondentie mede van de verdachte afkomstig is.31.Daarnaast volgt uit de verklaring van [betrokkene 14] dat de verdachte hem ten behoeve van een transport van verreikers desgevraagd geen btw-nummer van [Q] kon verstrekken en dat de verdachte aan [betrokkene 14] heeft gevraagd het douaneformulier in plaats daarvan op naam van “ [betrokkene 8] ” op te maken.32.Het door de verdachte ten behoeve van het transport van de verreikers gebruikmaken van deze naam – die, blijkens de bewijsoverwegingen onder het hoofd “Zaakdossier 4 Belgisch dossier”, in communicatie met de verhuurder van de verreikers bovendien werd gepresenteerd als vertegenwoordiger van ‘ [G] ’33.– en van de valse aankoopfacturen van de verreikers (hetgeen in cassatie niet wordt betwist), duidt bovendien op wetenschap van de verdachte over de ware herkomst van de verreikers die hij liet transporteren naar Marokko.
36. In het oordeel dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt, is door het hof, in navolging van de rechtbank, onder meer van belang geacht dat de oplichting die onder feit 2 (zaakdossier 4; het Belgisch dossier) is bewezenverklaard ten tijde van de onderhavige oplichting reeds had plaatsgevonden. Het transport van de in dat kader door de medeverdachten “gehuurde” verreikers was reeds onderschept door de Belgische autoriteiten. Het hof gaat er met de rechtbank vanuit dat de verdachte, vanwege zijn eerdere betrokkenheid bij de oplichting als bedoeld in het Belgisch dossier, wist dat ook de onder feit 1 tenlastegelegde verreikers onder valse voorwendselen waren gehuurd. Het oordeel van de rechtbank dat de verdachte bij de onder feit 2 bewezenverklaarde oplichting was betrokken, heb ik al op zijn begrijpelijkheid beoordeeld in mijn bespreking van het tweede middel, zodat ik op deze plek daarnaar verwijs. De gevolgtrekking van de rechtbank in zijn in zoverre door het hof bevestigde promisvonnis dat de verdachte gelet op het voorgaande ook wetenschap heeft gehad van de wijze van verkrijging van de verreikers waarop de tenlastelegging van feit 1 ziet, kan ik goed volgen. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat daarmee de onderhavige bewezenverklaring van medeplegen door de verdachte nog niet is gegeven. De steller van het middel lijkt er echter aan voorbij te gaan dat daarnaast door hof en rechtbank is geoordeeld dat de rol van de verdachte voldoende significant is te achten om hier medeplegen van oplichting bewezen te verklaren. Daarbij hebben rechtbank en hof zich rekenschap gegeven van de onderlinge taakverdeling en de specifieke en importante rol die de verdachte in het geheel heeft vervuld. In zoveel woorden is daarbij namelijk overwogen dat op grond van de bewijsmiddelen en de daaruit af te leiden modus operandi vast is komen te staan dat de verdachte bij het organiseren van het transport een prominente rol speelde. Daarbij was het volgens het hof en de rechtbank de bedoeling de verreikers in Marokko via de aldaar gevestigde onderneming van de verdachte te verkopen. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, gelet op de in de bewijsvoering vastgestelde feiten en omstandigheden en de daaraan gegeven duiding en waardering.
37. Beide middelen falen.
IV. Het vierde middel
38. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof op onbegrijpelijke en/of niet toereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat bij de bepaling van de hoogte van de opgelegde geldboete rekening is gehouden met de draagkracht van de verdachte. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat, nu tegen de verdachte verstek is verleend, het hof niet op grond van het verhandelde ter terechtzitting diens draagkracht heeft kunnen vaststellen en daarvan (ik, A-G, begrijp: in het arrest) ook niet blijkt.
39. Aan de verdachte is op grond van de bewezenverklaarde feiten onder meer een geldboete opgelegd van € 4.000, waarvan € 2.000 voorwaardelijk.
40. De strafoplegging is, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
(…)
Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ook in hoger beroep is overschreden, nu de berechting niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren, gelet op het feit dat namens de verdachte op 22 april 2014 hoger beroep is ingesteld en het eindarrest op 19 oktober 2022 - te weten circa 8 jaren en 6 maanden later - is gewezen. Hoewel deze forse overschrijding niet volledig aan justitie te wijten is, zal het hof de overschrijding verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat in plaats van de overwogen gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur zal worden opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.”
