Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/6.2
6.2 Het expertiserapport
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS355872:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De processuele mededelingsplicht is nader uitgewerkt in de zgn. substantiërings- en bewijsaandraagplicht (ex art. 111 lid 3 Rv) en de vereisten waaraan de conclusie van antwoord dient te voldoen (ex 128 lid 5 Rv).
Zie in die zin ook de uitspraken RvT III-85/43 en III-85/44. Niet steeds leidde het niet toezenden tot het oordeel dat de goede naam van het verzekeringsbedrijf geschaad was (RvT I-92/30, V-92/32, II-95/33). Doorslaggevend werd daarbij (vanzelfsprekend) geacht of de motivering de door de verzekeraar genomen beslissing kon dragen.
RvT 2000/040 Mo en 2000/64 Mo (Vaste rechtspraak van de Raad is dat een verzekeraar een expertiserapport waarop hij zich ten opzichte van een verzekerde beroept, steeds in beginsel ter kennis van die verzekerde dient te brengen) alsook RvT 2003/72 Br (Verzekeraar was inderdaad gehouden het onderzoeksrapport aan klaagster toe te zenden, zoals de Raad eerder heeft beslist in zijn uitspraak 2001/24 WA).
Dat onderscheid wordt in ander verband, te weten in het kader van de hierna in de hoofdtekst genoemde exhibitieplicht ex 843a Rv, ook gemaakt door de rechtbank Rotterdam in haar vonnis van 19 mei 2004, NJ F 2004, 526. Een onafhankelijke derde (notaris) is in deze zaak uiteindelijk aangewezen om het expertiserapport te schonen van de beschouwingen, adviezen e.d. van de expert. Zie Linsen in zijn noot bij genoemde uitspraak in JBPr 2004, nr. 77.
Ook de Raad van Toezicht lijkt ruimte te laten voor de gedachte dat niet steeds en niet alle delen van een rapport hoeven te worden overgelegd, zoals blijkt uit RvT 2000/64 Mo. In de betreffende zaak was aan de orde de claim ter zake van diefstal van een auto, bij de afwikkeling waarvan de verzekeraar de aannemelijkheid van de beweerde diefstal in twijfel trok. Verzekeraar had het rapport van de expert aan klager onthouden met een beroep op het zeer vertrouwelijke karakter van de informatie daarin. De Raad van Toezicht oordeelt daarover: 'De Raad is van oordeel dat de bevindingen van de expert niet van dien aard zijn dat klager daarvan geen kennis zou mogen nemen'.
RvT 2007/065 WA. Aangetekend zij dat in deze zaak de Raad in zijn overweging helaas heenstapt over het door het slachtoffer (patiënt van het ziekenhuis) aangevoerde argument dat een intern advies externe werking krijgt wanneer de dossierbehandelaar zich daarop tegenover derden (zoals in casu de patiënt) beroept. Ook ik zal hier in het kader van dit boek niet op ingaan. Zie over deze uitspraak J.H. Wansink, 'Het schaderegelingsproces in verzekeringsrechtelijke verhoudingen. De spelers en hun spelregels' in Ius Communebundel 2008 (nog niet verschenen). Zie verder RvT 2006/009 WA.
Zie voor een bespreking van een verzekeringsrechtelijke zaak waarin van deze bevoegdheid gebruik gemaakt werd - zij het dat deze procedure zag op afgifte van de polis - Hof 's-Gravenhage 20 mei 2003, rolnr. 03/380 KG, spoedappel (n.g.), te kennen uit N. van Tiggele-van der Velde, AV&S 2003, p. 221-222. Vgl. recent - de vordering op basis van 843a Rv afwijzend - Rb. Zutphen 9 mei 2007, LJN BB1491.
Zie over de exhibitieplicht in breder verband J.E. Bosch-Boesjes 2002 (T&C Rv), art. 843a Rv, aant. 1 e.v., alsook de hiervoor genoemde uitspraak van de Rb. Rotterdam van 19 mei 2004. Bij gebreke van bewijsrechtelijke aanknopingspunten ga ik daar hier niet nader op in.
Hoewel het strikt genomen op de weg van de verzekerde ligt om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zich een risico heeft voorgedaan waartegen de verzekering dekking biedt, is de verzekeraar in deze eerste fase dus ook zelf actief betrokken bij de vaststelling van hetgeen zich heeft afgespeeld. Eerst op het moment dat de verzekeraar mede op basis van het expertiserapport een beslissing heeft genomen over de vraag of en zo ja, tot welk bedrag hij dekking zal verlenen en de verzekerde zich in de genomen beslissing niet kan vinden, zullen bewijsrechtelijke aspecten aan de orde komen.
In deze fase speelt de onderbouwing van de beslissing door de verzekeraar dan ook een belangrijke rol. Het geven van inzicht in de factoren en omstandigheden die bij die beslissing een rol hebben gespeeld, immers, zal geschillen daaromtrent kunnen voorkomen. Het (uit eigen beweging) overleggen van het expertiserapport zal daarbij een belangrijk instrument kunnen vormen (zie hieronder). Dat is bovendien in lijn met de processuele mededelingsplichten1 ex art. 21 en 22 Rv, op grond waarvan partijen verplicht zijn om de feitelijke inhoud en de omvang van de zaak aan te geven, en ook met de bedoeling achter die bepaling om in een zo vroeg mogelijk stadium het geschil tussen partijen helder te krijgen: 'partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren'.
