Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.4.5.1:7.4.5.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.4.5.1
7.4.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581923:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Niet ieder onderdeel van een rechterlijke uitspraak komt de status van 'binding precedent', met de hiervóór omschreven strakke binding, toe. In de Engelse doctrine en rechtspraktijk wordt - waarschijnlijk juist omdat de gebondenheid aan eerdere uitspraken zo strikt is1 - zeer veel aandacht besteed aan de afbakening tussen de gedeelten van een uitspraak die de latere rechter wél binden en de gedeelten waaraan hij niet gebonden is.
In algemene zin kan gezegd worden dat een onderdeel van een rechterlijke uitspraak in latere gevallen bindend is (met andere woorden: een 'binding precedent' vormt) indien (a) het gaat om een proposition of law; (b) deze 'proposition' deel uitmaakt van de ratio decidendi van de eerdere zaak; (c) de eerdere zaak is beslist door een gerecht waarvan de beslissingen bindend zijn voor de rechter in de latere zaak; en (d) er geen zodanig relevante feitelijke verschillen aanwezig zijn dat de latere zaak distinguishable is.2 Op de twee eerstgenoemde voorwaarden zal in het vervolg van deze paragraaf nader worden ingegaan. De onder (c) en (d) genoemde punten zijn hiervóór al aan de orde gekomen.3