Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.4.3
VII.4.3 Bewijsvoeringslast in het Nederlandse strafproces
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597483:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In dat verband zijn nog steeds actueel de beraadslagingen over het huidige Wetboek van Strafrecht in 1881 en met name de opmerkingen van toenmalig MvJ Modderman, zie Handelingen II 1880/81, vel 75, p. 289.
De civiele rechter heeft enige mogelijkheden om nadere informatie over de feiten in te winnen en zodoende zijn onderzoek naar de werkelijkheid enigszins te sturen. Hij kan bijvoorbeeld een comparitie gelasten en partijen indringende vragen stellen. Zie Borgers & Kristen 1999, p. 871; Dammingh 2009.
Zie over die mededelingsplichten in het civiele recht bijvoorbeeld: Giesen 2002; Klaassen 2002.
Zie Giesen 2002, p. 91-92; Asser 2004, p. 42; Schuurmans 2005, p. 26-27.
Zo ook Prütting 1983, p. 36-39; Koopman 1996, p. 27.
In hun pleidooi voor het bestaan van een bewijsvoeringslast leggen Borgers & Kristen sterk de nadruk op het bestaan van deze praktische noodzaak tot het leveren van tegenbewijs, zonder dat tegendeelbewijs hoeft te worden geleverd. Denk voor de verdachte aan het beroep op een meer en vaart-scenario of een strafuitsluitingsgrond.
Reijntjes 2014a.
Zo ook Borgers & Kristen 1999, p. 872-873. Tegen het gebruik van dat correctiemechanisme bestaat overigens geen bezwaar, zolang de rechter daarmee geen vooringenomenheid verraadt, zie daarover De Weerd 2013. Ook de gelijkheid van wapenen kan zich wellicht in een bijzonder geval tegen al te intensieve rechterlijke bijstand aan het OM verzetten, zie Bertrand & Crijns 2014, i.h.b. p. 452. Dat de onschuldpresumptie zich niet verzet tegen ex officio waarheidsvinding, kwam aan de orde in § III.3.5; § V.8.1.
Vgl. in dezelfde zin uitgebreid Nijboer 2011, p. 159-163, i.h.b. p. 160. In een geval van een ondermaats dossier waarvan behandeling alleen maar tot een evidente vrijspraak kon leiden, kwam de rechtbank in Overijssel zelfs tot niet-ontvankelijkheid, Rb. Overijssel 1 oktober 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:5167.
Schuurmans 2005, p. 42 onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Awb.
Schuurmans 2005, p. 41-44.
Een belangrijke aanzet in die richting gaf het onderzoeksproject Strafvordering 2001, zie Groenhuijsen & Knigge 2001, p. 29-37; Groenhuijsen & Knigge 2004, p. 79. Dat uitgangspunt werd door de MvVenJ nog onderschreven in de aanbiedingsbrief bij de Contourennota Modernisering WvSv, p. 7.
Anders: Dreissen 2004, p. 805; Borgers & Kristen 2005, p. 576; Franken 2006, p. 28.
Zo ook Fokkens 2005; Van Dorst 2015, p. 306; Reijntjes, annotatie bij: HR 3 juli 2012, NJ 2012, 521.
Het bestaan van bewijsvoeringslasten in het strafrecht ligt gecompliceerder. De bewijsvoeringslast ziet in het civiele recht op de vraag wie informatie vergaart en aanvoert. Zowel voor de officier als voor de verdachte kan het praktisch noodzakelijk zijn informatie te vergaren, omdat de procesdeelnemer op dat moment op het punt staat de procedure te verliezen. Zij dragen die verantwoordelijkheid echter nooit alleen, maar altijd samen met in elk geval de rechter en in het geval van de verdachte ook samen met de officier van justitie. De vraag is in het strafrecht in theorie dan ook eerder wat aangevoerd en bewezen moet worden. Het antwoord op de vraag wie dat moet doen, luidt namelijk telkens: wie dan ook.1
Ook in het civiele recht en het bestuursrecht, dat op de glijdende schaal tussen partijautonomie en rechterlijke activiteit ergens tussen het strafrecht en het civiele recht in staat, bestaan rechterlijke onderzoeksmogelijkheden (vgl. de actieve strafrechter)2 en mededelingsplichten van partijen (vgl. de plicht van het Openbaar Ministerie tot bewijsvoering à décharge).3 Zij worden in de literatuur terecht nadrukkelijk beschouwd als verlichtingen van de bewijsvoeringslast.4 Omdat de plicht tot waarheidsvinding van zowel het Openbaar Ministerie als de zittingsrechter in beginsel onbeperkt is, is het in het strafrecht dan ook niet mogelijk op dezelfde wijze als in het civiele recht (of het bestuursrecht) te spreken van een bewijsvoeringslast.5
