Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.4.2:VII.4.2 Bewijsrisico in het Nederlandse strafproces
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.4.2
VII.4.2 Bewijsrisico in het Nederlandse strafproces
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593977:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bewijsrisico betreft de vraag hoe de rechter bij rechtens relevante twijfel dient te beslissen. Dat kan degene zijn die de informatie dient aan te dragen en dus de bewijsvoeringslast draagt, maar dat hoeft niet. De vraag hoe bij twijfel moet worden beslist, laat zich ook in het Nederlandse strafrecht zonder meer stellen. Dat de zittingsrechter zelf bewijs dient te vergaren en het Openbaar Ministerie diens feitenonderzoek niet eenzijdig mag uitvoeren, doen daaraan niet af. Die stelselkenmerken hebben louter betrekking op de bewijsvergaring, maar niet op het bewijsrisico. De rechter die over meer informatie kan beschikken zal wel eerder aan een bewijswaardering toekomen. Een non liquet doet zich minder snel voor wanneer partijen tot het aandragen van materiaal zijn gehouden of wanneer de rechter zelf aanvullend onderzoek doet. Verdwijnen kan de bewijsrisicoverdeling evenwel niet, omdat zelfs de meest verstrekkende mededelingsplichten en onderzoeksmogelijkheden de situatie van een non liquet niet uitsluiten.
Dat het Openbaar Ministerie geen partijbelang dient, staat evenmin aan de erkenning van een bewijsrisicoverdeling in de weg. Hoewel strikt genomen van het verlies van de procedure daardoor geen sprake is, mag er wanneer het tot een terechtzitting komt in de meeste gevallen van worden uitgegaan dat de officier een veroordeling wenst. Ook in uitzonderingsgevallen waarin dat anders is, kan overigens desondanks zonder problemen van een bewijsrisico worden gesproken. Net als een civiele partij kan het Openbaar Ministerie namelijk berusten in een non liquet en in verwezenlijking van de daaraan verbonden gevolgen. Rechtsregels omtrent de vraag hoe bij welke mate van twijfel wordt beslist, vormen een beslissingsgrondslag voor de rechter, maar behelzen geen verplichting voor de partijen daadwerkelijk te leveren wat gevraagd wordt.1 Ook in het Nederlandse strafrecht kan derhalve de vraag wie bij welke mate van twijfel de procedure ‘verliest’, gerust als het bewijsrisico worden aangeduid.2