Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/10.2.3
10.2.3 Het in de polis opnemen van preventieve garanties
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS354684:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In Engeland spreekt men van 'promissory warranties'.
Omschrijving ontleend aan Mendel in zijn annotatie onder HR 20 oktober 2000, NJ 2001, 120(Bicak-Aegon), die op dit punt verwijst naar de Engelse omschrijving: 'a promissory warranty, that is to say, a warranty by which the assured undertakes that some particular thing shall or shall not be done, or that some condition shall be fulfilled, or whereby he affirms or negatives the existence of a particular state of facts'.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 395.
Zie ook Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 395. In die zin is onjuist Rb. Amsterdam 12 oktober 1988, S&S 1992, 11, waarin de rechtbank overweegt dat de verzekeringsbedingen geen sanctie behelzen op de niet-naleving van de garanties en vervolgt: 'Indien ontbinding van de verzekeringsovereenkomst het beoogde - voor een verzekerde verstrekkende - rechtsgevolg daarvan zou zijn, hadden Assuradeuren dit uitdrukkelijk in de polis of in de Algemene Voorwaarden moeten vermelden'.
Zie voorts over onduidelijkheid omtrent de kwalificatie van een overeenkomstige bepaling in andere zin HR 9 juni 2006 (valschermzweeftoestel), NJ 2006, 326, waarin door de Hoge Raad nadrukkelijk onderscheid gemaakt wordt tussen de garantieclausule en een polisbeding in de vorm van een primaire dekkingsomschrijving. Zie over dit arrest Blom, AV&S 2007, nr. 20, die fraai inzicht geeft in het verschil in bewijsrechtelijke benadering van de beide soorten bepalingen. Zie hierover ook nader onder 7.2.4 (onder het kopje 'De bijzondere clausules (garanties/warranties) tot slot').
Hof Amsterdam 6 november 1986, S&S 1988, 47.
Hof Amsterdam 6 november 1986, S&S 1988, 47.
Als steeds - in het verlengde van het 'wederzijds vertrouwen-beginsel' - is bij de uitleg de letterlijke tekst niet doorslaggevend. Dat is ook zo in de situatie zoals deze bijvoorbeeld bij het Big Bananas-arrest speelde: daarin was boven de overeengekomen clausule opgenomen dat het om een 'Garantie' zou gaan, terwijl de betreffende clausule toch niet anders dan uitgelegd kon worden als een risicowijzigingsclausule als door mij hiervoor onder 10.2.2 besproken. Zie hierover ook Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 395 en AG Asser in zijn annotatie voor HR 19 januari 1990, NJ 1990, 780(Amfas/Big Bananas), m.nt. MMM. Zie voor uitleg eveneens Hof Amsterdam 27 april 2006, NJ F 2006, 414 en Rb. Amsterdam 14 juni 2000, S&S 2004, 128 (over de invulling van een garantie aan de hand van de eigen gebruiken van de betreffende handel).
In dezelfde zin voor Engeland MacGillivray 1997, nr. 10-83, Colinvaux 1997, nr. 6-14 en Clarke 1997, nr. 20-6A.
Hof Amsterdam 6 november 1986, S&S 1988, 47, r.o. 4.16.
Ontleend aan HR 20 oktober 2000, NJ 2001, 120 (Bi^ak -Aegon), m.nt. MMM.
Illustratief is de volgende rechtsgevolg bepalende omschrijving: 'Indien verzekerde in gebreke is aan vorenbedoelde verplichting(en) te voldoen, verliest hij alle recht op schadevergoeding, tenzij verzekerde bewijst dat er geen causaal verband is tussen de ontstane schade en het niet voldoen aan deze verplichting(en).'
Het arrest is, zoals ik in de hoofdtekst aangeeft, het sluitstuk van een ontwikkeling, omdat zij in de tijd volgt na Modehuis La Comtesse en Modalfa. In het eerste arrest (HR 22 mei 1992, NJ 1993, 381, m.nt. MMM) was als regel neergelegd dat niet vereist was dat tussen het ontbreken van de voorzieningen en de ontstane schade causaal verband bestaat; voldoende was dat de (niet nageleefde) voorziening gericht was tegen het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt. Onder invloed van het Modalfa-arrest (HR 19 mei 1995, NJ 1995, 498), waarnaar de Hoge Raad ook met zoveel woorden verwijst (zie voor een inhoudelijke weergave van dit arrest hiervoor onder 10.1.2), is thans de hoofdregel dat causaliteit wél een rol speelt: ingeval er géén causaal verband is tussen het niet-naleven van de in de clausule omschreven verplichtingen en het risico zoals zich dit heeft verwezenlijkt, kan een beroep op de clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Met Blom 2006, p. 346 en Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 395, ben ik van oordeel dat het 'uit oogpunt van preventie hebben van enig nut' niet langer voldoende is om een beroep op verval te rechtvaardigen. Zie ook Blom in AV&S 2001, p. 45 e.v.
