De aanvankelijke termijn voor het indienen van een cassatieschriftuur liep in de onderhavige zaak van 6 september 2024 tot en met 19 september 2024. Nadat namens de klager bij de rolraadsheer tijdig meerdere processtukken zijn opgevraagd, heeft de rolraadsheer aan de advocaat van de klager een nadere termijn verleend voor het kunnen wijzigen en/of aanvullen van de ingediende cassatieschriftuur van 19 september 2024 dan wel voor het intrekken van één of meer van de daarin voorgestelde cassatiemiddelen. Die nieuwe termijn liep tot en met 3 oktober 2024.
HR, 25-03-2025, nr. 24/02053 Bv
ECLI:NL:HR:2025:446
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-03-2025
- Zaaknummer
24/02053 Bv
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:446, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑03‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:111
ECLI:NL:PHR:2025:111, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:446
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0113
FED 2025/55 met annotatie van G.C.D. Grauss
V-N 2025/29.19 met annotatie van Redactie
Uitspraak 25‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag ex art. 98.4 jo. art. 552a Sv door notaris tegen beslag op administratieve stukken, (kopieën van) gegevensdragers, server van notariskantoor en telefoon wegens verdenking van betrokkenheid bij strafbare feiten bij vastgoedtransacties (medeplegen witwassen, niet voldoen aan meldingsplicht o.g.v. Wwft en deelname aan criminele organisatie), waarbij notaris (klager) beroep doet op zijn verschoningsrecht. 1. Had Rb behandeling van klaagschrift t.a.v. inbeslaggenomen server van kantoor van klager en zijn telefoon moeten aanhouden en stukken in zoverre in handen van R-C moeten stellen? 2. Kon Rb oordelen dat doorbreking van verschoningsrecht t.a.v. de onder klager inbeslaggenomen administratieve stukken is beperkt tot het strikt noodzakelijke? Ad 1. en 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:223 m.b.t. verschoningsrecht van advocaat als beroepsbeoefenaar a.b.i. art. 218 Sv en procedure van art. 98 Sv. Bij beantwoording van vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat verschoningsrecht mag worden doorbroken, geldt wat betreft belang van waarheidsvinding als beoordelingsmaatstaf of betreffende gegevens redelijkerwijs in zodanig direct verband staan met strafbaar feit waarvan vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR:1999:ZD7280). Rb heeft vastgesteld dat klager wordt verdacht van betrokkenheid bij groot aantal vastgoedtransacties ten aanzien waarvan onregelmatigheden zijn geconstateerd. Onder klager zijn op kantoor en in woning voorwerpen in beslag genomen. R-C heeft in verband hiermee “regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden” van toepassing verklaard. O.g.v. deze vaststellingen heeft Rb geoordeeld dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van verschoningsrecht rechtvaardigen en dat nu onderzoek nog loopt, strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van beslag. Rb heeft vervolgens echter niet kenbaar in oordeel betrokken of inbreuk op verschoningsrecht t.a.v. de onder klager inbeslaggenomen administratieve stukken en gegevensdragers niet verder gaat dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van waarheid van feiten. Oordeel Rb is daarom niet toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen Rb (i) wel nadere vaststellingen heeft gedaan over “i.h.b.” bij medeverdachten inbeslaggenomen geschriften, maar niet specifiek over de onder klager inbeslaggenomen administratieve stukken, en (ii) t.a.v. (kopieën van) onder klager inbeslaggenomen gegevensdragers heeft vastgesteld dat filtering van betreffende gegevens door R-C nog niet heeft plaatsgevonden. Na terugwijzing zal Rb, als R-C niet inmiddels ook t.a.v. de onder klager inbeslaggenomen administratieve stukken en (kopieën van) gegevensdragers een beschikking a.b.i. art. 98 Sv heeft gegeven, zaak in handen van R-C moeten stellen. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. de onder klager inbeslaggenomen stukken en kopieën van gegevensdragers.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02053 Bv
Datum 25 maart 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 7 mei 2024, nummers RK 21/017979, RK 22/002971 en RK 22/002970, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboortedatum] op [geboortedag] 1974,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de onder de klager in beslag genomen voorwerpen en gegevens(dragers) en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland , zittingsplaats Haarlemmermeer , teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
2. De beslissingen van de rechter-commissaris en van de rechtbank
2.1
De beschikking van de rechter-commissaris van 28 oktober 2021 houdt onder meer in:
“Procedure
Op 12 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris een brief d.d. 7 oktober 2021 ontvangen van de officier van justitie, [naam] , waarin wordt verzocht voorafgaand aan een doorzoeking in het kantoor van verdachte, als notaris een beroepsgeheimhouder, het beslagregiem van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” die het verschoningsrecht doorbreken van toepassing te verklaren. De rechter-commissaris heeft de vordering doorzoeking toegewezen, waarover apart is beschikt.
De rechter-commissaris heeft op 26 oktober 2021 een bespreking gehad met de officier van justitie, FIOD, alsmede de ringvoorzitter en de vice-voorzitter Noord-Holland met als doel de wijze van doorzoeken in verband met het verschoningsrecht te bespreken en advies van de ringvoorzitter in te winnen, in vervolg op een eerder overleg van 5 maart 2021 waarbij de ringvoorzitter en de vice-voorzitter Noord-Holland zijn ingelicht omtrent de verdenking.
Beoordeling
Het verschoningsrecht van de notaris is niet absoluut. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarbij het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het belang dat met het verschoningsrecht wordt gediend. Dit ruimere beslagregiem brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een notaris zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.
De rechter-commissaris heeft bij de beoordeling of dit ruimere beslagregiem van toepassing moet worden verklaard het volgende betrokken. De verdenking is goed onderbouwd in onder meer een proces-verbaal van verdenking en de vordering tot doorzoeking. Ook aard en zwaarte van de misdrijven waar de verdenking op ziet, onder meer witwassen en deelname aan een criminele organisatie, zijn gewogen en zwaar bevonden. Tevens zijn aard en omvang van de te behalen gegevens gewogen en heeft de rechter-commissaris geconstateerd dat de relevante gegevens niet op een andere wijze kunnen worden verkregen. Tot slot is van belang dat de verdenking ziet op handelen dat ernstig misbruik door de verschoningsgerechtigde oplevert van zijn positie als uitoefenaar van zijn beroep. Er is daarmee ook maatschappelijke schade veroorzaakt door schending van het aanzien van dat beroep. Er is immers sprake van een redelijke verdenking wegens zeer ernstige feiten die verdachte in zijn hoedanigheid van notaris gepleegd zou hebben. De verdenking ziet kortom op feiten die zo sterk de kern van de werkzaamheden van verdachte als notaris raken dat het aanzien van het ambt rechtstreeks wordt geraakt. Het vertrouwen in, en de maatschappelijke functie van, het notariaat is er dan ook mee gebaat dat hier de waarheid boven tafel komt.
De rechter-commissaris is van oordeel dat hier, op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, zeer uitzonderlijke omstandigheden aangenomen kunnen worden die maken dat het belang van de waarheidsvinding prevaleert en het bepaalde in de leden 1 en 5 van artikel 98 Sv wordt doorbroken. Dit brengt mee dat voorwerpen in beslag mogen worden genomen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, ook als het om zogenaamde geheimhouderstukken zou gaan. De rechter-commissaris tekent hier wel bij aan dat de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid omtrent de verweten feiten en dat de belangen van andere cliënten, die niets met de te onderzoeken feiten te maken hebben, niet onevenredig mogen worden getroffen.
Beslissing
De rechter-commissaris verklaart in deze zaak het regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden van toepassing.
De verschoningsgerechtigde kan zich desgewenst op grond van artikel 98 lid 3 en 4 Sv jo artikel 552a Sv bij de raadkamer van de rechtbank schriftelijk beklagen over deze beslissing. Dit moet binnen 14 dagen na betekening van deze beslissing worden ingesteld. Eventueel beslag blijft ingeval van bezwaar bevroren totdat definitief over het beslagregiem is beslist.”
2.2
De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“1 . Procesgang
Het Openbaar Ministerie is in 2019 een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam ‘ […] ’. Gedurende dit onderzoek is onder anderen klager als verdachte aangemerkt. De officier van justitie heeft op 12 oktober 2021 aan de rechter-commissaris van deze rechtbank een tweetal vorderingen doorzoeking ter inbeslagneming voorgelegd met het verzoek om machtigingen af te geven voor doorzoekingen van het kantoor en de woning van klager.
Klager wordt blijkens deze vorderingen verdacht van het in de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 oktober 2021 medeplegen van witwassen, het niet voldoen aan zijn meldingsplicht dan wel zijn verplichtingen die volgen uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) en deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van valsheid in geschrift en witwassen.
De rechter-commissaris heeft op 15 oktober 2021 machtigingen voor doorzoekingen ter inbeslagneming op het kantoor en in de woning van klager afgegeven. Daarnaast heeft de rechter-commissaris op diezelfde datum twee machtigingen afgegeven voor doorzoekingen ter inbeslagneming op twee adressen van medeverdachten van klager aan [a-straat 1] en [b-straat 1] in [plaats] .
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 28 oktober 2021 bepaald dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waardoor het verschoningsrecht van klager en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de doorzoekings- en beslagbevoegdheden moeten wijken voor het strafvorderlijk belang van het aan licht brengen van de waarheid omtrent de feiten waarvan klager wordt verdacht.
De rechter-commissaris heeft op 31 oktober 2021 in aanwezigheid van de Ringvoorzitter het kantoorpand van klager aan [c-straat 1] in [plaats] doorzocht en voorwerpen in beslag genomen. Blijkens het proces-verbaal van de doorzoeking dat is opgemaakt door leden van het onderzoeksteam en het proces-verbaal van doorzoeking van de rechter-commissaris blijkt dat in aanwezigheid van onder meer klager, zijn raadsvrouw en de ringvoorzitter afspraken zijn gemaakt over de gang van zaken gelet op de aanwezigheid van stukken die onder de geheimhouding van klager zouden vallen. Uit de processen-verbaal blijkt dat de rechter-commissaris heeft besloten een kopie te maken van de gehele server van het kantoor, omdat het doorzoeken van het systeem op relevante zoekwoorden (filteren) ter plaatse niet lukte. Klager heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De doorzoeking met betrekking tot de fysieke documenten heeft plaatsgevonden conform de gemaakte afspraken.
De rechter-commissaris heeft daarnaast op 31 oktober 2021 leiding gegeven aan de doorzoeking van de panden aan [a-straat 1] en [b-straat 1] in [plaats] en aan [d-straat 1] in [plaats] , zijnde dit laatste het woonadres van klager. Ook hier zijn voorwerpen in beslag genomen, waaronder een iPhone XR in het woonhuis van klager.
De rechter-commissaris heeft bij zijn beslissing van 28 oktober 2021 bepaald dat de in het woonhuis en kantoorpand van klager in beslag genomen voorwerpen onder de rechter-commissaris blijven totdat definitief over de toelaatbaarheid van het beslag is beslist. In het dossier bevinden zich lijsten van de inbeslaggenomen voorwerpen. Daarnaast staat vast dat de harde schijf/server van het kantoor van klager in beslag is genomen, zonder dat de inhoud daarvan is gefilterd.
De beslissingen van de rechter-commissaris van 15 en 28 oktober 2021 zijn op 11 november 2021 aan klager betekend.