Dat neemt niet weg dat voor het Openbaar Ministerie en de verdediging de praktische noodzaak kan bestaan de rechter bij diens feitenonderzoek te helpen.6 De strafrechter beschikt niet over de wetenschap, (dwang)bevoegdheden en vooral zittingscapaciteit om alles te onderzoeken. Er is – in de woorden van Reijntjes – sprake van een wisselwerking tussen de procesdeelnemers:
“In het strafproces is […] sprake van dynamiek, van wisselwerking, zo niet samenspel, tussen rechter, Openbaar Ministerie en verdediging. Het is vooral deze dynamiek waaraan de rechter zijn ‘programma’ ontleent. Hij moet zich weliswaar ook ambtshalve vergewissen van de deugdelijkheid van het gepresenteerde bewijsmateriaal, maar wanneer de partijen zwijgen kan dat onderzoek alleen maar globaal zijn, en zal het zich beperken tot de vraag of reden bestaat voor een meer diepgravende beschouwing.”7
Deze dynamische wisselwerking brengt mee dat de rechterlijke onderzoeksplicht op de bewijsvoering door de officier van justitie hooguit een correctiemechanisme vormt.8 De officier die tot vervolging besluit, zal de in de tenlastelegging neergelegde beschuldiging hard moeten maken. Schiet hij daarin aanzienlijk tekort, dan zal hij niet op al te veel rechterlijke hulp hoeven rekenen. Een officier van justitie die zonder dossier maar met een verdachte voor de rechter verschijnt, mag ernstig rekening houden met een vrijspraak.9 Het is in beginsel wel degelijk de officier van justitie die het bewijs à charge dient te vergaren.
Voor de verdachte geldt dat in aanzienlijk mindere mate. Net als in het bestuursrecht10 zal de rechter zijn onderzoeksmogelijkheden vooral benutten waar tussen de partijen een ongelijkheid bestaat en hij het nodig acht de kwetsbare partij enigszins in bescherming te nemen. Dat zal vrijwel steeds de verdachte zijn. Een en ander betekent echter niet dat de verdedigingskeuze passief te blijven geen risico’s en gevaren met zich brengt. Schuurmans’ relativeringen van de ambtshalve verantwoordelijkheid van de bestuursrechter gelden wat dat betreft ook de strafrechter: de rechter kan niet naar alles eigen onderzoek doen en zijn eigen onderzoek levert niet altijd op wat partijen hadden kunnen aandragen.11 Een efficiënte benutting van de zittingscapaciteit en de wens daarbij vooral tijd vrij te maken voor de problemen die er toe doen, hebben ervoor gezorgd dat het vizier van wetgever en (cassatie)rechter zijn gericht op een meer contradictoir geding, waarbij de aandacht gaat naar die vragen waarover de partijen verdeeld zijn. In sterk toenemende mate wordt daardoor verwacht dat de verdediging op een alerte en actieve wijze wordt gevoerd en zo die problemen die er toe doen agendeert.12 De aard en het kaliber van het onderzoek naar de feiten hangt aldus voor een groeiend deel af van de kwaliteit van het door de verdediging gevoerde weerwoord. Daarom zal zich regelmatiger een situatie voordoen waarin de verdachte er verstandig aan doet informatie aan te dragen omdat hij anders zal worden veroordeeld. In bijvoorbeeld de rechtspraak van de Hoge Raad over medeplegen en over witwassen, toont zich dat.
Desondanks blijft het in het algemeen problematisch om in het strafproces van bewijsvoeringslasten te spreken. In het algemeen laat zich namelijk niet vaststellen wanneer het aandragen van bewijsmateriaal verstandig of zelfs noodzakelijk is. In welke gevallen en in welke mate de rechter verantwoordelijkheid neemt voor de verzameling van het feitenmateriaal, schrijft het recht niet voor. De rechter hanteert zijn bevoegdheden grotendeels naar eigen inzicht. Aan de grondigheid van het ambtshalve onderzoek stelt het recht geen duidelijke eisen. Zij vallen ook niet af te leiden uit de al dan niet bestaande verplichting op een verweer te reageren.13 Schiet de verdediging tekort in de onderbouwing van een verweer dan ontslaat dat de rechter van de plicht op dat verweer te reageren en van onderzoek daaromtrent in zijn vonnis blijk te geven. Van zijn eigen verantwoordelijkheid dat onderzoek zo nodig te doen, is hij echter nimmer ontheven.14