41. Het hof heeft blijkens de strafmotivering rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting behoeft niet te blijken dat de draagkracht tijdens de zitting uitdrukkelijk aan de orde is geweest.34.Dit geldt onverkort indien het arrest bij verstek is gewezen.35.Het middel, dat uitgaat van een andere opvatting, faalt.
V. Slotsom
42. Alle middelen falen. Het eerste middel en het vierde middel kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
43. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 1 november 2022, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. Ik ga ervan uit dat dit tot vermindering van de door het hof opgelegde geldboete zal (moeten) leiden.
44. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
45. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering volgens de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2025
Vgl. het juridisch kader voor zover is weergegeven in randnummer 10: “Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.” Vgl. ook HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:409 en de hieraan voorafgaand door mij genomen conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:86) en HR 8 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1389 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Paridaens (ECLI:NL:PHR:2024:636).
Zie onder meer HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2014:3073), NJ 2015/39 (https://www.inview.nl/document/idc9f5b4634dea44f3a6c4774fc598579b/nj-2015-391-overzichtsarrest-medeplegen-versus-andere-deelnemingsvormen?ctx=WKNL_CSL_92&anchor=documentgegevens&tab=tekst)0, m.nt. Mevis en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2015:716).
Vonnis, p. 17.
De verreikers zijn blijkens de bewijsvoering in de nacht van 19 op 20 juli 2007 afgeleverd en op 23 juli 2007 geladen voor transport. [betrokkene 6] ‘van’ [F] heeft van A.C. [H] vernomen dat door de opdrachtgever van het transport erop werd aangedrongen dat de beide verreikers nog dezelfde dag, 20 juli 2007, zouden worden geladen en getransporteerd naar Frankrijk, ten einde van daaruit te worden verscheept. Dit bleek niet mogelijk, omdat in het weekend geen vervoer mocht plaatsvinden op Franse snelwegen. Zie het vonnis, p. 5- 6.
Vonnis, p. 17.
Vonnis, p. 17 en 18.
Vonnis, p. 17.
Vonnis, p. 6-7.
Vonnis, p. 17.
[betrokkene 6] heeft deze facturen aan justitie overgelegd. Ik interpreteer de bewijsoverweging dat “volgens [F] ” de ontvanger een zekere [verdachte] uit Marokko was (p. 6 van het vonnis, bovenaan), aldus dat [F] dit heeft vernomen van [H] , evenals [F] van [H] had gehoord dat er op werd “aangedrongen” om reeds op 20 juli de verreikers voor transport te laden, dus nog op dezelfde dag, aangezien deze verreikers in de nacht van 19 op 20 juli waren afgeleverd (onderaan p. 5).
Vonnis, p. 6.
Vonnis, p. 18-19 en p. 20-21.
Vgl. de verklaring van [betrokkene 14] onder het hoofd “Zaakdossier 1” (vonnis, p. 11), dat voor transporten zoals door hem werden uitgevoerd voor de verdachte, een factuur nodig is, waarop staat wie de verkopende en de kopende partij is en wie de ontvanger van de goederen is.
Vonnis, p. 6.
Vonnis, p. 10, 11 en 13. De rechtbank betrekt het gebruik van deze naam in de contracten en correspondentie bij de vaststelling van de modus operandi ten aanzien van feit 1 (vonnis, p. 15).
Vonnis, p. 11-12.
Vonnis, p. 15.
Zie ook de bewezenverklaring onder feit 3 (in cassatie niet betwist).
Vonnis, p. 10 en 15.
Vonnis, p. 16.
Vonnis, p. 15-16.
Vonnis, p. 10-11.
Vonnis, p. 11.
Vonnis, p. 11.
Vonnis, p. 11.
Vonnis, p. 15.
Vonnis, p. 10, 11 en 12.
Vonnis, p. 15.
Vonnis, p. 10.
Vonnis, p. 11-12.
Vonnis, p. 11.
Vonnis, p. 6.
Vgl. onder meer HR 2 juli 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8051 (niet gepubliceerd), NJ 1991/67 (https://www.inview.nl/document/id341990070286477nj199167dosred/nj-1991-67-hr-02-07-1990-nr-86477/nj-1991-67-hr-02-07-1990-nr-86477?tab=tekst) m.nt. Van Veen en over de motivering van het oordeel onder meer HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7663 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2007:BA7663), NJ 2007/530 (https://www.inview.nl/document/id34200709250209606nj2007530dosred/nj-2007-530-hr-25-09-2007-nr-02096-06/nj-2007-530-hr-25-09-2007-nr-02096-06?ctx=WKNL_CSL_92&anchor=documentgegevens&tab=tekst).