Op 1 februari 2022 heeft de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] beslist dat van de uit het pand aan [a-straat 1] meegenomen bescheiden alle onder het verschoningsrecht vallen, dat de stukken vermeld onder 1, 4 en 6 niet in beslag mogen worden genomen en dat de stukken vermeld onder 2, 3 en 5 betrekking hebben op onroerend goed dat onderdeel uitmaakt van het strafrechtelijk onderzoek en mogelijk hebben gediend tot het begaan van een strafbaar feit. Het betreft drie eigendomsbewijzen van respectievelijk 3 mei 2016, 12 september 2016 en van 1 juni 2018.
Op 1 februari 2022 heeft de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [medeverdachte 2] beslist dat van de uit het pand aan [b-straat 1] meegenomen bescheiden de stukken vermeld onder 3 en 4 onder het verschoningsrecht vallen en geen betrekking lijken te hebben op het strafrechtelijk onderzoek en inbeslagneming dus niet is toegestaan. De stukken genoemd onder 1 en 2 vallen onder het verschoningsrecht van klager, maar maken deel uit van het strafrechtelijk onderzoek en hebben mogelijk gediend tot het begaan van een strafbaar feit. In beslag neming is om die reden toegestaan. Het stuk genoemd onder 5 valt niet onder het verschoningsrecht volgens de rechter-commissaris en kan derhalve eveneens in beslag worden genomen. De stukken die krachtens deze beslissing in beslag mogen worden genomen zijn een afschrift akte van hypotheek d.d. 26 februari 2016, een eigendomsbewijs d.d. 26 februari 2016 en een bericht van het kadaster van 16 maart 2016.
Klager heeft op 12 november 2021 en 14 februari 2022 klaagschriften ingediend tegen voornoemde beslissingen van de rechter-commissaris van 28 oktober 2021 en van 1 februari 2022. Hierin verzoekt klager de rechtbank om uit te spreken dat het regime van zeer uitzonderlijke omstandigheden niet van toepassing is en de teruggave te gelasten van de voorwerpen die in het kantoor en de woning van klager respectievelijk op de twee adressen van de medeverdachten in beslag zijn genomen.
De klaagschriften zijn wegens persoonlijke omstandigheden aan de zijde van klager pas voor het eerst behandeld op de zitting van 22 juni 2023. Op deze zitting heeft de rechtbank de behandeling van de klaagschriften voor twee weken aangehouden om klager, zijn raadslieden en de officieren van justitie te laten onderzoeken of zij – eventueel in aanwezigheid van bijvoorbeeld de rechter-commissaris en/of de Ringvoorzitter – in gesprek konden gaan over de inbeslaggenomen goederen en tot overeenstemming zouden kunnen komen over de vraag of en zo ja in hoeverre deze ter beschikking mogen worden gesteld aan het onderzoeksteam.
Vervolgens is door partijen een paar keer gevraagd de behandeling van de zaken aan te houden omdat zij nog in overleg waren.
Op 6 november 2023 heeft de verdediging verzocht om de behandeling van de zaak weer op zitting te plannen, omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.
De rechtbank heeft op 23 april 2024 de klaagschriften in besloten raadkamer behandeld. Daarbij zijn klager, zijn advocaten en de officieren van justitie gehoord.
(...)
4. De beoordeling
4.1
De juridische basis van het beslag
Gelet op het proces-verbaal van verdenking van 30 april 2020, het proces-verbaal van verdenking van 19 juli 2021, het proces-verbaal aanvraag machtiging doorzoeking ter inbeslagneming en ter vastlegging van gegevens van 11 oktober 2021 en de beslissingen van de rechter-commissaris van 28 oktober 2021 en 1 februari 2022 met betrekking tot de zeer uitzonderlijke omstandigheden, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het bij de vier doorzoekingen ter inbeslagname gaat om beslag, gelegd op de voet van het bepaalde in artikel 94 Sv in samenhang met artikel 98 Sv en artikel 125l Sv.
4.2
Toetsingsmaatstaven
Artikel 94 Sv
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.
Artikel 98 en 125l Sv
Ingevolge artikel 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv, zoals een notaris, zonder hun toestemming geen brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt in beslag worden genomen. Het is aan de verschoningsgerechtigde om te bepalen of een bepaald stuk onder zijn geheimhoudingsplicht valt.
Indien het beroep op het verschoningsrecht in beginsel gerechtvaardigd is kan niettemin in drie situaties aan dat beroep worden voorbijgegaan. In de eerste plaats mogen op grond van artikel 98, vijfde lid, Sv, ook zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde, brieven of geschriften in beslag worden genomen indien deze voorwerpen deel uitmaken van het strafbare feit (corpora delicti) of tot het begaan daarvan hebben gediend (instrumenta delicti). Zulke brieven en geschriften vallen immers niet onder de geheimhoudingsplicht, en daarmee evenmin onder het verschoningsrecht.
In de tweede plaats is een inbreuk op het verschoningsrecht denkbaar indien er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het oordeel van de verschoningsgerechtigde, inhoudende dat bepaalde gegevens onder zijn geheimhoudingsplicht vallen, onjuist is.
In de derde plaats kan onder zeer uitzonderlijke omstandigheden het belang van de waarheidsvinding meebrengen dat het verbod van artikel 98, eerste lid Sv, wordt geschonden. Deze laatste situatie van zeer uitzonderlijke omstandigheden is in de onderhavige zaak onderwerp van debat.
Op grond van bestendige jurisprudentie gaat de rechtbank uit van het volgende.
De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beoordeling hiervan zijn de vraag of het gaat om een verdenking jegens de verschoningsgerechtigde, de aard en zwaarte van de delicten, de aard en omvang van de gegevens en de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden sprake is gelden zware motiveringseisen. De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt, is in ieder geval niet toereikend. De verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een notaris met bepaalde cliënten, kan onder omstandigheden wel toereikend zijn. In dat geval dienen het belang van de cliënt die ervan uit mocht gaan dat het door hem aan de notaris toevertrouwde geheim zou blijven en dus het verschoningsrecht (en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden), te wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Deze inbreuk op het verschoningsrecht mag echter niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de notaris dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de notaris wordt verdacht, onevenredig worden getroffen.
De rechtbank stelt voorts vast dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld, in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dit betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure wordt getreden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.
De eerder omschreven verdenking heeft betrekking op een groot aantal vastgoedtransacties van [bedrijf] BV (hierna: [bedrijf] ) waar klager in zijn hoedanigheid van notaris in de periode van 1 juli 2014 tot 15 april 2020 bij betrokken is geweest. Bij deze transacties zijn door de FIOD onregelmatigheden geconstateerd. Bij deze transacties valt met name op dat sprake is van verschillende ABC(D)-transacties met grote, onverklaarbare prijsverschillen. Klager heeft geen van de beschreven transacties gemeld aan de FIOD terwijl het vermoeden is dat klager deze wel had moeten melden. Daarnaast zijn door [bedrijf] aangekochte panden door derden gefinancierd. Op de derdenrekening van klager is te zien dat niet bij de leveringsakten betrokken personen en bedrijven voor de aangekochte panden betalen en dat later onder andere zaaknummers aan- en verkoopbedragen terug worden betaald vanaf deze derdenrekening. Het gevolg is dat niet inzichtelijk is wie er nu rechthebbende van de betreffende gelden is. De officier van justitie heeft derhalve een redelijke verdenking van medeplegen van witwassen tegen verdachte. Deze manier van registreren is bovendien in strijd met het Reglement beperking uitbetaling derdengelden (hierna: BUD). Tot slot blijkt uit de stukken een gegrond vermoeden van het valselijk opmaken van nota's van afrekening en leveringsakten.
De rechtbank stelt vast dat na de inbeslagneming nader onderzoek heeft plaatsgevonden en dat onder meer [getuige] is gehoord als getuige. Het is aan de zittingsrechter in de hoofdzaak om te bepalen welke gevolgen de nieuwe onderzoeksresultaten zullen moeten krijgen voor de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv. In het kader van de onderhavige beklagprocedure volstaat de rechtbank met het oordeel dat de onderzoeksresultaten geen wezenlijke verandering teweeg hebben gebracht in het bestaan of de aard en ernst van de verdenking tegen klager.
Tegen klager bestaat derhalve een nog niet door de verdediging weerlegd redelijk vermoeden van schuld aan zeer ernstige, concrete strafbare feiten, waarbij klager wordt vermoed misbruik te hebben gemaakt van zijn positie als uitoefenaar van het beroep van notaris. Klager is dan ook terecht als verdachte aangemerkt.
Indien de verdenkingen bewezen worden verklaard, is sprake van zeer ernstige delicten, te weten, kort gezegd, het in georganiseerd verband gedurende meerdere jaren plegen van witwassen, valsheid in geschrift en schenden van Wwft-verplichtingen waarbij tientallen onroerend-goed-transacties en grote geldbedragen gemoeid zijn geweest. Het verwijt zijdens het OM is dat klager dit bewust, structureel en over een langere periode heeft gedaan en de bijzondere positie van de notaris heeft misbruikt. Dit zou zozeer de kern van de werkzaamheden van de notaris raken, dat bij bewezenverklaring het maatschappelijk vertrouwen dat in de werkzaamheden van een notaris moet kunnen worden gesteld en het aanzien van het ambt, ernstig hierdoor zou worden geschaad.
Uit de stukken wordt voldoende duidelijk dat de in beslag genomen voorwerpen betrekking hebben op transacties die vanaf 2014 tot 15 april 2020 bij klager hebben plaatsgevonden. Dit geldt in het bijzonder voor de geschriften die bij de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in beslag zijn genomen. Blijkens de beslissingen van 1 februari 2022 van de rechter-commissaris gaat het immers telkens om een eigendomsbewijs of een afschrift van hypotheek van een onroerend goed dat onderdeel uitmaakt van het strafrechtelijk onderzoek. Ook zonder kennisneming van die geschriften komt de rechtbank tot het oordeel dat deze geschriften voorwerp van het (veronderstelde) strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Het onderzoeksbelang vergt dat inzicht wordt verkregen in de verdachte transacties, waarbij het aannemelijk is dat de bewijzen van die transacties zich onder het beslag kunnen bevinden. Voorts staat vast dat de relevante gegevens van deze transacties niet op een andere wijze kunnen worden verkregen. Het is niet aannemelijk dat op een minder ingrijpende manier de waarheid aan het licht kan komen.
De rechtbank komt tot de conclusie dat, gelet op de aard, ernst en omvang van de tegen klager gerezen verdenking, er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van klager rechtvaardigen. Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat nu het onderzoek nog loopt, het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag.
De klaagschriften zullen dan ook ongegrond worden verklaard.
Voor wat betreft de (inhoud van de) inbeslaggenomen harde schijfserver van de computer in het kantoor van klager en de inhoud van de – inmiddels gekraakte – iPhone XR geldt het volgende.
Uit het proces-verbaal van doorzoeking van de rechter-commissaris blijkt dat de rechter-commissaris – uiteindelijk – heeft besloten de gehele server te kopiëren en zonder de inhoud te beoordelen mee te nemen. Filtering van de op die server aanwezige gegevens heeft derhalve niet plaatsgevonden. Dat geldt ook voor de inhoud van de (inmiddels gekraakte) iPhone. Deze digitale gegevens zijn derhalve nog niet gefilterd aan de hand van het relevantiecriterium, een en ander ter bescherming van derden, zoals verwoord in de beschikking van de rechter-commissaris.