In het oude Duitse recht (par. 32VVG oud) vielen deze garanties onder de omschrijving van zgn. 'Vorbeugende Obliegenheiten', waarop par. 6 abs 2 VVG oud van toepassing was. Daarin werd een causaliteitsvereiste gesteld: '(...) so kann sich der Versicherer auf die vereinbarte Leistungsfreiheit nicht berufen, wenn die Verletzung keinen Einfluss auf den Eintritt des Versicherungsfalls oder den Umfang der ihm obliegenden Leistung gehabt hat.' De bewijslast ter zake rust op de verzekeringnemer, aldus BGH 13 november 1996, VersR. 1997, p. 485. Zie daarover uitvoering Prölls/Martin 2004, p. 165 e.v. en 376 e.v. als ook Feunekes diss. 2001, p. 228 e.v. Een overeenkomstige regeling ontbreekt in het VVG 2008. Anders het huidige Engelse recht. Zie kritisch hierover het Joint Consultation Paper van 17 juli 2007 van The Law Commission and Scottish Law Commission: 'Where a policyholder gives a warranty about future actions, any breach will discharge the insurer from further liability, even for claims that have no connection with the breach. For example, where a poli-cyholder warrants to maintain a burglar alarm, under strict law any failure will discharge the insurer from liability, not only for burglary (which might be expected), but also for flood or any other kind of damage. This continues to be the case even after the alarm has been mended.' Voorgesteld wordt onder meer een aanpassing op grond waarvan 'the consumer should be entitled to be paid a claim if they can prove on the balance of probabilities that the event or circumstances constituting the breach did not contribute to the loss.'
Een duidelijk voorbeeld van een (veel) te ruim beroep door verzekeraar op niet-nakoming van een garantie, is dat waarin de verzekeraar zich erop beroept dat geen poederblusser aanwezig was, terwijl de geclaimde schade veroorzaakt was door inbraak: Hof Den Haag 3 februari 1988, S&S 1989, 24, waarin het hof op dit punt overwoog: 'Nu plaatsing van de blusser duidelijk verband hield met brandschade, behoefde [verzekeringnemer] uit de brief niet te begrijpen dat bij niet-plaatsing van de blusser ook inbraakschade, waarvoor de voorwaarde niet was bedoeld, niet gedekt was.' Zie ook Rb. Amsterdam 14 november 1984, S&S 1985, 125 over een garantie: 'De ratio van dit beding, dat kennelijk bedoeld is om de verzekeraar te ontlasten van het bewijs van risicoverzwaring, brengt mee dat de verzekeraar de in verband daarmee bedongen bevoegdheid om uitkering te weigeren niet te goeder trouw aanwendt als - zoals in casu - vaststaat dat er geen causaal verband is tussen de schade en (mogelijke) niet-nakoming van een garantie.' en Rb. Rotterdam 11 mei 1984, S&S 1985, 59.
Langemeijer in zijn conclusie voor HR 27 oktober 2000, NJ 2001, 120(Bicak-Aegon), m.nt. MMM, nr. 2.11.