Vgl. HR 9 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8780 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:1991:ZC8780&showbutton=true&keyword=ECLI%253aNL%253aHR%253a1991%253aZC8780&idx=1) (niet gepubliceerd), zaaknummer 89.029.
Beroepschrift 23‑02‑2023
SCHRIFTUUR, HOUDENDE VIER MIDDELEN VAN CASSATIE
In de zaak tegen
verzoeker | [verdachte] |
geboortedatum | [geboortedatum] 1969 |
adres | [adres] |
postcode/woonplaats | [postcode] [woonplaats] ([land]) |
Bestreden uitspraak
instantie | gerechtshof Den Haag |
datum uitspraak | 19 oktober 2022 |
parketnummer | 22-001779-14 |
Middel 1
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof het namens verzoeker ter terechtzitting van 5 oktober 2022 gedane aanhoudingsverzoek op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft afgewezen.
Toelichting
1.
De behandeling van verzoekers zaak in hoger beroep kent een langdurig verloop. De behandeling is meermaals aangehouden, na telkens een verzoek daartoe van verzoekers raadsman mr. R.A. Korver. Als grond voerde de raadsman hoofdzakelijk aan de onmogelijkheid van verzoeker, die in [land] verbleef, om Nederland in te reizen, ofwel wegens het ontbreken van een laissez passer ofwel wegens de weigering van de Nederlandse autoriteiten een inreisvisum te verstrekken. Na een regiezitting van 3 juni 2015 werd de zaak vervolgens behandeld ter zitting van 7 februari 2019 en nadien op 7 november 2019, 13 maart 2020, 23 april 2021 en 5 oktober 2022. Op de zitting van 23 april 2021 werd de zaak aangehouden in verband met de onmogelijkheid van de effectuering van verzoekers aanwezigheidsrecht wegens — kort gezegd — coronamaatregelen.
2.
Dit middel betreft de afwijzing van een aanhoudingsverzoek ter zitting van 5 oktober 2022. Het proces-verbaal van die zitting houdt dienaangaande en voor zover hier van belang het volgende in:
‘De voorzitter deelt mede dat het hof, voorafgaande aan deze terechtzitting, van de raadsman een brief d.d. 3 oktober 2022 heeft ontvangen waarin wordt verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak, nu het voor de verdachte nog immer niet mogelijk is om naar Nederland te reizen om de strafzaak bij te wonen. De verdachte wenst wel aanwezig te zijn en de raadsman is zonder zijn aanwezigheid niet bepaaldelijk gevolmachtigd om de verdediging te voeren.
(…)
De raadsman krijgt de gelegenheid het aanhoudingsverzoek nader toe te lichten.
De raadsman overlegt een e-mailbericht d.d. 5 oktober 2022 van de verdachte, inhoudende:
‘Goedendag mijn heer Korver
Ten aanzien van de zitting van heden woensdag 5 oktober bericht ik u hierbij als volgt. In het verleden is er een visum aangevraagd via de heer [betrokkene 1] waarvan de ind mij verzocht voor een garantstelling om een garantstelling te kunnen krijgen in des tijds had ik wel iemand die mij de garantstelling wil voorzien maar na enkele dagen heeft de persoon zich terug getrokken om het niet meer te geven en sinds dien ben ik zoekende naar iemand anders die daar bereid voor is. wellicht die boven het minimum loon zit en tot heden is er nog niemand die mij de garantstelling kan geven in verband met laag inkomen heeft ook te maken met corona crisis en mensen durven geen garant meer te geven en tot heden nog zoekende naar een kandidaat die überhaupt een garant kan geven. Wellicht is er een schrijven nodig die ik bij de justitiële instellingen, kan inleveren als uitnodiging om de zaak bij te wonen in Nederland de uitnodiging kan gerichten worden naar de heer [betrokkene 2] en de heer [betrokkene 3] zodat ik de toestemming heb om te kunnen reizen. Verder wil ik u aangeven dat deze problemen allen door de Nederlandse OM is ontstaan door het aangeven om mij hier aan te houden door een internationale hulp verzoek als de Nederlandse OM deze verzoek niet intrekt om mij vrij te laten reizen dan kan ik voorlopig niet reizen. Ik hoop dat dit duidelijkheid aangeeft dat ik niet kan reizen om mijn zaak bij te wonen in Nederland
Met vriendelijke groet
[verdachte]’
De raadsman brengt naar voren:
‘Dit e-mailbericht heb ik ontvangen van mijn cliënt. Mijn kantoorgenoot had contact met hem voorafgaand aan deze zitting en heeft hem gesproken. We hadden moeite om hem te bereiken en ik ben dus blij dat we hem zelf gesproken hebben. Uit dit bericht blijkt dat mijn cliënt vandaag niet kan komen terwijl hij wel bij de behandeling aanwezig wenst te zijn. (…)
(…)
De procedure voor visumaanvraag in het kader van gezinshereniging is doorlopen, mijn cliënt werd daarin bijgestaan door een andere advocaat. Er zijn geen recente stukken van. Mijn cliënt moest een borgstelling hebben maar die had hij niet. Hij kan niet aan de garantstellingseis voldoen.