De rechtbank gaat ervan uit dat de gegevens op de genoemde digitale gegevensdragers door de rechter-commissaris worden gefilterd, alvorens de (inhoud van de) digitale gegevensdragers aan het onderzoeksteam ter beschikking worden gesteld.
5. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beklag in al zijn onderdelen ongegrond.”
3. Beoordeling van het derde en het vijfde cassatiemiddel
3.1
Het derde cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank de behandeling van het klaagschrift, voor zover het betrekking heeft op de inbeslaggenomen server van het kantoor van de klager en zijn iPhone XR, had moeten aanhouden en de stukken in zoverre in handen van de rechter-commissaris had moeten stellen. Daartoe wordt aangevoerd dat de rechter-commissaris ten aanzien van die voorwerpen nog niet had beslist of de officier van justitie van de inhoud daarvan mag kennisnemen. Het vijfde cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank dat de doorbreking van het verschoningsrecht van de klager ten aanzien van de onder hem inbeslaggenomen administratieve stukken is beperkt tot het strikt noodzakelijke. De cassatiemiddelen lenen zich in zoverre voor gezamenlijke bespreking.
3.2
Bij de beoordeling van de cassatiemiddelen zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 98 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.
5. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
6. De rechter-commissaris kan zich bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn geheimhoudingsplicht laten voorlichten door een vertegenwoordiger van de beroepsgroep waartoe de verschoningsgerechtigde behoort.”
- Artikel 218 Sv:
“Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.”
3.3.1
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223 over het verschoningsrecht van de advocaat als beroepsbeoefenaar in de zin van artikel 218 Sv onder meer overwogen:
“4.3 De geschiedenis van de Wet van 4 juli 2018 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot vastlegging van het recht op bronbescherming bij vrije nieuwsgaring (bronbescherming in strafzaken), Stb. 2018, 264, waarbij artikel 98 Sv laatstelijk is gewijzigd, houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“Soms is de omvang van het te selecteren materiaal zodanig dat de volledige selectie niet door de RC op het kantoor van de verschoningsgerechtigde kan worden gedaan. Dan zal een eerste selectie moeten plaatsvinden en daarna veelal met behulp van de verschoningsgerechtigde een tweede. Vervolgens zal in het algemeen tot teruggave kunnen worden overgegaan.”(Kamerstukken II 2014/15, 34032, nr. 3, p. 20)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“De leden van de SP-fractie achten het niet wenselijk dat een voorgenomen nadere selectie van het in beslag te nemen materiaal ook later kan plaatsvinden. Zij vragen naar een toelichting op de gebruikelijke gang van zaken in de praktijk. Als het gaat om een selectie uit een beperkte hoeveelheid materiaal is het redelijk dat de selectie ook ter plaatse door de RC wordt gemaakt. Indien het evenwel een kantoor betreft waarop diverse computers, laptops en smartphones of informatie opgeslagen op grote servers aanwezig zijn, is het niet redelijk dat de selectie die waarschijnlijk veel tijd zal vergen, ook daar plaats vindt. Het meest praktisch is dat de selectie later op het kabinet van de RC wordt uitgevoerd.”
4.4
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat het verschoningsrecht van de advocaat in zoverre niet absoluut is dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de advocaat als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. In een dergelijk geval moeten het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het betreffende feit. Daarbij moet zorg worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de advocaat wordt verdacht, onevenredig worden getroffen (vgl. HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3805 en HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162).
4.5
Indien een doorzoeking plaatsvindt bij een advocaat en de rechter-commissaris de stukken meeneemt naar zijn kabinet ter nadere beoordeling, gebeurt de inbeslagneming bij de advocaat op grond van het voorlopig oordeel van de rechter-commissaris dat deze stukken kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566, rechtsoverweging 2.4.1). Een dergelijke handelwijze is ook in overeenstemming met wat de wetgever volgens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis voor ogen heeft gestaan in gevallen waarin op het kantoor van de verschoningsgerechtigde vanwege de omvang van het te selecteren materiaal slechts een eerste selectie kan worden gemaakt.
4.6
Op grond van artikel 98 lid 1 Sv is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers (vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, rechtsoverweging 4.2.3). Indien de rechtbank bij de behandeling van een op grond van artikel 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat de klager met betrekking tot inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en dat de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist, dient zij de behandeling van het klaagschrift aan te houden en de zaak in handen van de rechter-commissaris te stellen teneinde een beschikking te geven als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv (vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960 en HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553).”
3.3.2
Bij de beantwoording van de vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat het verschoningsrecht mag worden doorbroken, geldt wat betreft het belang van de waarheidsvinding als beoordelingsmaatstaf of de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR 30 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280).
3.4.1
De rechtbank heeft de volgende vaststellingen gedaan. De klager – een notaris – wordt verdacht van betrokkenheid bij een groot aantal vastgoedtransacties ten aanzien waarvan door de FIOD onregelmatigheden zijn geconstateerd. Onder de klager zijn op zijn kantoor en in zijn woning voorwerpen – waaronder administratieve stukken, een server en een iPhone – in beslag genomen. De rechter-commissaris heeft in verband hiermee “het regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden” van toepassing verklaard.
3.4.2
Op grond van deze vaststellingen heeft de rechtbank geoordeeld dat “gelet op de aard, ernst en omvang van de tegen klager gerezen verdenking, er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van klager rechtvaardigen” en dat “nu het onderzoek nog loopt, het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag”. De rechtbank heeft vervolgens echter niet kenbaar in haar oordeel betrokken of de inbreuk op het verschoningsrecht ten aanzien van de onder de klager inbeslaggenomen administratieve stukken en gegevensdragers niet verder gaat dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van de betreffende feiten. In het licht van wat onder 3.3 is vooropgesteld, is het oordeel van de rechtbank daarom niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat (i) de rechtbank wel nadere vaststellingen heeft gedaan over “in het bijzonder” de bij de medeverdachten inbeslaggenomen geschriften, maar niet specifiek wat betreft de onder de klager inbeslaggenomen administratieve stukken, en (ii) de rechtbank ten aanzien van (de kopieën van) de onder de klager inbeslaggenomen server en iPhone heeft vastgesteld dat filtering van de betreffende gegevens door de rechter-commissaris nog niet heeft plaatsgevonden.
3.5
Voor zover de cassatiemiddelen hierover klagen, slagen zij.
3.6
Na terugwijzing van de zaak zal de rechtbank, als de rechter-commissaris niet inmiddels ook ten aanzien van de onder de klager inbeslaggenomen administratieve stukken en (kopieën van de inhoud van de) gegevensdragers een beschikking als bedoeld in artikel 98 Sv heeft gegeven, de zaak daartoe in handen van de rechter-commissaris moeten stellen.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot ongegrondverklaring van het klaagschrift ten aanzien van de onder de klager in beslag genomen stukken en kopieën van gegevensdragers;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland , opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2025.
Conclusie 28‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag a.b.i. art. 98 Sv jo. 552a Sv. Beslag onder verdachte notaris en medeverdachten op stukken en gegevens(dragers). Op de in beslag genomen gegevensdragers bevinden zich ook documenten/gegevens die (mogelijk) onder het verschoningsrecht van de notaris vallen. Klachten over verzuim rechtbank (i) te beslissen op vw verzoek om aanhouding en aanvullend onderzoek en (ii) behandeling aan te houden en stukken in handen van r-c te stellen om op de voet van art. 98 Sv te beslissen over het door klager gedane beroep op verschoningsrecht. Voorts klachten over oordelen van rechtbank dat (iii) jegens klager redelijk vermoeden van schuld bestaat aan (zeer) ernstige (concrete) strafbare feiten, (iv) onder medeverdachten in beslag genomen geschriften voorwerp van strafbare feit uitmaken of tot begaan daarvan hebben gediend, (v) sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht t.a.v. het (gehele) beslag rechtvaardigen en (vi) de doorbreking van het verschoningsrecht voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02053 Bv
Zitting 28 januari 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlemmermeer, heeft bij beschikking van 7 mei 2024 drie namens de klager (een notaris) ingediende klaagschriften als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv in verbinding met art. 552a Sv ongegrond verklaard. De klaagschriften zijn gericht tegen beschikkingen van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 98 Sv.
1.2
Het cassatieberoep is op 17 mei 2024 ingesteld namens de klager. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, heeft bij schriftuur van 19 september 2024 vijf middelen van cassatie voorgesteld. Bij tijdig ingediende aanvullende schriftuur van 1 oktober 2024 is het eerste middel ingetrokken, zijn de overige vier middelen gehandhaafd en is de toelichting daarop voor een deel aangevuld.1.
1.3
De conclusie strekt ertoe dat de bestreden beschikking van de rechtbank gedeeltelijk wordt vernietigd, de zaak wordt teruggewezen en de stukken in handen van de rechter-commissaris worden gesteld om op de voet van art. 98 Sv te beslissen over het door de klager gedane beroep op het verschoningsrecht.
2. De procesgang
2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
In 2019 is het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam ‘ [naam] ’. De klager is in dat onderzoek als verdachte aangemerkt. Het gaat om een verdenking van kort gezegd medeplegen van witwassen, ten onrechte niet melden van ongebruikelijke transacties en deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van valsheid in geschrift en witwassen.
2.3
Op 12 oktober 2021 heeft de officier van justitie bij de rechter-commissaris vorderingen ingediend tot doorzoeking ter inbeslagneming én ter vastlegging van gegevens in geautomatiseerde werken. De vorderingen hebben betrekking op de woning en op het kantoorpand van de klager. Voorts heeft de officier van justitie de rechter-commissaris verzocht te bepalen dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding.
2.4
Op 15 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris de vorderingen toegewezen. Op diezelfde dag heeft de rechter-commissaris ook machtigingen verleend tot doorzoeking ter inbeslagneming op twee adressen van medeverdachten van de klager.
2.5
Op 28 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris positief beslist op het op 12 oktober 2021 gedane verzoek van de officier van justitie om te bepalen dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Bij diezelfde beslissing heeft de rechter-commissaris bepaald dat eventueel gelegd beslag bevroren blijft totdat definitief over de toelaatbaarheid van dat beslag is beslist.
2.6
Op 31 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris – in aanwezigheid van onder anderen de officier van justitie en de ringvoorzitter – de woning en het kantoorpand van de klager doorzocht. Daarbij zijn onder meer fysieke dossiers en een iPhone XR in beslag genomen en is een kopie gemaakt van de gehele server van het kantoor van de klager. Op diezelfde dag heeft de rechter-commissaris de panden van de medeverdachten van de klager doorzocht, waarbij eveneens stukken in beslag zijn genomen.
2.7
Op 11 november 2021 zijn de beslissingen van de rechter-commissaris van 15 en 28 oktober 2021 aan de klager betekend.
2.8
Op 12 november 2021 is namens de klager een klaagschrift ingediend tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 28 oktober 2021. In het klaagschrift wordt de rechtbank verzocht te oordelen dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht van de klager. Voorts wordt verzocht om opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de in beslag genomen stukken en gegevens(dragers) en een verbod tot kennisneming van de inhoud daarvan.
2.9
Op 1 februari 2022 heeft de rechter-commissaris in de strafzaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] beslist dat de uit haar pand meegenomen bescheiden onder het verschoningsrecht van de klager vallen, de in zijn beslissing onder 1, 4 en 6 vermelde stukken, te weten eigendomsbewijzen van respectievelijk 10 juni 2015 en 28 mei 2018 en een document van 17 december 2019, niet in beslag mogen worden genomen en de stukken vermeld onder 2, 3 en 5, te weten drie eigendomsbewijzen van respectievelijk 3 mei 2016, 12 september 2016 en 1 juni 2018, betrekking hebben op onroerend goed dat onderdeel uitmaakt van het strafrechtelijk onderzoek en mogelijk hebben gediend tot het begaan van een strafbaar feit, zodat inbeslagneming van die stukken wél is toegestaan.