Een deskundige is door de rechter benoemd in de zaak die heeft geleid tot HR 5 december 2003, NJ 2004, 74. De zaak is uiteindelijk aan de Hoge Raad voorgelegd omdat de feitenrechter in twee instanties de zienswijze van de door hem benoemde deskundige niet volgt, zonder dit oordeel van een zodanige motivering te voorzien, dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
De derde door de verzekeraar op polisniveau - met name bij zaakverzekeringen - gehanteerde methode om het risico te kunnen (blijven) beheersen, voorziet in het opnemen van zogenaamde gevaarbeperkende garanties.1Het betreft hier, anders bij de twee hiervoor besproken 'methoden' niet een 'verplichting' voor de verzekerde om een verzekerd risico onder de dekkingsomschrijving te houden, resp. tot melding van een wijziging daarvan (op straffe van verlies van dekking), maar een toezegging van de verzekeringnemer op enig punt, waarvan de verzekeraar zijn dekkingsbereidheid afhankelijk heeft gesteld.2 In de literatuur wordt steeds het aansprekende voorbeeld gebruikt het gebod om te werken met metalen in plaats van plastic afvalemmers of asvangers. In juridische zin hebben deze gevaarbeper-kende garanties het karakter van een ontbindende voorwaarde in de zin van art. 6:22 BW, die - indien de polisvoorwaarden niet anders bepalen - bij het intreden van een in de desbetreffende bepaling bedoelde, gevaarverho-gende omstandigheid de verbintenis van de verzekeraar doen vervallen.3Dat geldt zowel ingeval de polisvoorwaarden dat met zoveel woorden aangeven, alsook in de situatie waarin enig rechtsgevolg aan de gevaarbeper-kende voorwaarde niet vermeld wordt.4
De voorvraag: heeft verzekerde aan de verplichtingen uit de garantie (niet) voldaan?
In de meeste procedures staat eigenlijk steeds wel vast of en aan welke clausuleverplichting niet is voldaan. Voorstelbaar is evenwel ook dat dat niet het geval is. Of zelfs kan de onzekerheid nog in een daaraan voorafgaande fase bestaan: is hier van een gevaarbeperkende garantie, een warranty, wel sprake?5 Een zaak waarin de beide punten een rol speelden, is die van het Hof Amsterdam waarin de hierna volgende polisbepaling was opgenomen:
'Inbraak-alarmbeveiligingsinstallatie
De bij deze polis beschreven winkel-unit-ruimten en derhalve de parterregedeelten van het betreffende gebouw zijn beveiligd door middel van een inbraakalarmbeveiligingsinstallatie, welke in opdracht van alle betrokken detaillisten werd verzorgd door TBBS-geregistreerde installateurs Fa. C.H.J. Andriessen en Zn., kantoor: Hilversum, Emmastraat nr. 47, telefoon: 035-13822. Een der detaillisten is door de gezamenlijke 'winkel-unit'-houders benoemd tot 'sleutelhouder', hetgeen impliceert, dat de overige detaillisten buiten sluitingstijden van het gebouw niet in het gebouw kunnen komen. Ten aanzien van de onderwerpelijke inbraak-alarmbeveiligingsinstallaties is een onderhoudsabonnement met voornoemde installateurs afgesloten, waardoor periodieke kontrole van de installatie op 'goed funktioneren' gewaarborgd is.'6
Het hof stelt in deze zaak terecht allereerst aan de orde de vraag of aan bovengenoemde clausule normatieve betekenis toekomt in die zin dat daarmee bepaalde voorwaarden zijn geformuleerd voor de dekking door de verzekeraars (in de zin van een zogenaamde garantie) of dat het louter gaat om een feitelijke omschrijving van de verzekerde winkel-unit waaraan verder geen gevolgen dienen te worden verbonden. Dit laatste standpunt neemt verzekerde in, waar hij erop wijst dat uit de bewoordingen van de clausule niet is af te leiden dat haar verplichtingen zijn opgelegd en evenmin dat niet-nakoming van deze verplichtingen zou leiden tot verval van de dekking. Het hof oordeelt als volgt:
'4.7. Bij de uitleg van een clausule in een schriftelijk contract gaat het niet alleen om de bewoordingen van de betreffende clausule, maar ook om de samenhang van de clausule met de overige bepalingen van het contract en om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze clausule mochten toekennen.
4.8. Op vervolgblad 1 bij de onderhave polis is een feitelijke omschrijving van de verzekerde winkel-units opgenomen. Daarop volgen (op vervolgblad 1 en 2) bepalingen met betrekking tot het eigen risico, de schade aan eigendommen van derden, het voor-taxatierapport en de wijze van berekening van de schade aan winkelgoederen. De eveneens op vervolgblad 2 opgenomen inbraak-alarmbevei-ligingsinstallatie maakt derhalve, gelet op de redactionele opbouw van het contract, geen deel uit van de feitelijke omschrijving van het verzekerde goed.
