Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.1:7.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS578275:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande hoofdstukken is, uitgaande van het 'rolrichtlijnen-arrest' van de Hoge Raad, onderzocht in welke gevallen een rechtersregeling als 'recht' in de zin van art. 79 RO kan gelden, alsmede in welke vorm van binding een zodanige rechtersregeling resulteert. Rechtersregelingen die tot deze categorie behoren bleken in veel opzichten vergelijkbaar te zijn met bestuurlijke beleidsregels.1 Het gaat bij dit type regels om de mvulling van een bepaalde vorm van beleidsruimte waarover de rechter beschikt. Doordat deze (voorafgaande) invulling geschiedt door het bevoegde orgaan en zij bovendien extern bekend wordt gemaakt, zijn de betrokken rechters hieraan vervolgens in beginsel gebonden, op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging als het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. Dit levert een vrij sterke mate van binding op, die reeds voorafgaand aan enige toepassing van de regeling ontstaat op grond van (min of meer) formele criteria.2 Hoewel de mogelijkheid bestaat om in bijzondere gevallen van de regeling af te wijken, zal van deze mogelijkheid slechts gemotiveerd en met de nodige terughoudendheid gebruik gemaakt mogen worden.3
Hiermee is echter de vraag naar de bindende werking van rechtersregelingen nog geenszins uitputtend behandeld. Een relatief groot deel van de in de praktijk bestaande rechtersregelingen voldoet, zo bleek, immers (nog) niet aan de criteria om de hiervóór bedoelde 'zelfbinding' te doen ontstaan en als recht in de zin van art. 79 RO te kunnen gelden.4 Dit geldt onder meer voor belangrijke rechtersregelingen als de kantonrechtersformule, de NVvR-alimenta-tienormen of het rapport Voor-werk II.5 Daar komt nog bij dat de zogeheten 'interpretatieruimte' van de rechter zich naar haar aard niet - althans niet op dezelfde wijze - blijkt te lenen voor deze vorm van voorafgaande binding.6 Er resteert, kortom, een vrij grote groep rechtersregelingen die niet reeds op voorhand, vanaf het moment van vaststelling en bekendmaking, kan leiden tot binding via algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging.
Het voorgaande betekent evenwel nog niet dat dergelijke rechtersregelingen geen enkele juridische betekenis zouden hebben. Een belangrijke alternatieve grondslag om (een bepaalde mate van) binding op te kunnen baseren kan mogelijk gevonden worden door aan te knopen bij de precedentwerking van rechterlijke uitspraken. Vrij algemeen aanvaard lijkt immers, dat aan rechterlijke uitspraken ook buiten het concrete geval een zekere betekenis toekomt, in die zin dat rechters in latere gevallen met precedenten rekening moeten houden of deze zelfs, althans in beginsel, dienen te volgen.7 Voor rechtersregelingen zou hierbij aansluiting kunnen worden gezocht: wanneer rechters een bepaalde rechtersregeling die niet reeds op voorhand bindend is (bijvoorbeeld de kantonrechtersformule of de vR-alimentatienormen) in uitspraken toepassen, zou betoogd kunnen worden dat men hieraan vervolgens - hetzij direct, hetzij eerst na een reeks van uitspraken in dezelfde zin - gebonden is en de regeling in het vervolg niet zonder meer terzijde zal mogen stellen. Hetzelfde zou het geval kunnen zijn, wanneer een rechtersregeling gebaseerd is op uitspraken die in het verleden reeds door rechters zijn gedaan.8
Alvorens deze vraag kan worden beantwoord, dient eerst te worden geïnventariseerd welke waarde in ons rechtssysteem aan eerdere rechterlijke uitspraken als zodanig toekomt. In dit hoofdstuk zal daarom eerst worden bezien in hoeverre en op welke gronden naar huidig recht voor de rechter enige mate van binding aan precedenten bestaat. Hierbij komen de volgende hoofdvragen aan de orde: (a) kan een bepaalde (juridische) binding van de rechter aan precedenten worden aangenomen? (§ 7.5.2); (b) zo ja, welke rechters zijn aan welke precedenten gebonden? (§ 7.5.3); (c) waar liggen de grenzen van deze binding (ofwel: in welke gevallen mag van een precedent worden afgeweken)? (§ 7.5.4); en (d) aan welke gedeelten van een uitspraak is men gebonden? (§ 7.5.5). Voorafgaand hieraan worden ter oriëntatie enige algemene opmerkingen gemaakt (§ 7.2 en 7.3) en wordt het Engelse systeem van precedentwerking op hoofdlijnen besproken (§ 7.4). Nadat de stand van zaken op het gebied van precedentwerking van rechterlijke uitspraken in kaart is gebracht, kan vervolgens in hoofdstuk 8 worden ingegaan op de vraag in hoeverre hierbij aansluiting kan worden gezocht ter bepaling van de juridische betekenis van rechtersregelingen.