Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.1.3
3.1.3 Kritiek op de benoemingsprocedure
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450715:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Böcker e.a. 2010, p. 193. Een beschrijving van de geïnterviewde ondernemingen en hun advocaten alsmede de namen van de deelnemers aan de expertmeeting staan vermeld op p. 367-368 en 372. Het onderzoek van Klaassen is ook gepubliceerd in Klaassen 2010b, p. 160-161.
Zo ook Josephus Jitta 2015, p. 257.
Zo ook Smit 2002, p. 43.
Geersing 1980, p. 280-281; Uniken Venema 1995, p. 62; Bosman 1989, p. 35; Smit 2002, p. 43; Hermans 2003, p. 151-154; Geerts 2004, p. 140-145.
Sinds 1 oktober 2015 is er een ‘Protocol lijst van OK-functionarissen Ondernemingskamer’. Zie§ 3.1.5.
S.M. Bartman, annotatie bij OK 19 september 2001, Ondernemingsrecht 2001/50, p. 435 (HBG).
Uniken Venema 1995, p. 62; Smit 2002, p. 43. Zie over de ‘Protocol lijst van OK-functionarissen Ondernemingskamer’ § 3.1.5.
Bosman 1989, p. 35.
Van den Blink 2010, p. 60.
Geersing 1980, p. 280-281; CNV 1980.
Uniken Venema 1995, p. 62; Smit 2002, p. 43.
Smit 2002, p. 43. Vgl. Van den Blink 2010, p. 55, die beschrijft hoe hij na zijn vertrek als raadsheer-plaatsvervanger in de Ondernemingskamer een carrière als onderzoeker is begonnen.
Uit het empirisch onderzoek van Klaassen naar ervaringen van grote ondernemingen met specialistische rechtspraakvoorzieningen blijkt dat advocaten die bij de Ondernemingskamer optreden en grote ondernemingen kritiek hebben op de wijze waarop de Ondernemingskamer onderzoekers benoemt.1 Zij achten meer transparantie en overleg tussen de Ondernemingskamer en partijen wenselijk.2 Van diverse zijden is naar voren gebracht dat dit thans te veel een ‘old boys network’ is. Er werd een parallel getrokken met de wijze waarop de rechter deskundigen benoemt.3 Geopperd werd een openbare lijst aan te leggen met namen van personen die als onderzoeker in aanmerking zouden kunnen komen. Sommige van de door Klaassen geïnterviewde personen waren voorstander van de introductie van een leeftijdsgrens voor onderzoekers. Dat was echter een minderheidsstandpunt.
Deze bevindingen zijn herkenbaar en sluiten aan bij kritiek in de literatuur.4 Het beleid van de Ondernemingskamer bij de benoeming van onderzoekers is voor partijen ondoorzichtig. Hoe de Ondernemingskamer onderzoekers selecteert, is bij partijen niet bekend.5 De Ondernemingskamer motiveert niet waarom zij een persoon met een bepaalde deskundigheid benoemt en waarom zij in plaats van één soms meerdere onderzoekers benoemt. Onder partijen (en hun advocaten) bestaat onvrede over deze gang van zaken. Soms komt het voor dat de Ondernemingskamer personen tot onderzoeker benoemt die door een of meer van de partijen niet geschikt worden geacht. Van de zijde van de Ondernemingskamer wordt de klacht vernomen dat het moeilijk is om (nieuwe) personen te vinden die in staat zijn als onderzoeker op te treden en bereid zijn een benoeming tot onderzoeker te aanvaarden.
In de literatuur zijn diverse oplossingen aangedragen om deze bezwaren tegen de benoemingsprocedure weg te nemen. Zo is er bepleit een onderzoekscollege in het leven te roepen in een vaste samenstelling en met een eigen budget,6 een lijst te publiceren met potentiële onderzoekers,7 ten minste één onderzoeker te benoemen die behoort tot de rechterlijke macht8 (of zelfs het onderzoek te laten uitvoeren door een raadsheer-commissaris uit de Ondernemingskamer),9 standaard twee onderzoekers te benoemen10 of, naar analogie met de lijstprocedure in het NAI-arbitragereglement, partijen te laten kiezen uit een lijst van drie potentiële onderzoekers.11 Smit heeft verder nog voorgesteld geen onderzoekers te benoemen die voorheen lid van de Ondernemingskamer zijn geweest, maar vanwege het bereiken van de leeftijdsgrens van 70 jaar niet meer als raadsheer of raad konden functioneren.12