2.10
Op 1 februari 2022 heeft de rechter-commissaris in de strafzaak tegen de medeverdachte [betrokkene 2] beslist dat van de uit diens pand meegenomen bescheiden de in zijn beslissing onder 3 en 4 vermelde stukken, te weten testamenten van 4 maart 2016, onder het verschoningsrecht van de klager vallen en geen betrekking lijken te hebben op het strafrechtelijk onderzoek, zodat inbeslagneming daarvan niet is toegestaan. De stukken vermeld onder 1 en 2, te weten een afschrift van een hypotheekakte van 26 februari 2016 en een eigendomsbewijs van diezelfde datum, vallen eveneens onder het verschoningsrecht van de klager, maar maken deel uit van het strafrechtelijk onderzoek en hebben mogelijk gediend tot het begaan van een strafbaar feit, zodat inbeslagneming van die stukken om die reden wel is toegestaan. Het stuk vermeld onder 5, te weten een bericht van het Kadaster van 16 maart 2016, valt volgens de rechter-commissaris niet onder het verschoningsrecht van de klager en kan dus eveneens in beslag worden genomen.
2.11
Op 14 februari 2022 zijn namens de klager klaagschriften ingediend tegen de beslissingen van de rechter-commissaris van 1 februari 2022 in de strafzaken tegen de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . In beide klaagschriften wordt de rechtbank (opnieuw) verzocht te oordelen dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht van de klager. Voorts wordt verzocht om opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de in beslag genomen stukken en een verbod tot kennisneming van de inhoud daarvan.
2.12
Het Openbaar Ministerie heeft schriftelijk gereageerd op de klaagschriften.
2.13
Op 20 juni 2022 hebben de raadslieden van de klager de rechter-commissaris verzocht zijn beslissing dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het verschoningsrecht van de klager moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding te herzien.
2.14
Op 14 juli 2022 heeft de rechter-commissaris per e-mail gereageerd dat het verzoek van de raadslieden geen wettelijke grondslag kent en de rechter-commissaris (derhalve) niet bevoegd is om zijn eerdere beslissing waarop het verzoek ziet te toetsen, zodat het verzoek van de raadslieden niet in behandeling wordt genomen.
2.15
Op 22 juni 2023 zijn de klaagschriften met gesloten deuren in raadkamer van de rechtbank behandeld in aanwezigheid van de klager, diens advocaten en de officieren van justitie. Op die raadkamerzitting heeft de rechtbank de behandeling van de klaagschriften voor bepaalde tijd geschorst tot de raadkamerzitting van 6 juli 2023, zodat de partijen konden onderzoeken of zij tot een overeenstemming zouden kunnen komen over de vraag of, en zo ja in hoeverre de in beslag genomen stukken en gegevens(dragers) ter beschikking mogen worden gesteld aan het onderzoeksteam.
2.16
Op 6 juli 2023 is namens de klager verzocht de behandeling van de klaagschriften (wederom) aan te houden, omdat de klager, zijn advocaten en het Openbaar Ministerie nog steeds onderzochten of zij de bovengenoemde overeenstemming konden bereiken. Daarop heeft de rechtbank de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden en beslist dat de verdediging en het Openbaar Ministerie uiterlijk op 28 september 2023 schriftelijk aan de rechtbank kenbaar zouden maken of zij overeenstemming hadden bereikt in de onderhavige procedure.
2.17
Op 6 november 2023 is namens de klager verzocht de behandeling van de klaagschriften weer op een raadkamerzitting te plannen, omdat de partijen geen overeenstemming hadden bereikt.
2.18
Op 23 april 2024 is de behandeling van de klaagschriften met gesloten deuren – en, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling van de raadkamer – hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing van het onderzoek op 6 juli 2023. Daarbij zijn de klager, diens advocaten en de officieren van justitie gehoord.
2.19
Op 7 mei 2024 heeft de rechtbank de klaagschriften ongegrond verklaard.
2.20
Op 17 mei 2024 is namens de klager beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking van de rechtbank.
3. Het tweede middel
3.1
In het tweede middel wordt geklaagd dat “de rechtbank heeft verzuimd een beslissing te nemen op het voorwaardelijk verzoek van de raadsman van klager om aanhouding van de behandeling van de klaagschriften en al dan niet terugwijzing naar de rechter-commissaris teneinde een notarieel deskundige (bijvoorbeeld een vooraanstaand lid van de beroepsgroep) te (laten) benoemen om (een aantal van) de dossiers te laten beoordelen om te laten vaststellen of klager heeft gehandeld conform de vigerende wet- en regelgeving en/of wat de portee van eventuele omissies is, terwijl de voorwaarde waaronder dit verzoek is gedaan wel is vervuld (te weten: de beslissing, althans het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een redelijke verdenking jegens klager ter zake van ernstige strafbare feiten die het regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigt).”
3.2
Blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 22 juni 2023 hebben de raadslieden van de klager het woord gevoerd overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotitie die als bijlage I aan het proces-verbaal is gehecht. Ik citeer hieronder allereerst twee passages uit die pleitnotitie (met weglating van een voetnoot) en vervolgens (cursief) de blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting daarop gegeven aanvulling.
“Wij verzoeken u dan ook dringend om kritisch naar het dossier en hetgeen de verdediging heeft aangevoerd te kijken, waarna u in onze ogen slechts kunt oordelen dat in casu geen sprake is [van] een redelijke verdenking van ernstige feiten die het regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardig[t]. Hierbij stelt de verdediging graag, zoals ook in het schrijven van 20 juni 2022 aangegeven, de onderliggende stukken aan uw raadkamer ter inzage beschikbaar.
Mocht u zich hiertoe (vooralsnog) onvoldoende voorgelicht voelen dan verzoekt de verdediging u de zaak aan te houden en al dan niet terug te wijzen naar de rechter-commissaris teneinde een deskundige (bijvoorbeeld een vooraanstaand lid van de beroepsgroep) te (laten) benoemen om (een aantal van) de dossiers te laten beoordelen om te laten vaststellen of de notaris heeft gehandeld conform de vigerende wet- en regelgeving en/of wat de portee van eventuele omissies is. De KNB is, zoals reeds per e-mail kenbaar gemaakt, bereid, en in staat gevonden een deskundige voor te dragen (…).”
“Op pagina 9 komt het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de klaagschriften aan de orde in het kader van het horen van een deskundige.”
3.3
Volgens het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 23 april 2024 hebben de raadslieden van de klager daar wederom het woord gevoerd overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnotitie die als bijlage I aan het proces-verbaal is gehecht. Die pleitnotitie houdt onder meer in:
“Wij zijn [de] vorige keer reeds zeer uitvoerig geweest. Alles wat (in de aanloop naar de zitting) op 22 juni 2023 naar voren is gebracht geldt wat ons betreft nog steeds onverkort en wij verzoeken u dit als herhaald en ingelast te beschouwen.”2.
3.4
Het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 23 april 2024 houdt verder in:
“De klaagschriften zijn eerder behandeld, voor het laatst op de zitting van 6 juli 2023. Het onderzoek is toen geschorst. De rechtbank bestaat nu uit andere rechters. Met instemming van de officier van justitie, de klager en de raadslieden gaat de rechtbank verder met het onderzoek vanaf het moment van schorsing op de zitting van 6 juli 2023.”
Het juridisch kader
3.5
Op de onderhavige beklagprocedure zijn de raadkamerbepalingen van de artikelen 21 tot en met 25 Sv van toepassing. Zoals in de toelichting op het tweede middel terecht wordt gesteld, is in deze artikelen niet bepaald dat de raadkamer op straffe van nietigheid moet beslissen op een verzoek tot aanhouding.3.Dat neemt niet weg dat het niet expliciet beslissen op een dergelijk verzoek onder omstandigheden wel een zodanige strijd met een goede procesorde kan opleveren dat het de nietigheid van het onderzoek in raadkamer tot gevolg heeft. Bij de beoordeling of zich een zodanig geval voordoet, is onder meer relevant of het verzoek is gemotiveerd en of in cassatie is uiteengezet in welk belang de klager door de afwijzing van het verzoek is geschaad.4.Bij die beoordeling moet ook de aard van de beklagprocedure in ogenschouw worden genomen.5.
3.6
Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv draagt een summier karakter. Dat betekent dat van de beklagrechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.6.Het summiere karakter van de beklagprocedure brengt met zich mee dat die procedure zich niet leent voor een uitvoerig, diepgaand of omvangrijk onderzoek. Een dergelijk onderzoek moet plaatsvinden in de hoofdzaak.7.
De bespreking van het tweede middel
3.7
Op 22 juni 2023 heeft de raadkamer van de rechtbank een aanvang gemaakt met de behandeling van de klaagschriften. Op die zitting is door de raadslieden van de klager – ingeval de rechtbank van oordeel zou zijn dat sprake is van een redelijke verdenking van ernstige strafbare feiten die het regiem van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ rechtvaardigt – voorwaardelijk het verzoek gedaan om de behandeling van de zaak aan te houden en nader onderzoek te (doen) verrichten. De raadkamer heeft de behandeling van de klaagschriften op die zitting wel aangehouden, maar dat was om een andere reden, namelijk om de partijen te laten onderzoeken of zij overeenstemming konden bereiken over de vraag of, en zo ja in hoeverre de in beslag genomen stukken en gegevens(dragers) ter beschikking mogen worden gesteld aan het onderzoeksteam (zie randnr. 2.15).
3.8
Uiteindelijk is de inhoudelijke behandeling van de klaagschriften voortgezet op de raadkamerzitting van 23 april 2024 (zie randnr. 2.18). De raadslieden van de klager hebben op die zitting aangegeven dat alles wat door hen (in de aanloop naar de zitting) op 22 juni 2023 naar voren is gebracht nog steeds onverkort geldt. Zij hebben verzocht datgene als herhaald en ingelast te beschouwen. Uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 23 april 2024 blijkt niet dat de raadkamer hiermee heeft ingestemd. Hoewel de raadkamer op 23 april 2024 anders is samengesteld dan op de zittingen van 22 juni 2023 en 6 juli 2023, meen ik, dat het op 22 juni 2023 gedane voorwaardelijk verzoek om de behandeling van de klaagschriften aan te houden voor aanvullend onderzoek door een deskundige (en die deskundige als getuige te horen) er op 23 april 2024 nog steeds ligt. Immers: i. het onderzoek in raadkamer is op de raadkamerzitting van 23 april 2024, ondanks de gewijzigde samenstelling van de raadkamer, met instemming van de partijen hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing daarvan op 6 juli 2023; ii. uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 23 april 2024 kan worden afgeleid dat de voorzitter heeft aangegeven dat het niet de bedoeling is om na een hervatting in de staat waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de schorsing, alles opnieuw aan de orde te stellen; iii. uit de inhoud van de op de raadkamerzitting van 23 april 2024 voorgedragen pleitnotitie en hetgeen in aanvulling daarop en ook voor het overige door de raadslieden naar voren is gebracht, bezwaarlijk kan worden afgeleid dat door hen van het op 22 juni 2023 gedane voorwaardelijk verzoek afstand is gedaan.