Het (uit eigen beweging) overleggen van het expertiserapport
Het lijkt goed om op deze plaats nader aandacht te besteden aan de vraag of het expertiserapport steeds overgelegd dient te worden. De vraag speelt vanzelfsprekend uitsluitend bij de eerste gehele of gedeeltelijke afwijzing van de aanspraak op dekking. Voornamelijk in dat geval, immers, zal verzekerde overtuigd moeten worden door de door de expert gehanteerde motivering en speelt voor hem, verzekerde, de vraag of deze motivering de (gedeeltelijke) afwijzing kan dragen. Bovendien geeft de overlegging de wederpartij de gelegenheid om adequaat te kunnen reageren op die afwijzing en - indien en voor zover dat niet alsnog tot overeenstemming leidt -zijn kansen in een procedure te kunnen inschatten.2 Overlegging - uit eigen beweging - aan de verzekerde die aanspraak op dekking onder de polis maakt, dan wel - in het kader van een aansprakelijkheidsverzekering - aan de gelaedeerde derde dient in die gevallen derhalve tot uitgangspunt genomen te worden.
Dat is ook conform de vaste rechtspraak van de Raad van Toezicht Verzekeringen. Zie de uitspraak van de Raad van Toezicht van 2 april 2001:
'De Raad is (...) van oordeel dat het uit een oogpunt van handhaving van de goede naam van het verzekeringsbedrijf gewenst is dat een verzekeraar een in zijn opdracht vervaardigd rapport van expertise met betrekking tot een schade waarvoor zijn verzekerde aansprakelijk is gesteld, steeds - derhalve ook ongevraagd - aan de betrokken wederpartij doet toekomen. Dit geldt temeer nu, zoals hiervoor al is overwogen, uit het rapport blijkt dat een medewerker van de verzekerde (een woningstichting) al vóór het evenement had geconstateerd dat de afvoerleiding in de flat van klaagster niet was afgedopt en dat daaruit afvalwater was gestroomd. Dit feit is klaagster pas na lezing van het expertiserapport bekend geworden. Door niet eigener beweging het rapport toe te zenden heeft verzekeraar de goede naam van het verzekeringsbedrijf geschaad'.3
Een uitspraak die weliswaar ziet op een geschil over aansprakelijkheid, maar in latere uitspraken heeft de Raad van Toezicht dit oordeel ook bevestigd in klachten waaraan onder meer een cascoverzekering voor motorrijtuigen, respectievelijk een brandverzekering ten grondslag lagen.4
De Raad lijkt hier een ruim standpunt in te nemen, in die zin dat uit de overwegingen het beeld naar voren komt dat steeds en te allen tijde het gehele rapport overgelegd dient te worden. Gelet op het belang echter, dat voor de verzekeraar als opdrachtgever bestaat om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van een partijexpert gebruik te maken, lijkt het mij alleszins gerechtvaardigd dat deze verplichting tot overlegging van de rapportage uitsluitend ziet op het feitelijk/vaststellend deel van de rapportage en niet op de zuiver adviserende - en dus subjectieve(r) - delen van het rapport.5 Deze nuancering in de toepassing van het door de Raad gegeven oordeel lijkt ook aan te sluiten bij de opbouw van de overwegingen van de Raad, waarbij het ontbreken van feitelijke informatie (als door mij hiervoor gecursiveerd) als extra argument voor het overleggen van het rapport gebruikt wordt.6 Meer uitgesproken over dit verschil in rapportage is de Raad in een recente uitspraak in een geschil over de aansprakelijkheid van het ziekenhuis tegenover een derde. De Raad oordeelde in die zaak verdedigbaar het standpunt van verzekeraar dat hij niet gehouden was om een advies van zijn medisch adviseur, dat voor interne advisering aan de scha-debehandelaar bedoeld was, aan de (belangenbehartiger van) de gelaedeer-de derde over te leggen. De Raad overweegt aldus:
'De Raad acht verdedigbaar het standpunt van verzekeraar dat hij niet gehouden is om het medisch advies van zijn medisch adviseur aan zijn schadebehandelaar omtrent het medisch handelen van de behandelend arts aan de belangenbehartiger van het slachtoffer over te leggen, maar dat dit advies slechts bestemd is voor (mondelinge en/of schriftelijke) interne advisering aan de schadebehandelaar van verzekeraar. Door het innemen van dit standpunt en op basis daarvan het door zijn medisch adviseur uitgebrachte schriftelijke medisch advies niet te verstrekken aan de belangenbehartiger van klager, maar dit advies te verwerken in de brief van 29 augustus 2006 van de schadebehandelaar aan deze belangenbehartiger (waaromtrent de medisch adviseur later heeft verklaard dat deze brief overeenstemt met het door hem gegeven interne schriftelijke advies), heeft verzekeraar de goede naam van het verzekeringsbedrijf niet geschaad.'7
Indien en voor zover de rapportage, waarvan de verzekerde in de regel weet of vermoedt dat deze opgesteld is, door verzekeraar niet afgegeven wordt, kan deze onder voorwaarden door verzekerde gevorderd worden ex art. 843a Rv.8 Het is dan aan de rechter om te beoordelen of en in hoeverre een eventuele weigering tot afgifte door de verzekeraar gerechtvaardigd is.9