Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.4.4
VII.4.4 Consequenties voor de betekenis van de bewijsdimensie
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600907:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover hierna § VII.7.4 en 7.5.
Dat en waarom bewijsrisico, bewijsmaatstaf en bewijsvoeringslast zich niet altijd messcherp van elkaar laten onderscheiden, kwam ook reeds aan bod in § III. 3.4.
Zie hfdst. III., i.h.b. § 3 en 4.
§ V.8 en 9.
De tekst van art. 6 lid 2 van de richtlijn is op dit punt duidelijk: “any doubt as to the question of guilt is to benefit the suspect or accused person, including where the court assesses whether the person concerned should be acquitted”. Dat met het laatste zinsdeel vermoedelijk op excepties is gedoeld, kwam aan bod in § V.5.
§ III.4.2 en III.4.4.
§ III. 5.3; § V.5.
Hoewel het voor zowel de officier van justitie als voor de verdediging verstandig kan zijn de zittingsrechter in diens feitenonderzoek te ondersteunen, is het in beginsel weinig vruchtbaar in dit verband te spreken van bewijsvoeringslasten. Wanneer het voor de verdachte verstandig is of zelfs noodzakelijk zich actief in de waarheidsvinding te mengen, laat zich niet goed vaststellen. De reden daarvoor is niet dat de noodzaak tot het aandragen van standpunten en feitenmateriaal nooit bestaat, maar dat die last doorgaans niet is afgebakend en niet volledig en exclusief op de verdachte rust.
Wat zich echter wél voor nader onderzoek leent, is de vraag wie bij welke tussenstand in het waarheidsvindingsproces de procedure zal ‘verliezen’. Dat is in wezen een combinatie van de vragen ‘wie verliest bij rechtens relevante twijfel?’ (het bewijsrisico) en ‘hoeveel twijfel is rechtens doorslaggevende twijfel?’ (de bewijsmaatstaf). Hoewel de verdachte in strafzaken nooit ‘aan zet’ kan zijn in zo absolute zin als in het civiele proces, kan hij wel ‘op verliezen’ staan, waarbij het raadzaam is te pogen twijfel te zaaien over hetgeen te zijnen nadele dreigt te worden vastgesteld. Ook kan de verdachte zijn zwijgzaamheid en het gebrek aan een door hem geschetst alternatief scenario onder bepaalde voorwaarden worden tegengeworpen.1 In zoverre kan een en ander de situatie van een op de verdachte rustende bewijsvoeringslast toch enigszins benaderen.2
Hierna zal de Nederlandse feitenvaststelling in strafzaken vanuit dat meer gecombineerde perspectief worden doorgelicht. Voornamelijk zal worden nagegaan in hoeverre de verdeling van risico’s het geschil over een feitelijke kwestie te ‘verliezen’ overeenstemt met de theoretische inhoud van de bewijsdimensie.3 De algemene overwegingen van de met het toezicht op de naleving van het EVRM en IVBPR belaste organen sluiten op die theoretische inhoud immers aan, terwijl hun casuïstische rechtspraak nauwelijks grenzen stelt (EHRM) of tot op heden weinig uitgekristalliseerd is (VN Mensenrechtencomité).4
Spanning met de onschuldpresumptie bestaat vanuit dit meer gecombineerd perspectief in de volgende drie situaties. Ten eerste wanneer het recht toestaat dat strafbaarheid berust op ten nadele van de verdachte aangenomen feiten, terwijl over die feiten redelijke twijfel bestaat. Die feiten zijn dan immers niet bewezen beyond reasonable doubt. Ten tweede staat het op gespannen voet met het onschuldvermoeden om voor het aannemen van feiten ten gunste van de verdachte meer te verlangen dan dat redelijke twijfel over de afwezigheid van die feitenvoorstelling bestaat. Met andere woorden: in beginsel moet voor een vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging voldoende zijn dat de feitenvoorstelling serieus tot de mogelijkheden behoort. Vereist men meer zekerheid, dan dreigt immers ook in deze tweede situatie veroordeling ondanks reasonable doubt.5 Zowel de eerste als de tweede situatie strijden met de primaire grondslag voor de bewijsdimensie, want in beide dreigt een veroordeling ondanks redelijke twijfel. Ten derde zou het vanuit het perspectief van de onschuldpresumptie bezwaarlijk zijn wanneer voor de verdediging weliswaar volstaat redelijke twijfel te zaaien, maar de verplichting daartoe ontstaat zonder dat de overheid reeds voldoende wezenlijks ten nadele van de betrokkene heeft bewezen. Dan dreigt dan wel geen veroordeling ondanks redelijke twijfel, maar een en ander strookt niet met de rechtsstatelijke verplichting van de overheid om de juistheid van beschuldigingen te demonstreren en doet afbreuk aan het zwijgrecht.6
Aangezien het bereik van de bewijsdimensie is beperkt tot de waarheidsvinding ten aanzien van de materiële strafbaarheidsvoorwaarden, gaat het grofweg alleen om feitenvaststelling met betrekking tot de eerste drie hoofdvragen van artikel 350 Sv.7 Hierna zal dan ook afzonderlijk nader worden ingegaan op het bewijs van een tenlastegelegd feit (§ 5) en op de feitenvaststelling met betrekking tot de elementen en daarmee corresponderende excepties (§ 6).