3.9
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen “dat, gelet op de aard, ernst en omvang van de tegen klager gerezen verdenking, er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van klager rechtvaardigen.” Daarmee is de aan het voorwaardelijk verzoek verbonden voorwaarde vervuld. Uit de processen-verbaal van de raadkamerzittingen en de bestreden beschikking blijkt echter niet dat de rechtbank een beslissing heeft genomen op het voorwaardelijk verzoek van de raadslieden. In zoverre heeft de steller van het middel het gelijk aan haar zijde.
3.10
In cassatie resteert dan de vraag of het verzuim om te beslissen op het in het tweede middel bedoelde voorwaardelijk verzoek van de raadslieden zodanig in strijd is met een goede procesorde dat het tot nietigheid van het in raadkamer verrichte onderzoek moet leiden. Ik meen van niet. Daarbij neem ik in aanmerking dat het aanvullend onderzoek waarop het voorwaardelijk verzoek betrekking heeft niet anders kan worden aangemerkt dan als een uitvoerig, diepgaand en/of omvangrijk onderzoek dat in feite ziet op de vraag of de klager zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten strafbare feiten. Gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure leent deze procedure zich niet voor een dergelijk onderzoek. Dat onderzoek behoort plaats te vinden in de hoofdzaak en voorkomen moet worden dat de beklagrechter daarop vooruitloopt. Dat het in de onderhavige procedure gaat om het zwaarwegend belang van het verschoningsrecht van een notaris, maakt dat niet anders. Dat grote belang is immers al geborgd in het criterium dat alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden voorrang mag worden gegeven aan de waarheidsvinding. Het belang leidt niet tot een andere verhouding tussen de beklagrechter en de strafrechter.8.De raadkamer had het voorwaardelijk verzoek derhalve enkel kunnen afwijzen. Dat het verzuim in strijd zou zijn met een goede procesorde valt niet goed in te zien.
3.11
Het tweede middel faalt.
4. Het derde middel
4.1
In het derde middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat de rechtbank ten onrechte, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden het klaagschrift van 12 november 2021, voor zover dat betrekking heeft op (de inhoud van) de in beslag genomen server van het kantoor van de klager en zijn iPhone XR, ongegrond heeft verklaard en heeft verzuimd de behandeling van dat klaagschrift in zoverre aan te houden en de stukken in handen van de rechter-commissaris te stellen [om alsnog een beschikking als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv te geven] en in de tweede plaats dat de rechtbank ten onrechte niet uitdrukkelijk heeft beslist op het beklag over (de inhoud van) deze gegevensdragers.
4.2
De beschikking van de rechter-commissaris van 28 oktober 2021 houdt het volgende in:
“Procedure
Op 12 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris een brief d.d. 7 oktober 2021 ontvangen van de officier van justitie, [betrokkene 3] , waarin wordt verzocht voorafgaand aan een doorzoeking in het kantoor van verdachte, als notaris een beroepsgeheimhouder, het beslagregiem van “zeer uitzonderlijke omstandigheden" die het verschoningsrecht doorbreken van toepassing te verklaren.
De rechter-commissaris heeft de vordering doorzoeking toegewezen, waarover apart is beschikt.
(…)
Beoordeling
(…)
De rechter-commissaris heeft bij de beoordeling of dit ruimere beslagregiem van toepassing moet worden verklaard het volgende betrokken. De verdenking is goed onderbouwd in onder meer een proces-verbaal van verdenking en de vordering tot doorzoeking. Ook aard en zwaarte van de misdrijven waar de verdenking op ziet, onder meer witwassen en deelname aan een criminele organisatie, zijn gewogen en zwaar bevonden. Tevens zijn aard en omvang van de te behalen gegevens gewogen en heeft de rechter-commissaris geconstateerd dat de relevante gegevens niet op een andere wijze kunnen worden verkregen. Tot slot is van belang dat de verdenking ziet op handelen dat ernstig misbruik door de verschoningsgerechtigde oplevert van zijn positie als uitoefenaar van zijn beroep. Er is daarmee ook maatschappelijke schade veroorzaakt door schending van het aanzien van dat beroep. (...)
De rechter-commissaris is van oordeel dat hier, op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, zeer uitzonderlijke omstandigheden aangenomen kunnen worden die maken dat het belang van de waarheidsvinding prevaleert en het bepaalde in de leden 1 en 5 van artikel 98 Sv wordt doorbroken. Dit brengt mee dat voorwerpen in beslag mogen worden genomen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, ook als het om zogenaamde geheimhouderstukken zou gaan. (…)
Beslissing
De rechter-commissaris verklaart in deze zaak het regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden van toepassing.
De verschoningsgerechtigde kan zich desgewenst op grond van artikel 98 lid 3 en 4 Sv jo artikel 552a Sv bij de raadkamer van de rechtbank schriftelijk beklagen over deze beslissing. Dit moet binnen 14 dagen na betekening van deze beslissing worden ingesteld. Eventueel beslag blijft ingeval van bezwaar bevroren totdat definitief over het beslagregiem is beslist.”
4.3
De op de raadkamerzitting van 22 juni 2023 overgelegde pleitnotitie die als bijlage I aan het proces-verbaal van die zitting is gehecht en de blijkens dat proces-verbaal op die pleitnotitie gegeven aanvulling houden het volgende in (waarbij de aanvulling door mij wederom gecursiveerd is weergegeven):
“Hierbij is voorts van belang dat het in tegenstelling tot de meeste zaken waarbij het regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden van toepassing is, het in casu draait om een zeer groot aantal zaaks- en persoonsdossiers, de volledige financiële administratie en ontzettend veel digitale stukken, namelijk de gehele server en mailserver, die in beslag zijn genomen. Hierin bevinden zich ook zeer veel gegevens van derden die helemaal niets met onderstaande zaak van doen hebben. Hier zullen wij ook op terugkomen.”
“Bij pagina 6 dient ten aanzien van de in beslag genomen server te worden vermeld dat deze ter beschikking moet worden gesteld aan de rechter-commissaris, zodat deze een beslissing op de daarop aanwezige gegevens kan geven.”
4.4
Het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 22 juni 2023 houdt bovendien in:
“De voorzitter vangt aan met een aantal algemene opmerkingen.
(…)
Vandaag zijn vier klaagschriften aan de orde. Het klaagschrift opgenomen onder 21-017979 is gericht tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 28 oktober 2021 met betrekking tot toepassing van het regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden ten aanzien van de inbeslagname van (digitale) stukken uit het kantoor van klager (…) en het woonhuis van klager (…). Onder deze stukken bevinden zich tevens digitale documenten opgeslagen op een harde schijf, die nog niet in het kader van de inbeslagname zijn geselecteerd.
(…)
Onder verwijzing naar pagina 9 van het requisitoir stelt de voorzitter aan de orde dat de rechter-commissaris de beslissing heeft genomen tot inbeslagname van de server, maar dat het erop lijkt dat geen beslissing is genomen over de inhoud daarvan. De voorzitter merkt op dat het dan de vraag is of de rechtbank een beslissing kan nemen over de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden.
De officier van justitie reageert hierop als volgt.
De vraag is nu of het beslag op de server wordt gehandhaafd. Indien de server niet aan klager wordt teruggegeven, kan in overleg met de rechter-commissaris worden bekeken welke stukken onder de geheimhoudingsplicht vallen.”
4.5
In het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 23 april 2024 is onder meer het volgende te lezen:
“De voorzitter deelt mede dat de rechter-commissaris gisteren contact met haar heeft opgenomen om haar op de hoogte te stellen van het feit dat er inmiddels ook een klaagschrift van klaagster [betrokkene 4] , kantoorgenoot van klager, is ingediend. Tijdens dit gesprek begreep de voorzitter ook dat de iPhone die onder klager in beslag is genomen inmiddels is gekraakt en uitgelezen en dat deze aan klager terug is gegeven.
De klager bevestigt dat hij de voormelde iPhone inmiddels heeft ontvangen.
(…)
De voorzitter deelt mede dat er ook beslag is gelegd op een server, maar dat zij deze niet terug heeft kunnen vinden op de beslaglijsten.
De officier van justitie, [betrokkene 3] geeft aan dat later een server in beslag is genomen waar apart proces-verbaal van is opgemaakt door de rechter-commissaris.”
4.6
De bestreden beschikking van 7 mei 2024 houdt onder andere in:
“1. Procesgang
(…)
De rechter-commissaris heeft op 31 oktober 2021 in aanwezigheid van de Ringvoorzitter het kantoorpand van klager (…) doorzocht en voorwerpen in beslag genomen. (…) Uit de processen-verbaal blijkt dat de rechter-commissaris heeft besloten een kopie te maken van de gehele server van het kantoor, omdat het doorzoeken van het systeem op relevante zoekwoorden (filteren) ter plaatse niet lukte. Klager heeft hiertegen bezwaar gemaakt. (…)
De rechter-commissaris heeft daarnaast op 31 oktober 2021 leiding gegeven aan de doorzoeking van de panden (…). Ook hier zijn voorwerpen in beslag genomen, waaronder een iPhone XR in het woonhuis van klager.
De rechter-commissaris heeft bij zijn beslissing van 28 oktober 2021 bepaald dat de in het woonhuis en kantoorpand van klager in beslag genomen voorwerpen onder de rechter-commissaris blijven totdat definitief over de toelaatbaarheid van het beslag is beslist. (…) Daarnaast staat vast dat de harde schijf/server van het kantoor van klager in beslag is genomen, zonder dat de inhoud daarvan is gefilterd.
(…)
Op 1 februari 2022 heeft de rechter-commissaris in de strafzaak tegen medeverdachte [betrokkene 1] beslist dat (…). [Opmerking A-G: zie randnr. 2.9].
Op 1 februari 2022 heeft de rechter-commissaris in de strafzaak tegen medeverdachte [betrokkene 2] beslist dat (…). [Opmerking A-G: zie randnr. 2.10].
Klager heeft op 12 november 2021 en 14 februari 2022 klaagschriften ingediend tegen voornoemde beslissingen van de rechter-commissaris van 28 oktober 2021 en van 1 februari 2022. Hierin verzoekt klager de rechtbank om uit te spreken dat het regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden niet van toepassing is en de teruggave te gelasten van de voorwerpen die in het kantoor en de woning van klager respectievelijk op de twee adressen van de medeverdachten in beslag zijn genomen.
(…)
4. De beoordeling
(…)
De klaagschriften zullen (…) ongegrond worden verklaard.
Voor wat betreft de (inhoud van de) in beslag genomen harde schijf/server van de computer in het kantoor van klager en de inhoud van de – inmiddels gekraakte – iPhone XR geldt het volgende.
Uit het proces-verbaal van doorzoeking van de rechter-commissaris blijkt dat de rechter-commissaris – uiteindelijk – heeft besloten de gehele server te kopiëren en zonder de inhoud te beoordelen mee te nemen. Filtering van de op die server aanwezige gegevens heeft derhalve niet plaatsgevonden. Dat geldt ook voor de inhoud van de (inmiddels gekraakte) iPhone. Deze digitale gegevens zijn derhalve nog niet gefilterd aan de hand van het relevantiecriterium, een en ander ter bescherming van derden zoals verwoord in de beschikking van de rechter-commissaris.
De rechtbank gaat ervan uit dat de gegevens op de genoemde digitale gegevensdragers door de rechter-commissaris worden gefilterd, alvorens de (inhoud van de) digitale gegevensdragers aan het onderzoeksteam ter beschikking worden gesteld.
5. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beklag in al zijn onderdelen ongegrond.”
Het juridisch kader
4.7
Indien een doorzoeking plaatsvindt bij een notaris en de rechter-commissaris de stukken meeneemt naar zijn kabinet ter nadere beoordeling, gebeurt de inbeslagneming bij de notaris op grond van het voorlopig oordeel van de rechter-commissaris dat deze stukken kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen.9.Een dergelijke handelwijze is naar het oordeel van de Hoge Raad ook in overeenstemming met wat de wetgever voor ogen heeft gestaan in gevallen waarin op het kantoor van de verschoningsgerechtigde vanwege de omvang van het te selecteren materiaal slechts een eerste selectie kan worden gemaakt.10.Op grond van art. 98 lid 1 Sv is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers.11.Indien de rechtbank bij de behandeling van een op grond van art. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat de klager met betrekking tot in beslag genomen stukken of vastgelegde gegevens zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en dat de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist, dient zij de behandeling van het klaagschrift aan te houden en de zaak in handen van de rechter-commissaris te stellen teneinde een beschikking te geven als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv.12.
De bespreking van het derde middel
4.8
In de toelichting op het derde middel wordt aangevoerd dat de rechtbank in strijd met vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft verzuimd de behandeling van het klaagschrift van 12 november 2021, voor zover dat betrekking heeft op (de inhoud van) de in beslag genomen server van het kantoor van de klager en zijn iPhone XR, aan te houden en de stukken in handen te stellen van de rechter-commissaris zodat deze alsnog een beschikking als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv kan geven nu de klager zich ten aanzien van die gegevens(dragers) op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist. Voor zover de ongegrondverklaring van het beklag niet ziet op (de inhoud van) de in beslag genomen server en de iPhone XR en de bestreden beschikking ook geen andere beslissing over dat beklag bevat, heeft de rechtbank verzuimd in zoverre te beslissen op het beklag, aldus de steller van het middel.
4.9
Bij beschikking van 28 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris in iets andere bewoordingen beslist dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet wijken ten behoeve van de waarheidsvinding. Tevens is in die beschikking bepaald dat eventueel beslag ‘bevroren’ blijft totdat definitief over de toelaatbaarheid van de voortduring daarvan is beslist. Deze beslissing is in feite een tussenbeslissing die inhoudt dat naar het voorlopige oordeel van de rechter-commissaris beslag kan worden gelegd op alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Wanneer vervolgens daadwerkelijk tot inbeslagneming wordt overgegaan en door de verschoningsgerechtigde daartegen bezwaar wordt gemaakt, zal de rechter-commissaris definitief moeten beslissen op het door de verschoningsgerechtigde gedane beroep op zijn verschoningsrecht en daarmee over de voortduring van het beslag en de kennisneming daarvan door de officier van justitie en diens onderzoeksteam.13.
4.10
Op 31 oktober 2021 zijn de woning en het kantoorpand van de klager doorzocht. Daarbij is een kopie van de gehele server van het kantoor gemaakt en is een iPhone XR van de klager in beslag genomen. Namens de klager is hiertegen bezwaar gemaakt. Daarbij is door de klager in zijn hoedanigheid van notaris mede ten aanzien van (de inhoud van) die server en de iPhone XR een beroep gedaan op zijn verschoningsrecht. De iPhone XR is vervolgens gekraakt en uitgelezen. De rechter-commissaris heeft met betrekking tot de bovengenoemde gegevens(dragers) (nog) geen schifting gemaakt tussen gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen.
4.11
Gelet op de omstandigheden dat de klager zich onder meer ten aanzien van de in beslag genomen server en de iPhone XR op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist, had de rechtbank de behandeling van het klaagschrift van 12 november 2021 in zoverre moeten aanhouden en de zaak in handen van de rechter-commissaris moeten stellen ter afgifte van een beschikking als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv. Uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 22 juni 2023 kan worden afgeleid dat de voorzitter van de raadkamer heeft geopperd dat de behandeling van de zaak misschien moet worden aangehouden, omdat de rechter-commissaris met betrekking tot (de inhoud van) de server van het kantoor van de klager en zijn iPhone XR (nog) geen schifting heeft gemaakt tussen gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen. De rechtbank is daartoe echter niet overgegaan, ook niet na een verzoek van de raadslieden van de klager, en heeft het beklag in al zijn onderdelen – en dus inclusief het deel waarover de rechter-commissaris nog geen beslissing heeft genomen – ongegrond verklaard. Gelet op het onder randnr. 4.7 uiteengezette juridisch kader is het kennelijke oordeel van de rechtbank, dat het klaagschrift van de klager van 12 november 2021 in al zijn onderdelen ongegrond kon worden verklaard zonder een beschikking van de rechter-commissaris af te wachten, prematuur en derhalve onjuist.14.Daaraan kan niet afdoen dat de rechtbank heeft overwogen dat zij ervan uitgaat dat de gegevens op de iPhone XR en de server van het kantoor van de klager door de rechter-commissaris worden gefilterd alvorens (de inhoud van) die gegevensdragers ter beschikking worden gesteld aan het onderzoeksteam.15.
4.12
Het derde middel slaagt.
4.13
Mogelijk ten overvloede merk ik nog het volgende op. In gevallen als het onderhavige waarin de inbeslagneming betrekking heeft op een grote hoeveelheid (digitale) stukken of gegevens en waarbij volgens de beslagene bepaalde stukken of gegevens onder het verschoningsrecht van geheimhouders vallen, ligt het doorgaans in de rede dat onder leiding van de rechter-commissaris een selectie wordt gemaakt tussen stukken of gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een – al dan niet door de beslagene te verstrekken – lijst met zoektermen die betrekking hebben op het deel van het materiaal waarover het verschoningsrecht zich mogelijk uitstrekt, zoals namen en e-mailadressen of termen die specifiek kunnen duiden op het voorwerp van het ingeroepen verschoningsrecht. De rechter-commissaris speelt hierbij een cruciale rol. De selectie strekt er immers toe de beoordeling door de rechter-commissaris of het beslag op de stukken of gegevens al dan niet kan worden toegestaan te vergemakkelijken. Bij deze beoordeling mag, voor zover dat noodzakelijk is, door de rechter-commissaris worden kennisgenomen van de betreffende stukken of gegevens. Als de rechter-commissaris – bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de in beslag genomen stukken of gegevens – niet in staat is zelf dat onderzoek te verrichten, zal hij het daarheen moeten leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionarissen en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt.16.
4.14
Terzijde zij opgemerkt dat hoewel het derde middel geen betrekking heeft op andere stukken en gegevens(dragers) dan de in beslag genomen server en iPhone XR, bij een vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing de onder randnr. 4.13 geschetste procedure ook moeten worden gevolgd ten aanzien van de overige in beslag genomen stukken en gegevens waarop door de rechter-commissaris nog geen beslissing als bedoeld in art. 98 Sv is gegeven.
5. Het vierde middel
5.1
Het vierde middel bevat de klacht dat “de rechtbank, in het licht van hetgeen door en namens klager is aangevoerd, op onjuiste en/of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat jegens klager een redelijk vermoeden van schuld bestaat aan (zeer) ernstige (concrete) strafbare feiten, welk oordeel – in het licht van het aangevoerde – bovendien onbegrijpelijk is.” In de toelichting op het vierde middel wordt samengevat aangevoerd dat de rechtbank in feite het standpunt van het Openbaar Ministerie heeft overgenomen zonder daarbij concreet in te gaan op hetgeen daartegen door en namens de klager is ingebracht, waardoor de rechtbank haar oordeel omtrent het bestaan van een verdenking jegens de klager in het kader van haar beoordeling of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden niet naar behoren heeft gemotiveerd.
5.2
De rechtbank heeft in haar beschikking hetgeen door de partijen is aangevoerd als volgt samengevat:17.
“2. Standpunt klager
In de klaagschriften is door de verdediging betoogd dat klager zich niet kan vinden in de beslissingen van de rechter-commissaris, nu klager zich niet schuldig heeft gemaakt aan de gestelde verdenkingen. De verdediging heeft tegen die achtergrond betoogd dat het regiem van de uitzonderlijke omstandigheden niet van toepassing is en dat de doorzoekingen en inbeslagneming (geheel of deels) onrechtmatig zijn geweest. Ten aanzien van de bij de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in beslag genomen geschriften stelt de verdediging dat deze niet (als zogenaamde ‘corpora delicti’ of instrumenta delicti’) dienstbaar zijn geweest aan strafbare gedragingen, zodat ze, vallend onder het verschoningsrecht van de notaris, niet in beslag mochten worden genomen.
Ter zitting heeft de verdediging de klaagschriften nader toegelicht en onder meer gesteld dat indien het vermoeden bestond dat klager al dan niet bewust zou hebben nagelaten om ongebruikelijke transacties te melden, het op de weg van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) had gelegen om hier in eerste instantie onderzoek naar te doen. Verder heeft de verdediging erop gewezen dat klager een ministerieplicht heeft en hij behoudens uitzonderlijke omstandigheden verplicht is om mee te werken aan transacties. Tot slot heeft de verdediging opmerkingen gemaakt bij 23 transacties als genoemd in het proces-verbaal van verdenking van 30 april 2020 (AMB-002-01) en het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2022 (AMB-077-01). De conclusie van de verdediging is dat geen sprake is van een redelijke verdenking van strafbare feiten die het regiem van zeer uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigt.
3. Standpunt Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben verzocht de klaagschriften ongegrond te verklaren. Klager wordt verdacht van zeer ernstige feiten, waarbij ernstig misbruik is gemaakt van het hem toekomende verschoningsrecht. Dat betekent dat zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden aangenomen die maken dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het belang van klager en dat het bepaalde in het eerste en vijfde lid van artikel 98 Sv wordt doorbroken.”
5.3
De rechtbank heeft de klaagschriften van de klager ongegrond verklaard en in dat verband het volgende overwogen:
“4. De beoordeling
4.1
De juridische basis van het beslag
Gelet op het proces-verbaal van verdenking van 30 april 2020, het proces-verbaal van verdenking van 19 juli 2021, het proces-verbaal aanvraag machtiging doorzoeking ter inbeslagneming en ter vastlegging van gegevens van 11 oktober 2021 en de beslissingen van de rechter-commissaris van 28 oktober 2021 en 1 februari 2022 met betrekking tot de zeer uitzonderlijke omstandigheden, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het bij de vier doorzoekingen ter inbeslagname gaat om beslag, gelegd op de voet van het bepaalde in artikel 94 Sv in samenhang met artikel 98 Sv en artikel 125l Sv.
4.2
Toetsingsmaatstaven
Artikel 94 Sv
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.
Artikel 98 en 125l Sv
Ingevolge artikel 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv, zoals een notaris, zonder hun toestemming geen brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt in beslag worden genomen. Het is aan de verschoningsgerechtigde om te bepalen of een bepaald stuk onder zijn geheimhoudingsplicht valt.
Indien het beroep op het verschoningsrecht in beginsel gerechtvaardigd is, kan niettemin in drie situaties aan dat beroep worden voorbijgegaan.
In de eerste plaats mogen op grond van artikel 98, vijfde lid, Sv, ook zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde, brieven of geschriften in beslag worden genomen indien deze voorwerpen deel uitmaken van het strafbare feit (corpora delicti) of tot het begaan daarvan hebben gediend (instrumenta delicti). Zulke brieven en geschriften vallen immers niet onder de geheimhoudingsplicht, en daarmee evenmin onder het verschoningsrecht.