4.9. De clausule heeft dan ook zelfstandige betekenis.
Door de verzekeraars is daarin expliciet aangegeven welke speciale maatregelen ter beveiliging van de winkel-units zijn getroffen. Gelet op het karakter van de overeenkomst - het gaat om een verzekering tegen het risico van inbraak, brand en diefstal - brengt een redelijke uitleg van de clausule mee dat de daarin beschreven maatregelen de verplichting op [verzekerde] leggen tot handhaving daarvan. [Verzekerde] had dit moeten beseffen en [verzekeraars] mochten ervan uitgaan dat [verzekerde] zich van haar verplichtingen terzake bewust was.'7
De uitspraak is daarmee duidelijk: óf van een zgn. garantie sprake is, hangt mede af van (de bewoordingen van) een clausule en de zin die partijen over en weer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de clausule mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.8 Voor zover bij die uitleg tot een bewijsopdracht aan een der partijen gekomen dient te worden, dient toedeling aan verzekeraar, die zich ter bevrijding van zijn betalingsverplichting op de clausule beroept, als uitgangspunt genomen te worden. Dat geldt evenzeer op het punt van het bewijs van de niet-nakoming van de verplichtingen uit de clausule: ingeval verzekerde het beroep van verzekeraar gemotiveerd betwist, zal verzekeraar dienen te bewijzen dat de verplichting(en) niet is/zijn nage-komen.9 In die lijn dienden verzekeraars in de meerbesproken zaak die heeft geleid tot het arrest van het Hof Amsterdam tegenover de betwisting van verzekerde te bewijzen dat de alarmbeveiligingsinstallatie in haar winkelunit ten tijde van het evenement niet naar behoren functioneerde.10
Uitsluitend bij causaal verband en/of omvangvergroting verval van recht
Op het moment dat vaststaat dat een clausule zelfstandige betekenis heeft in de zin van een 'garantie' als in deze paragraaf bedoeld, speelt de vraag of/in welk(e) geval(len) verzekeraars met een beroep op de betreffende clausule vergoeding kunnen weigeren van de schade die is ontstaan. Ter illustratie van een garantie geef ik de omschrijving weer, die tussen partijen overeengekomen was in de zaak die uiteindelijk heeft geleid tot een op dit gebied richtinggevend arrest van de Hoge Raad:
'Horeca-Risico-Verzekeringnemer is verplicht het navolgende na te komen:
1. (... )
2. Er mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van metalen afvalemmers en peukenverzamelaars, voorzien van goed sluitende deksels of van vlamdovende afvalbakken. Als uitzondering is het toegestaan alleen in de keuken en uitsluitend voor het verzamelen van etensresten gebruik te maken van kunststof afvalbakken.
(... )
Het niet nakomen van bovengenoemde bepalingen heeft verlies van het recht op schadevergoeding tot gevolg.'11
Wat opvalt aan de betreffende garantieclausule, is dat deze niet de (veelal wel opgenomen) uitzondering op het verval van het recht op uitkering kent, waarin is bepaald dat het recht op uitkering niet vervalt indien er geen causaal verband is tussen de ontstane schade en het niet voldoen aan deze verplichting(en).12 In de toepassing maakt de vraag of deze uitzondering al dan niet is opgenomen (bewijsrechtelijk) geen verschil, omdat de bedoelde uitzondering ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gegeven is: ook zonder de passage waarin verzekerde in de gelegenheid gesteld wordt om het ontbreken van causaliteit te bewijzen, kan zij daartoe worden toegelaten. De uitspraak van de Hoge Raad in de zaak met de hiervoor bedoelde clausule zegt dat met zoveel woorden en vormt daardoor het sluitstuk van een ontwikkeling over de toepassing/gevolgen van een vervalbe-ding bij niet-nakoming van een garantie. De Hoge Raad verwoordt het aldus:
'3.3. Bij de beoordeling van het middel moet veronderstellenderwijs, als door Bi^ak gesteld en door het Hof in het midden gelaten, ervan worden uitgegaan dat de brand is ontstaan in de meterkast, en niet in de prullenmand die in strijd met de clausule aanwezig was (Bi^ak gebruikte plastic afvalbakken zonder deksel, met daarin een plastic zak, waarin sigarettenpeuken en ander afval werd verzameld, NvT). Daarvan uitgaande stelt het middel de, door het Hof bevestigend beantwoorde, vraag aan de orde of de verzekeraar beroep op een clausule als de onderhavige kan doen in een geval waarin weliswaar de in de clausule voorgeschreven voorziening is gericht tegen het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt, maar geen causaal verband bestaat tussen het niet toepassen van de voorgeschreven voorziening en het gevaar zoals zich dit in het concrete geval heeft verwezenlijkt.