(…)
Ik verzoek het hof (…) de zaak aan te houden op grond van artikel 6 EVRM en het feit dat de Nederlandse Staat zelf de horde voor cliënt creëert om ter terechtzitting aanwezig te zijn.
(…)’
De advocaat-generaal brengt naar voren:
‘(…)
Over de door de raadsman genoemde horde die de Nederlandse Staat zou opwerpen wil ik opmerken dat het één van de voorwaarden is voor het verlenen van een visum dat iemand wordt opgegeven die voor de kosten borg kan staan. Dat is op geen enkele manier bedoeld om de aanwezigheid van de verdachte te belemmeren.
(…)’
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.
‘De vraag die thans voorligt is of de door de raadsman gestelde verhindering van de verdachte om aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak wederom noopt tot aanhouding van de behandeling van de zaak. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat sinds 2015 van de zijde van het Openbaar Ministerie alle mogelijke medewerking is gegeven bij het aanvragen van een inreisvisum door de verdachte. Daartoe is door het Openbaar Ministerie ook contact gelegd met de IND. Daarnaast zijn door de raadsheer-commissaris alle mogelijkheden onderzocht om de verdachte via een rogatoire commissie te horen, dan wel hem via een videoconferentie in de gelegenheid te stellen de zitting bij te wonen. Verder neemt het hof in aanmerking dat het zeker ook op de weg van de verdachte ligt om alles in het werk te stellen om naar Nederland te kunnen afreizen. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte alles daarvoor in het werk heeft gesteld. Niet is gebleken dat door de verdachte een visum voor het bijwonen van de strafzaak is aangevraagd en ook is het niet gelukt om een garantstelling te regelen.
Daarnaast is niet geconcretiseerd welke inspanningen de verdachte heeft verricht of zal verrichten om binnen afzienbare termijn naar Nederland te kunnen afreizen. De conclusie is dan ook dat niet aannemelijk is dat de verdachte binnen afzienbare termijn in de gelegenheid zal zijn om naar Nederland af te reizen. Door de zaak nog langer aan te houden wordt de redelijke termijn nog verder geschonden. Het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling van de strafzaak komt ernstig in gedrang als het hof de behandeling van deze zaak nog langer zal aanhouden.
Inmiddels is dan ook het moment gekomen dat, naar het oordeel van het hof, het strafvorderlijk en maatschappelijk belang — het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling — zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij het uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht.
(…)
De conclusie is dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen. Voorts ziet het hof in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om het Openbaar Ministerie in dit kader niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte te verklaren.
De inhoudelijke behandeling van de zaak wordt dan ook voortgezet.’’
3.
Uw Raad hanteert ten aanzien van verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ter effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte het volgende toetsingskader (vgl. bijv. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896):
‘De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo'n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden — in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte — of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd — ware het juist — in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds — dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan — afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Wanneer zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht — waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen — en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
(…)
De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst.’
4.
Voor zover het hof in verzoekers zaak het verzoek tot aanhouding heeft afgewezen op de grond dat de daartoe aangevoerde omstandigheid niet aannemelijk is geworden, is dat oordeel niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
5.
Het hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker alles in het werk heeft gesteld om vanuit Marokko naar Nederland af te kunnen reizen, omdat, aldus het hof, niet is gebleken dat verzoeker een visum voor het bijwonen van de strafzaak is aangevraagd en het verzoeker, aldus nog steeds het hof, ook niet is gelukt om een garantstelling te regelen.
6.
Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt evenwel dat een garantstelling een voorwaarde is om een visum te kunnen aanvragen (terwijl namens verzoeker onderbouwd is aangegeven dat het hem — ondanks pogingen daartoe — nog niet is gelukt iemand in Nederland te vinden die voor hem garant kan staan). De door het hof aan de afwijzing ten grondslag gelegde omstandigheid dat verzoeker niet een visum heeft aangevraagd kan daarom die afwijzing niet zelfstandig dragen.
7.
Ook de enkele omstandigheid, dat het verzoeker ‘niet is gelukt’ een garantstelling te verzorgen, kan die afwijzing niet dragen. Immers heeft verzoeker gemotiveerd uitgelegd waarom hem dat niet was gelukt, terwijl het hof bij de afwijzing van het verzoek ten onrechte in het midden heeft gelaten waarom verzoekers pogingen om een garantstelling te krijgen niet toereikend zijn voor 's hofs uitgangspunt, erop neerkomend dat een in het buitenland verblijvende verdachte alles in het werk moet stellen om voor de behandeling van een strafzaak Nederland in te kunnen reizen.
8.
In dit licht en in het licht van het procesverloop van de zaak in hoger beroep, is ook de uitkomst van de belangenafweging die het hof vervolgens heeft gemaakt, niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat na 3 juni 2015 de zaak ruim drie jaar en acht maanden heeft stilgelegen, zonder dat het hof heeft vastgesteld dat dit aan verzoeker viel toe te rekenen. Ook de aanhouding van de zaak wegens coronamaatregelen op 23 april 2021, waardoor deze eerst weer bijna anderhalf jaar later, op 5 oktober 2022, werd behandeld kan niet aan verzoeker worden toegerekend. Gelet op deze omstandigheden is het zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat het hof het belang van verzoeker om ter terechtzitting aanwezig te zijn op 5 oktober 2022 ondergeschikt heeft gemaakt aan het belang van (onder meer) de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting van de zaak.
9.
Het arrest is dus niet toereikend met redenen omkleed. Mitsdien kan het niet in stand blijven.
Middel 2
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof het vonnis van de rechtbank ten onrechte heeft bevestigd, nu de rechtbank in dat vonnis (onder 2) op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat verzoeker de tenlastegelegde oplichting heeft medegepleegd.
Toelichting
1.
Het hof heeft — behalve ten aanzien van de oplegging van de straf — het vonnis van de rechtbank bevestigd (en dit op twee punten verbeterd)(zie arrest, p. 7).
2.
De (bevestigde) bewezenverklaring van feit 2 houdt in dat verzoeker:
‘op tijdstippen in de periode van 18 juli 2007 tot en met 23 juli 2007, te [a-plaats] (gemeente [gemeente]), en/of te Moerbeke, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [F]/[F] heeft bewogen tot de afgifte van verreikers, te weten
- —
een verreiker, merk Manitou, serienummer [09] en/of -een verreiker, merk Manitou, serienummer [10], hebbende verdachte en zijn medeverdachten telkens met vorenomschreven oogmerk — zakelijk weergegeven — valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- —
zich tegenover [betrokkene 5] van [F]/[F] voorgedaan als bonafide huurder en
- —
aan die [betrokkene 5] verteld dat zijn bedrijf ([G] BV) deze verreikers twee jaar lang zou gebruiken op een werf op Schiphol en
- —
met die [betrokkene 5] (een) huurcontract voor vooromschreven verreikers opgesteld voor de huur van vooromschreven verreikers voor bepaalde tijd (twee jaar), waardoor [F]/[F] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte (…).’
3.
De rechtbank heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de bewijsoverwegingen, zoals weergegeven in haar promisvonnis onder 4.4.1 (‘De bevindingen en verklaringen in de zaaksdossiers’) en ‘Zaaksdossier 4 Belgisch dossier’ (zie vonnis, p. 5 tot en met 7).
4.
Aan het bewijs heeft de rechtbank onder meer de volgende overwegingen gewijd:
‘Betrokkenheid verdachte
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er, evenals de verdediging, niet van uit dat verdachte de [verdachte] is geweest die in België bij het bedrijf van [betrokkene 5] is geweest en die op [a-plaats] de kranen in ontvangst heeft genomen; dat was medeverdachte [betrokkene 9]. Verdachte heeft bij deze zaak echter wel een rol gespeeld bij het transport naar Marseille van de gehuurde verreikers. Blijkens de verklaring van [H] is het [verdachte] geweest die [H] in juli of augustus 2007 — dat was overigens niet de eerste keer — heeft benaderd voor het transport van de twee verreikers vanaf [a-plaats] naar Marseille en [H] daartoe ook opdracht heeft gegeven. (…).