In de tweede plaats is een inbreuk op het verschoningsrecht denkbaar indien er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het oordeel van de verschoningsgerechtigde, inhoudende dat bepaalde gegevens onder zijn geheimhoudingsplicht vallen, onjuist is.
In de derde plaats kan onder zeer uitzonderlijke omstandigheden het belang van de waarheidsvinding meebrengen dat het verbod van artikel 98, eerste lid Sv, wordt geschonden. Deze laatste situatie van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden' is in de onderhavige zaak onderwerp van debat.
Op grond van bestendige jurisprudentie gaat de rechtbank uit van het volgende.
De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beoordeling hiervan zijn de vraag of het gaat om een verdenking jegens de verschoningsgerechtigde, de aard en zwaarte van de delicten, de aard en omvang van de gegevens en de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden sprake is, gelden zware motiveringseisen. De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt, is in ieder geval niet toereikend. De verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een notaris met bepaalde cliënten, kan onder omstandigheden wel toereikend zijn. In dat geval dienen het belang van de cliënt die ervan uit mocht gaan dat het door hem aan de notaris toevertrouwde geheim zou blijven en dus het verschoningsrecht (en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden), te wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Deze inbreuk op het verschoningsrecht mag echter niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de notaris dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de notaris wordt verdacht, onevenredig worden getroffen.
De rechtbank stelt voorts vast dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dit betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure wordt getreden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.
De eerder omschreven verdenking heeft betrekking op een groot aantal vastgoedtransacties van Cura Vastgoed II BV (hierna: Cura) waar klager in zijn hoedanigheid van notaris in de periode van 1 juli 2014 tot 15 april 2020 bij betrokken is geweest. Bij deze transacties zijn door de FIOD onregelmatigheden geconstateerd. Bij deze transacties valt met name op dat sprake is van verschillende ABC(D)-transacties met grote, onverklaarbare prijsverschillen. Klager heeft geen van de beschreven transacties gemeld aan de FIU, terwijl het vermoeden is dat klager deze wel had moeten melden. Daarnaast zijn door Cura aangekochte panden door derden gefinancierd. Op de derdenrekening van klager is te zien dat niet bij de leveringsakten betrokken personen en bedrijven voor de aangekochte panden betalen en dat later onder andere zaaknummers aan- en verkoopbedragen terug worden betaald vanaf deze derdenrekening. Het gevolg is dat niet inzichtelijk is wie er nu rechthebbende van de betreffende gelden is. De officier van justitie heeft derhalve een redelijke verdenking van medeplegen van witwassen tegen verdachte. Deze manier van registreren is bovendien in strijd met het Reglement beperking uitbetaling derdengelden (hierna: BUD). Tot slot blijkt uit de stukken een gegrond vermoeden van het valselijk opmaken van nota's van afrekening en leveringsakten.
De rechtbank stelt vast dat na de inbeslagneming nader onderzoek heeft plaatsgevonden en dat onder meer de heer Geselschap is gehoord als getuige. Het is aan de zittingsrechter in de hoofdzaak om te bepalen welke gevolgen de nieuwe onderzoeksresultaten zullen moeten krijgen voor de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv. In het kader van de onderhavige beklagprocedure volstaat de rechtbank met het oordeel dat de onderzoeksresultaten geen wezenlijke verandering teweeg hebben gebracht in het bestaan of de aard en ernst van de verdenking tegen klager.
Tegen klager bestaat derhalve een nog niet door de verdediging weerlegd redelijk vermoeden van schuld aan zeer ernstige, concrete strafbare feiten, waarbij klager wordt vermoed misbruik te hebben gemaakt van zijn positie als uitoefenaar van het beroep van notaris. Klager is dan ook terecht als verdachte aangemerkt.
Indien de verdenkingen bewezen worden verklaard, is sprake van zeer ernstige delicten, te weten, kort gezegd, het in georganiseerd verband gedurende meerdere jaren plegen van witwassen, valsheid in geschrift en schenden van Wwft-verplichtingen, waarbij tientallen onroerend-goed-transacties en grote geldbedragen gemoeid zijn geweest. Het verwijt zijdens het OM is dat klager dit bewust, structureel en over een langere periode heeft gedaan en de bijzondere positie van de notaris heeft misbruikt. Dit zou zozeer de kern van de werkzaamheden van de notaris raken, dat bij bewezenverklaring het maatschappelijk vertrouwen dat in de werkzaamheden van een notaris moet kunnen worden gesteld en het aanzien van het ambt, ernstig hierdoor zou worden geschaad.
Uit de stukken wordt voldoende duidelijk dat de in beslag genomen voorwerpen betrekking hebben op transacties die vanaf 2014 tot 15 april 2020 bij klager hebben plaatsgevonden. Dit geldt in het bijzonder voor de geschriften die bij de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in beslag zijn genomen. Blijkens de beslissingen van 1 februari 2022 van de rechter-commissaris gaat het immers telkens om een eigendomsbewijs of een afschrift van hypotheek van een onroerend goed dat onderdeel uitmaakt van het strafrechtelijk onderzoek. Ook zonder kennisneming van die geschriften komt de rechtbank tot het oordeel dat deze geschriften voorwerp van het (veronderstelde) strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Het onderzoeksbelang vergt dat inzicht wordt verkregen in de verdachte transacties, waarbij het aannemelijk is dat de bewijzen van die transacties zich onder het beslag kunnen bevinden. Voorts staat vast dat de relevante gegevens van deze transacties niet op een andere wijze kunnen worden verkregen. Het is niet aannemelijk dat op een minder ingrijpende manier de waarheid aan het licht kan komen.
De rechtbank komt tot de conclusie dat, gelet op de aard, ernst en omvang van de tegen klager gerezen verdenking, er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van klager rechtvaardigen. Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat nu het onderzoek nog loopt, het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag.
De klaagschriften zullen dan ook ongegrond worden verklaard.
Voor wat betreft de (inhoud van de) in beslag genomen harde schijf/server van de computer in het kantoor van klager en de inhoud van de – inmiddels gekraakte – iPhone XR geldt het volgende.
Uit het proces-verbaal van doorzoeking van de rechter-commissaris blijkt dat de rechter-commissaris – uiteindelijk – heeft besloten de gehele server te kopiëren en zonder de inhoud te beoordelen mee te nemen. Filtering van de op die server aanwezige gegevens heeft derhalve niet plaatsgevonden. Dat geldt ook voor de inhoud van de (inmiddels gekraakte) iPhone. Deze digitale gegevens zijn derhalve nog niet gefilterd aan de hand van het relevantiecriterium een en ander ter bescherming van derden zoals verwoord in de beschikking van de rechter-commissaris.
De rechtbank gaat ervan uit dat de gegevens op de genoemde digitale gegevensdragers door de rechter-commissaris worden gefilterd, alvorens de (inhoud van de) digitale gegevensdragers aan het onderzoeksteam ter beschikking worden gesteld.
5. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beklag in al zijn onderdelen ongegrond.”
Het juridisch kader
5.4
Het verschoningsrecht van onder meer de notaris is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. In een dergelijk geval moeten het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het betreffende feit. Daarbij moet zorg worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de notaris dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de notaris wordt verdacht, onevenredig worden getroffen.18.
5.5
De vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Voor het oordeel dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen. Daarbij komt in een geval als dit betekenis toe aan de aard en de ernst van het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen.19.De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend, maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een notaris met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de notaris geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt.20.
5.6
De beklagrechter die naar aanleiding van een op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift moet oordelen of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het belang dat de waarheid aan het licht komt, moet prevaleren boven het verschoningsrecht, mag niet volstaan met een marginale toetsing daarvan, maar moet zich daaromtrent aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer een eigen, zelfstandig oordeel vormen.21.Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat in een beklagprocedure als de onderhavige slechts in beperkte mate kan worden onderzocht in hoeverre de verdenking tegen de klager gegrond is.22.
De bespreking van het vierde middel
5.7
Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt mijns inziens dat zij bij de beantwoording van de vraag of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen meer dan marginaal heeft getoetst. De rechtbank heeft in dat verband stilgestaan bij de aard en de ernst van de strafbare feiten waarvan de klager wordt verdacht. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de verdenking ziet op een groot aantal vastgoedtransacties over de periode van 2014 tot 15 april 2020 waarbij door de FIOD onregelmatigheden zijn geconstateerd en waar de klager in zijn hoedanigheid van notaris bij betrokken is geweest. Verder heeft de rechtbank met betrekking tot deze transacties overwogen dat met name opvalt dat het gaat om zogenoemde ABC(D)-transacties met grote, onverklaarbare prijsverschillen. De klager heeft de transacties niet als ongebruikelijke transacties gemeld aan de FIU, terwijl vermoed wordt dat de klager dat wel had moeten doen. Daarbij komt dat personen en bedrijven die niet betrokken zijn geweest bij de leveringsakten via de derdengeldenrekening van de klager hebben betaald voor aangekochte panden en dat later aan hen via die rekening onder andere zaaknummers aan- en verkoopbedragen zijn terugbetaald. Daardoor is niet inzichtelijk wie de rechthebbenden van de betreffende gelden zijn, zodat sprake is van een redelijke verdenking van het medeplegen van witwassen. Die wijze van registreren levert daarnaast strijd op met het Reglement beperking uitbetaling derdengelden (BUD). Voorts overweegt de rechtbank dat uit de stukken een gegrond vermoeden blijkt van het valselijk opmaken van nota’s van afrekening en leveringsakten.
5.8
De rechtbank heeft vastgesteld dat na de inbeslagneming nader onderzoek heeft plaatsgevonden en dat onder meer de heer Geselschap als getuige is gehoord. Deze onderzoeksresultaten hebben volgens de rechtbank geen wezenlijke verandering teweeggebracht in het bestaan of de aard en de ernst van de verdenking tegen de klager. Tegen de klager bestaat derhalve een redelijk vermoeden van schuld aan zeer ernstige, concrete strafbare feiten, waarbij vermoed wordt dat de klager misbruik heeft gemaakt van zijn positie als notaris, zodat de klager terecht als verdachte is aangemerkt, aldus de rechtbank.
5.9
Met betrekking tot de ernst van de verdenking dat de klager – kort gezegd – bewust, structureel en over een langere periode de bijzondere positie van de notaris heeft misbruikt, heeft de rechtbank benadrukt dat dit zozeer de kern van de werkzaamheden van de notaris raakt dat bij bewezenverklaring het maatschappelijk vertrouwen dat in de werkzaamheden van een notaris moet kunnen worden gesteld en het aanzien van het ambt, hierdoor ernstig zou worden geschaad.
5.10
Gelet op het onder randnrs. 5.4-5.6 uiteengezette juridisch kader getuigt het oordeel van de rechtbank dat jegens de klager sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan de hem verweten strafbare feiten niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Anders dan de steller van het middel meen ik dat de rechtbank – in het licht van hetgeen namens de klager (bij de behandeling in raadkamer) is aangevoerd – niet gehouden was haar oordeel nader te motiveren dan zij heeft gedaan. Daarbij neem ik in aanmerking dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 98 Sv in verbinding met art. 552a Sv een summier karakter draagt, waardoor de rechtbank slechts in beperkte mate kan onderzoeken in hoeverre de verdenking tegen de klager gegrond is. Naar ik meen zou in het onderhavige geval het stellen van (nog) zwaardere motiveringseisen betekenen dat de raadkamer de namens de klager ingenomen standpunten ten gronde beoordeelt. Daarvoor is in de beklagprocedure echter geen plaats.23.