Dienaangaande moet worden vooropgesteld dat, aangenomen dat de clausule geldig is overeengekomen, de verzekeraar daarop een beroep kan doen en het recht op uitkering derhalve vervalt, indien de in de clausule omschreven verplichtingen niet zijn nagekomen. Dit neemt evenwel niet weg dat zich gevallen kunnen voordoen waarin een beroep op de clausule in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Daarbij kan worden gedacht aan het geval waarin onvoldoende verband bestaat tussen het niet-naleven van de in de clausule omschreven verplichtingen en het risico zoals zich dit heeft verwezenlijkt (vgl. HR 19 mei 1995, nr. 15 696, NJ 1995, 498). Hiervan zal in een situatie als de onderhavige sprake kunnen zijn, indien de verzekerde stelt en zo nodig bewijst dat het niet-toepas-sen van de voorgeschreven voorzieningen niet de oorzaak of de mede-oorzaak kan zijn geweest van de brand en evenmin ervan dat de brand zich heeft kunnen uitbreiden. (...)'.13
Ook indien de overeengekomen clausule de verzekerde niet de gelegenheid biedt om te bewijzen dat er geen causaal verband is tussen de ontstane schade en het niet voldoen aan de overeengekomen verplichtingen, kan verzekerde dus worden toegelaten tot dat bewijs.14 De regeling kent daarmee een mooi evenwicht tussen enerzijds het belang van verzekeraar om niet te hoeven betalen indien de verzekerde niet heeft voldaan aan de gevaarbeper-kende maatregel waarvan de verzekeraar zijn dekkingsbereidheid had afhankelijk gesteld, en anderzijds het belang van de verzekerde om zich niet geconfronteerd te zien met een beroep van verzekeraar op weigering tot uitbetaling bij iedere overtreding van een overeengekomen verplichting, ook indien deze uiteindelijk de schade niet heeft veroorzaakt of vergroot.15 Deadvocaat-generaal die heeft geconcludeerd in de onderhavige zaak, A-G Langemeijer, betrekt bij de bewijsrechtelijke verhoudingen heel treffend de - met name bij brand voorstelbare - mogelijkheid dat de oorzaak van de brand uiteindelijk onzeker blijft. Ook hier dient een evenwicht gevonden te worden: wordt het gevaar, waartegen de garantie beoogt te beschermen gezien als brandgevaar in het algemeen, dan wordt de weg vrijgemaakt voor een weigering van uitkering op oneigenlijke of onnodig formalistische gronden. Wordt het gevaar daarentegen gekoppeld aan een bepaalde brandoorzaak, dan dreigt de verzekeraar in gevallen, waarin de brandoorzaak niet bekend is, en dus gelegen kan zijn in de overtreding van het polisvoorschrift, te worden belast met een risico dat hij, blijkens de garantieclausule, nu juist niet wilde dragen en ook niet behoefde te dragen.16 De eventuele onzekerheid over een brandoorzaak dient, zo stelt hij met recht, voor rekening van verzekerde te blijven:
'2.12. Dit laatste bezwaar (het niet bekend zijn van de brandoorzaak, NvT) kan worden weggenomen door een vuistregel, inhoudend dat de verzekeraar in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid handelt door de weigering van uitkering te baseren op het niet voldoen aan een voorschrift in de polis in gevallen waarin de niet-naleving van het voorschrift niet de oorzaak of medeoorzaak kan zijn geweest van het gevaar zoals dit zich in concreto heeft verwezenlijkt. Dat zou de verzekeringnemer dan moeten stellen en, zo nodig, bewijzen. Kan de niet-naleving van het voorschrift wel oorzaak of mede-oorzaak zijn geweest, dan mag de verzekeraar de verzekeringnemer aan het polisbeding houden. Onzekerheid over de brandoorzaak wordt aldus ten laste van de verzekeringnemer gebracht. Dat is weliswaar bezwaarlijk voor de verzekeringnemer, maar in het onderhave geval niet ongerechtvaardigd, omdat de verzekeringnemer nu eenmaal het voorschrift in de polis heeft overtreden.'
Voor de beantwoording van de vraag óf de schade (mede) is veroorzaakt of vergroot door de overtreding van een garantieclausule, ligt het - zeker in zaken waarin partijen ook na raadpleging van deskundigen het niet eens zijn over de waarschijnlijke oorzaak van de brand - voor de hand dat door de rechter een deskundige wordt benoemd, die (mede) tot taak heeft om te komen tot een beantwoording van die vraag.17