Medeplegen
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van de voor het bewezen verklaren van medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. [betrokkene 10] heeft samen met zijn medeverdachte [betrokkene 9] onder valse voorwendselen ervoor gezorgd dat [F] bereid was om twee dure machines aan [G] te verhuren. Verdachte is vervolgens degene geweest die het transport van deze verreikers naar Marseille met [H] heeft geregeld. Nu het verkrijgen van de verreikers met geen ander doel plaatsvond dan het transport naar Marokko, concludeert de rechtbank dat sprake was van een vooropgezet plan waar verdachte een aandeel aan had. Derhalve staat de omstandigheid dat verdachte zelf geen contact had met [F] heeft gehad een bewezenverklaring van medeplegen niet in de weg.
(…)
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich in genoemde periode schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van voornoemd bedrijf, zoals ten laste is gelegd onder feit 2 primair.’
5.
Het oordeel, dat verzoeker medepleger is van de tenlastegelegde oplichting, is onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd.
6.
De kwalificatie ‘medeplegen’ is volgens Uw Raad slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637).
7.
Als het strafbare feit niet is uitgevoerd door de verdachte, betekent dat niet dat een nauwe en bewuste samenwerking, op grond waarvan medeplegen kan worden bewezen, niet worden aangenomen. Daartoe dient dan wel te worden vastgesteld dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het feit. Bijvoorbeeld door intensief met de daders samen te werken, deel te nemen in een bepaalde onderlinge taakverdeling, een rol te hebben in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict. Ook kunnen de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip factoren zijn waaraan, in verband met de vraag of medeplegen bewezen kan worden, betekenis toekomt. (Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474.)
8.
Uw Raad heeft op 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 aan deze overwegingen nog het volgende toegevoegd, voor zover van belang:
‘Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.’
9.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker de verreikers niet in ontvangst heeft genomen of enig contact heeft gehad met [F]. De rechtbank heeft blijkens haar bewijsvoering in het geheel niet vastgesteld dat verzoeker enige gedraging heeft verricht tot het [F]/[F] bewegen tot de afgifte van verreikers.
10.
Kortom: de oplichting zelf is blijkens de bewijsvoering niet uitgevoerd door verzoeker.
11.
De rechtbank kon niet de situatie voor ogen hebben waarin de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht: immers blijken uit haar vaststellingen uitsluitend gedragingen van verzoeker van na de uitvoering.
12.
Uit hetgeen de rechtbank over verzoekers rol heeft vastgesteld, namelijk dat hij na de afgifte van de verreikers degene is geweest die het transport naar Marseille heeft geregeld, heeft zij een nauwe en bewuste samenwerking van verzoeker met degenen die de oplichting hebben begaan niet kunnen afleiden. Daaraan doet niet af de overweging dat het verkrijgen van de verreikers met geen ander doel plaatsvond dan het transport naar Marokko, temeer omdat de rechtbank over de verzoekers wetenschap over dit doel voorafgaand of ten tijde van de oplichtingshandelingen niets heeft vastgesteld.
13.
In het licht van het vorenstaande geeft het oordeel van de rechtbank, dat verzoeker de oplichting onder 2 heeft medegepleegd, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is dit oordeel niet begrijpelijk en/of heeft de rechtbank haar vonnis op dit punt niet toereikend gemotiveerd.
14.
Het hof heeft dus in zoverre het vonnis ten onrechte bevestigd.
15.
Het arrest kan mitsdien niet in stand blijven.
Middel 3
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd, nu de rechtbank in haar vonnis (onder 1) op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat verzoeker de tenlastegelegde oplichting heeft medegepleegd.
Toelichting
1.
