Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.4.5.4
7.4.5.4 De ratio van het onderscheid tussen ratio decidendi en obiter dictum
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577096:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. hierover Cross & Harris 1991, p. 192-196.
Vgl. Cross & Harris 1991, p. 43.
Vgl. in deze zin Drion 1950, p. 37-38; zie echter ook § 7.5.5.
Zie over de vraag in hoeverre dit werkelijk een noodzakelijk vereiste is echter ook § 8.2.2.
Zie § 7.4.3.4 en § 7.4.4.2.
Andersom wordt ook wel als argument genoemd dat de rechter van wie een precedent afkomstig is, te veel invloed op de rechtsvorming zou kunnen uitoefenen, indien hij daarin onbeperkt allerlei (voor het concrete geval niet relevante) rechtsopvattingen zou mogen opnemen, met bindende werking voor latere gevallen (aldus Cross & Harris 1991, p. 42).
Zie § 7.4.4.3.
Vgl. Cross & Harris 1991, p. 50; zie ook hiervóór § 7.4.4.3.
Vgl. Marshall 1997, p. 505-506.
Vgl. Cross & Harris 1991, p. 48-49.
Cross & Harris 1991, p. 41.
Zie Cross & Harris 1991, p. 77; zie ook § 7.4.6.
Blijkens het voorgaande kan de vaststelling van de ratio(nes) decidendi van een uitspraak de nodige problemen opleveren. Men kan zich daarom afvragen waarom het Engelse recht niettemin is blijven vasthouden aan de onderverdeling tussen ratio decidendi enerzijds en obiter dicta anderzijds.
Een eerste oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat het Engelse recht traditioneel gezien een systeem van 'case law' is, waarin primair geredeneerd wordt van geval naar geval en pas daarna eventueel naar een algemene(re) regel wordt gezocht.1 De feiten van het concrete geval vormen dan ook een zeer belangrijk uitgangspunt voor iedere rechtstoepassing, hetgeen de nadruk verklaart die wordt gelegd op de 'material facts' als basis voor de uit een uitspraak af te leiden ratio decidendi.
Een tweede belangrijk aspect betreft één van de erkende grondslagen voor ieder systeem van precedentwerking: de eis van gelijke behandeling van gelijke gevallen. Keerzijde hiervan is echter dat ongelijke gevallen ook een ongelijke behandeling kunnen behoeven. Gebondenheid aan een eerdere uitspraak is dan ook - althans vanuit deze invalshoek beschouwd - slechts aangewezen indien een later geval inderdaad gelijk is aan het voorgaande.2 Deze gelijkheid behoeft overigens slechts de relevante aspecten, ofwel de 'material facts' te betreffen. Een hiermee samenhangend punt is dat een overweging ten overvloede niet de grondslag voor de beslissing in het eerdere geval is geweest, zodat er vanuit oogpunt van gelijke behandeling ook geen reden aanwezig is, de toepassing daarvan tot een later geval uit te breiden.3
Het nut van de afbakening van een ratio decidendi blijkt aldus in de eerste plaats gelegen te zijn in de samenhang met de feiten van een concreet geval als noodzakelijke basis voor de in een rechterlijke uitspraak gevormde rechtsregel.4 Daarnaast zijn echter nog andere oorzaken aan te wijzen voor het belang dat in Engeland nog steeds wordt gehecht aan een nauwkeurige vaststelling van de ratio decidendi. Een van deze oorzaken is het meergenoemde feit dat de binding aan precedenten in Engeland uiterst strikt wordt opgevat.5 Dit brengt de noodzaak met zich, de gedeelten van een uitspraak waaraan de latere rechter op deze wijze gebonden is, precies af te grenzen.6 Is de rechter immers eenmaal gebonden, dan behoort afwijking niet of nauwelijks meer tot de mogelijkheden, ook niet wanneer het precedent in een later geval inhoudelijk onjuist wordt geacht. Via de vaststelling van de ratio decidendi (deze kan bijvoorbeeld worden ingeperkt of, in het uiterste geval, zelfs alsnog als obiter dictum worden aangemerkt7) kan de rechter een in zijn ogen onjuist precedent toch terzijde schuiven. De afbakening van de ratio decidendi kan derhalve ook een manier zijn om de binding aan een precedent te omzeilen.8 In een systeem met een lossere binding aan precedenten is een dergelijke tactiek minder noodzakelijk: wanneer het de rechter is toegestaan op grond van bepaalde (zwaarwegende) argumenten af te wijken van een precedent, zal de discussie zich immers veeleer daarop toespitsen.9 Deze mogelijkheid staat in Engeland echter doorgaans niet open.
Tot slot wordt een belangrijke factor gevormd door de stijl en structuur van de uitspraken van Engelse rechters.10 De uitspraken van de hogere gerechten bevatten vaak meerdere (concurring of dissenting) opinions. Daarnaast is de betoogtrant een andere - minder zakelijke - dan bij ons te doen gebruikelijk is. In de uitspraken van rechters zijn dan ook veel vaker 'losse flodders' aan te treffen, die niet kunnen worden opgevat (en in het algemeen ook niet bedoeld zijn) als rechtsregels met betekenis voor latere gevallen. Obiter dicta zijn dus veelal werkelijk ten overvloede gemaakte opmerkingen: 'statements by the way'11 die doorgaans niet het voorwerp van langdurige overdenking zijn geweest.
Opgemerkt moet hierbij overigens worden dat ten overvloede gegeven overwegingen wél 'persuasive authorities' vormen. Met name indien een obiter dictum een weloverwogen rechtsoordeel van de hoogste rechter behelst, zal de 'overtuigingskracht' daarvan zeer groot zijn en weinig onderdoen voor de bindende werking van een 'echt' precedent.12