Het hof heeft bevestigd het vonnis van de rechtbank onder meer voor wat betreft de bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 1. De bewezenverklaring onder 1 luidt dat verzoeker
‘op tijdstippen in de periode van 11 september 2007 tot en met 7 juli 2008, te [b-plaats] en te Amsterdam en te [a-plaats] (gemeente [gemeente]) en te 's‑Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [A] B.V. en [B] B.V. en [C] B.V. en [D] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van verreikers, te weten
- —
een verreiker, merk Manitou, serienummer [01] en
- —
een verreiker, merk Manitou, serienummer [02] en
- —
een verreiker, merk Manitou, serienummer [03] en
- —
een verreiker, merk Manitou, serienummer [04] en
- —
een verreiker, merk Manitou, serienummer [05] en
- —
een verreiker, merk Manitou, serienummer [06] en
- —
een verreiker, merk Jlg, serienummers [08] en/of [08], hebbende verdachte en zijn medeverdachten (telkens) met vorenomschreven oogmerk — zakelijk weergegeven — valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- —
zich tegenover [betrokkene 4] van [C] B.V., die optrad als tussenpersoon tussen hem, verdachte, en [A] B.V. en [B] B.V. voorgedaan als bonafide huurder en
- —
zich tegenover die [betrokkene 4] voorgedaan als eigenaar van een bouwbedrijf ([G] B.V.) dat daken van fabrieken maakte en -aan die [betrokkene 4] verteld dat zijn bouwbedrijf meerdere projecten had waarvoor meerdere verreikers nodig waren en
- —
met die [betrokkene 4] huurcontracten voor vooromschreven verreikers opgesteld en ondertekend voor de huur van vooromschreven verreikers voor bepaalde tijd (driejaar),
waardoor [A] B.V. en [B] B.V. en [C] B.V. en [D] B.V. werden bewogen tot bovenomschreven afgifte (…).’
2.
De rechtbank heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de bewijsoverwegingen, zoals weergegeven in haar vonnis onder 4.4.1 (‘De bevindingen en verklaringen in de zaaksdossiers’) en ‘Zaaksdossier 1 [a-straat 01] te [a-plaats] (zie vonnis, p. 8 tot en met 12).
3.
Aan het bewijs heeft de rechtbank onder meer de volgende overwegingen gewijd:
‘Betrokkenheid verdachte
(…)
De rechtbank gaat er op grond van (…) verklaringen van [betrokkene 14] van uit dat verdachte met name bemoeienis heeft gehad bij het transport van de verreikers, nadat deze door zijn medeverdachte(n) [betrokkene 10] en [betrokkene 9] onder valse voorwendselen waren gehuurd bij [betrokkene 4]/[C] B.V.. [betrokkene 14] heeft namens de firma [N] het vervoer van de verreikers geregeld, (mede) in opdracht van verdachte. Blijkens de verklaringen van [betrokkene 14] deed hij in eerste instantie de meeste zaken met verdachte en zijn de transporten door verdachte en [betrokkene 10] betaald. Verdachte heeft [betrokkene 14] gezegd de naam ‘[betrokkene 8]’ op het douaneformulier in te vullen en alleen met verdachte heeft [betrokkene 14] het adres van [N] in Marseille besproken, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat (ook) verdachte de hand heeft gehad in de faxberichten aan [N] aan [P] over het transport vanuit [b-plaats] (D88-2 en D88-3).
Medeplegen
Voor de vraag of verdachte als medepleger kan worden aangemerkt bij het oplichten van verhuurbedrijven zoals onder feit 1 primair tenlastegelegd, acht de rechtbank van belang dat de oplichting als bedoeld in zaakdossier 4 (het Belgisch dossier) ten tijde van onderhavige oplichting reeds had plaatsgevonden. Dit de verklaringen van [H] in samenhang met met [sic] de verklaring van [betrokkene 13] volgt dat verdachte in juli of augustus 2007 bij Transportbedrijf [H] B.V. is geweest om het transport van de verreikers, die uit België afkomstig waren, te regelen. Dit transport is toen mislukt. Zoals hierna eveneens zal worden overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte in die zaak als medepleger van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] kan worden aangemerkt. De rechtbank gaat er, gelet op de betrokkenheid van verdachte bij het Belgisch dossier, vanuit dat hij wist dat ook de onder dit feit tenlastegelegde de verreikers onder valse voorwendselen waren gehuurd. Voorts is van belang de verklaring van [betrokkene 14] dat hij, toen de oplichting aan het licht was gekomen, contact opnam met verdachte. Dit wijst erop dat verdachte in de samenwerking met zijn medeverdachten kennelijk een ‘flinke vinger in de pap’ had. Op grond van al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de rol van verdachte voldoende significant om medeplegen van oplichting bewezen te achten. (…)
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich in genoemde periode meermalen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van voornoemde bedrijven, zoals ten laste is gelegd onder feit 1 primair.’
4.
Het juridisch kader zoals weergegeven in middel 2, randnummers 6 tot en met 8, is ook van belang voor de beoordeling van onderhavig middel.
5.
Dat geldt eveneens voor de slotsom van dat middel, inhoudend dat terzake feit 2/zaaksdossier 4 het oordeel van de rechtbank, dat verzoeker als medepleger kan worden aangemerkt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is en/of niet toereikend gemotiveerd.
6.
Ten aanzien van feit 1 heeft de rechtbank het medeplegen gegrond op de volgende omstandigheden:
- —
verzoeker wist gelet op diens betrokkenheid bij het Belgisch dossier (ofwel: feit 2/zaaksdossier 4), dat de onder feit 1 tenlastegelegde verreikers onder valse voorwendselen waren gehuurd;
- —
toen de oplichting aan het licht was gekomen, het [betrokkene 14] contact opgenomen met verzoeker, hetgeen erop wijst dat verzoeker in de samenwerking met zijn medeverdachten kennelijk een ‘flinke vinger in de pap’ had.
7.
Het oordeel, dat verzoeker als medepleger van oplichting onder 1 kan worden aangemerkt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is dit oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
8.
Op grond van de feiten en omstandigheden, zoals aangevoerd in middel 2, in het bijzonder de randnummers 9 tot en met 13, is de vaststelling van de rechtbank, dat verzoeker van de onder feit 1 tenlastegelegde verreikers wist dat deze onder valse voorwendselen waren gehuurd, niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
9.
Doch los daarvan: uit de enkele wetenschap van verzoeker over de valse voorwendselen waaronder de verreikers zijn gehuurd heeft de rechtbank niet kunnen afleiden dat verzoeker dusdanig bewust en nauw heeft samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken. In het bijzonder blijkt daaruit niet waarom verzoekers bijdrage van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
10.
In verband met deze vaststelling heeft de rechtbank betekenis toegekend aan het feit dat [betrokkene 14] contact opnam met verzoeker toen de oplichting uitkwam. Dat is — zonder nadere motivering — onbegrijpelijk. Blijkens de bewijsvoering van de rechtbank was [betrokkene 14] echter louter betrokken bij het transport van de verreikers, dat na de afgifte daarvan heeft plaatsgevonden.
11.
In het licht van deze omstandigheden getuigt het oordeel van de rechtbank, dat verzoeker de onder 1 ten laste gelegde oplichting heeft medegepleegd, van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is dat oordeel onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
12.
Het hof heeft mitsdien het vonnis van de rechtbank in zoverre ten onrechte bevestigd. Zijn arrest kan niet in stand blijven.
Middel 4
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onbegrijpelijke en/of niet toereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat bij de bepaling van de hoogte van de opgelegde geldboete rekening is gehouden met verzoekers draagkracht.
Toelichting
1.
Het hof heeft verzoeker een geldboete opgelegd van € 4.000 (bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis) waarvan € 2.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met eveneens een proeftijd van twee jaar. Daartoe heeft het — voor zover van belang voor dit middel — het volgende overwogen:
‘Het hof is van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld. Met de rechtbank is het hof alles afwegende — en rekening houdend met de schending van de redelijke termijn bij de berechting in eerste aanleg — van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een passende en geboden reactie vormt.
Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ook in hoger beroep is overschreden, nu de berechting niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren, gelet op het feit dat namens de verdachte op 22 april 2014 hoger beroep is ingesteld en het eindarrest op 19 oktober 2022 — te weten circa 8 jaren en 6 maanden later — is gewezen. Hoewel deze forse overschrijding niet volledig aan justitie te wijten is, zal het hof deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin, dat in plaats van de overwogen gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, een deels voorwaardelijke geldboete van na/te melden hoogte in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur zal worden opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.’
2.
Tegen verzoeker is verstek verleend. Niet heeft het hof derhalve op grond van het verhandelde ter terechtzitting de draagkracht van verzoeker kunnen vaststellen. Daarvan blijkt ook niet.
3.
Aldus is 's hofs oordeel, dat met de draagkracht van verzoeker rekening is gehouden, niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd. Het arrest kan dientengevolge niet in stand blijven.
4.
Daarbij verdient opmerking dat het hof verzoekers draagkracht als een voor de straftoemetingsbeslissing relevante omstandigheid heeft aangemerkt. Verzoeker heeft daarom belang bij cassatie.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. W.H. Jebbink, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Amsterdam, 23 februari 2023,
W.H. Jebbink