5.11
Het vierde middel faalt.
6. Het vijfde middel
6.1
Het vijfde middel valt uiteen in drie deelklachten. In de eerste deelklacht wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de onder de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in beslag genomen geschriften voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat de rechtbank met betrekking tot het klaagschrift van 12 november 2021 ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht ten aanzien van het (gehele) beslag rechtvaardigen. In de derde deelklacht wordt gesteld dat het (al dan niet impliciete) oordeel van de rechtbank dat de doorbreking van het verschoningsrecht voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
De eerste deelklacht
6.2
Op grond van art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, zoals volgt uit art. 98 lid 5 Sv, zonder hun toestemming in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan bedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. Wanneer de verschoningsgerechtigde zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken en evenmin tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de rechter-commissaris te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.24.Ook bij de vastlegging van gegevens op de voet van art. 125i Sv, waarin art. 98 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard, geldt dat het verschoningsrecht op gelijke wijze moet worden gerespecteerd.25.
6.3
De vraag of een in beslag genomen stuk voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is in het bijzonder afhankelijk van de aard van het in beslag genomen stuk en de aard van het delict waarvan de verschoningsgerechtigde wordt verdacht en de feitelijke gedragingen die hem in dat verband worden verweten. Gezien de aard van het verschoningsrecht zal de beklagrechter bij de beoordeling daarvan de nodige behoedzaamheid in acht moeten nemen. In ieder geval moeten de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden zijn oordeel dat het in beslag genomen stuk voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend, kunnen dragen.26.De enkele omstandigheid dat een in beslag genomen stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding brengt niet mee dat dit stuk voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend.27.
6.4
De beklagrechter die naar aanleiding van een op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift moet oordelen over de vraag of in beslag genomen brieven of geschriften voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, zal zich daarover aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer een eigen, zelfstandig oordeel moeten vormen. Voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van het klaagschrift, mag de beklagrechter eveneens van de betreffende stukken kennisnemen.28.
6.5
Op 31 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris bij een doorzoeking in de panden van de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] stukken in beslag genomen. Vervolgens heeft de rechter-commissaris bij twee beschikkingen van 1 februari 2022 overwogen dat in totaal zes van die stukken mogelijk hebben gediend tot het door de klager begaan van de hem verweten strafbare feiten (zie hiervoor onder de randnrs 2.9 en 2.10). De klager heeft tegen de bovengenoemde beslissingen van de rechter-commissaris klaagschriften ingediend en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de betreffende stukken geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken en evenmin tot het begaan daarvan hebben gediend.
6.6
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdenking in verband waarmee de geschriften die onder de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in beslag zijn genomen, bestaat uit het medeplegen van witwassen, het ten onrechte niet melden van ongebruikelijke transacties en het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van valsheid in geschrift en witwassen. Uit de inhoud van de bestreden beschikking kan worden afgeleid dat de feitelijke gedragingen die de klager in dat verband worden verweten onder meer bestaan uit het door hem in zijn hoedanigheid van notaris meewerken aan een groot aantal malafide onroerend goed-transacties (zogenoemde ABC-transacties), het ten onrechte niet melden van die transacties aan de FIU, het ter beschikking stellen van zijn derdengeldenrekening voor de ABC-transacties en het opnemen van valse opgaven in nota’s van afrekening en authentieke akten, te weten leveringsakten.
6.7
De rechtbank heeft overwogen dat de geschriften die onder de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in beslag zijn genomen voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. De rechtbank heeft met betrekking tot de aard van de in beslag genomen stukken overwogen dat uit de beslissingen van de rechter-commissaris van 1 februari 2022 blijkt dat de geschriften telkens een eigendomsbewijs (A-G: lees: akte van levering) of een afschrift van een akte van hypotheek betreffen van onroerend goed waarop het strafrechtelijk onderzoek betrekking heeft. Het oordeel van de rechtbank dat de betreffende leverings- en hypotheekakten kunnen worden aangemerkt als voorwerp van de vermeende delicten dan wel als hulpmiddelen waarmee die vermeende feiten zijn gepleegd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
6.8
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
6.9
In de toelichting op de tweede deelklacht wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte, althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat tegen de klager een redelijk vermoeden van schuld bestaat aan zeer ernstige, concrete strafbare feiten, terwijl het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het belang van waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht uitsluitend is gebaseerd op dat vermoeden.
6.10
De tweede deelklacht faalt. Voor de redenen daarvoor verwijs ik naar hetgeen ik bij de bespreking van het vierde middel heb geconcludeerd.
De derde deelklacht
6.11
In de toelichting op de derde deelklacht wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten (i) de omvang en de aard van het beslag nauwkeurig en juist vast te stellen, (ii) genoegzaam (eigen) onderzoek te doen naar de vragen a. of de in beslag genomen informatie werkelijk niet op een andere, minder ingrijpende manier valt te verkrijgen en b. of, en zo ja hoe de inbreuk op het verschoningsrecht van de klager is/kon worden beperkt tot het strikt noodzakelijke en (iii) (afdoende) te reageren op het namens de klager ingenomen standpunt dat de doorbreking van het verschoningsrecht niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
6.12
Over deze deelklacht kan ik kort zijn. Zoals gezegd is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van in beslag genomen stukken en gegevens. Daarbij moet de rechter-commissaris beoordelen in hoeverre die stukken en gegevens kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding van de strafbare feiten waarop de verdenking ziet. De inbreuk op het verschoningsrecht mag immers niet verder gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van die feiten. In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris echter (nog) niet (definitief) beslist over het door de klager gedane beroep op zijn verschoningsrecht ten aanzien van de onder hem in beslag genomen stukken en gegevens. Dat betekent dat de rechter-commissaris dus ook (nog) niet (definitief) kan hebben beoordeeld of de inbreuk op het verschoningsrecht van de klager al dan niet verder gaat dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de feiten waarvan de klager wordt verdacht. Dat brengt met zich dat het impliciete oordeel van de rechtbank dat die inbreuk niet verder gaat dan in het kader van de waarheidsvinding noodzakelijk is prematuur is, zodat de derde deelklacht slaagt.
7. Slotsom
7.1
Het eerste middel is ingetrokken en daarmee niet meer aan de orde. Het tweede middel, het vierde middel en de eerste en de tweede deelklacht van het vijfde middel falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging. Het derde middel en de derde deelklacht van het vijfde middel slagen.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot
- vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de onder de klager in beslag genomen voorwerpen en gegevens(dragers);
- terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlemmermeer, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan (waarbij het aan de rechtbank is om de zaak in handen te stellen van de rechter-commissaris, indien deze nog niet op de voet van art. 98 Sv over de betreffende in beslag genomen voorwerpen en gegevensdrager(s) heeft beslist op het door de klager gedane beroep op het verschoningsrecht).29.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑01‑2025
Uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 23 april 2024 blijkt niet expliciet dat de raadkamer dit verzoek heeft gehonoreerd.
Terzijde zij vermeld dat de Hoge Raad in het kader van een bezwaarschift tegen de dagvaarding heeft geoordeeld dat het summiere karakter van een bezwaarschriftprocedure meebrengt dat in de beschikking niet op een in raadkamer gedaan verzoek tot aanhouding hoeft te worden beslist (HR 27 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9379, NJ 1987/29, rov. 7).
HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2129, NJ 2007/111, rov. 3.4 en HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0539, NJ 2009/404, rov. 3.3.
Zie HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2129, NJ 2007/111, rov. 3.4, waarin de Hoge Raad bij de beantwoording van de vraag of het verzuim is begaan onder omstandigheden dat het geacht moet worden zodanig met een goede procesorde in strijd te zijn dat het nietigheid van het onderzoek in raadkamer tot gevolg zou moeten hebben onder andere in aanmerking heeft genomen “de aard van de onderhavige procedure”.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.2; HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1946, NJ 2022/186, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.5.1; HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81, NJ 2023/150, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3.2; HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3.2.
Vgl. de conclusie van de toenmalige P-G Silvis, randnr. 42, vóór HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1553.
HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3314, NJ 2013/356, rov. 3.5.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566, NJ 2014/476, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.4.1 (doorzoeking kantoor notaris).
HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, NJ 2024/172, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 4.5 (doorzoeking kantoor advocaat).
HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, rov. 4.2.3 en HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, NJ 2024/172, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 4.6.
Zie o.m. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553, NJ 2018/435, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3.2; HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, NJ 2021/118, m.nt. T. Kooijmans, rov. 6.2.3; HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, NJ 2024/172, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 4.6.
Vgl. de conclusies van A-G Spronken, randnrs. 9.3-9.6, vóór HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, NJ 2024/172 (https://www.inview.nl/document/id47600294ee744b52b8aa20c50042c132/nj-2024-172-rechtbank-had-nu-rechter-commissaris-nog-niet-ten-aanzien-van-alle-stukken-had-beslist-over-beroep-op-verschoningsrecht-van-klager-b/nj-2024-172-rechtbank-had-nu-rechter-commissaris-nog-niet-ten-aanzien-van-alle-stukken-had-beslist-over-beroep-op-verschoningsrecht-van-klager-b?ctx=WKNL_CSL_92&anchor=documentgegevens&tab=tekst&searchid=978617588), m.nt. P.A.M. Mevis en A-G Harteveld, randnrs. 7.3-7.8, vóór HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:612.
Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537, NJ 2017/43, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 3.5.3; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, rov. 4.3; HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1970, NJ 2021/378, m.nt. J.W. Ouwerkerk, rov. 5.2-5.3.2; HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, NJ 2021/118, m.nt. T. Kooijmans, rov. 6.3.3; HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:60, NJ 2022/144, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.4; HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, NJ 2024/172, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 4.8.
Vgl. HR 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2418, NJ 2017/42, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 3.4, waarin de Hoge Raad overwoog dat het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift in afwachting van de beschikking van de rechter-commissaris ongegrond moet worden verklaard, onjuist is.
HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, NJ 2024/87, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 5.2.1-5.2.2.
De klaagschriften van 12 november 2021 en 14 februari 2022, het namens de klager aan de rechter-commissaris gedane verzoek van 20 juni 2022 tot herziening van zijn beschikking van 28 oktober 2021 en de overgelegde pleitnotities beslaan exclusief de bijlagen ruim 100 pagina’s. De samenvatting die de rechtbank daarvan in haar beschikking geeft, is een goede weergave en bevat alle essentiële onderdelen van hetgeen namens de klager is aangevoerd. Ook omdat in de schriftuur niet wordt geklaagd dat deze samenvatting geen recht doet aan de verweren van de verdediging, meen ik dat het onnodig is de bovengenoemde stukken integraal weer te geven en dat hier kan worden volstaan met de door de rechtbank gegeven samenvatting. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor het standpunt van het Openbaar Ministerie.
HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, NJ 2024/172, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 4.4 en HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290, NJ 2024/296, rov. 3.3.
HR 17 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1170, NJ 2024/289, rov. 2.4.1 en HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290, NJ 2024/296, rov. 3.3.
HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5611, NJ 2008/115, m.nt. T.M. Schalken, rov. 4.3 en HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3314, NJ 2013/356, rov. 3.2.
HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491, NJ 2007/300, rov. 5.4.3 (notaris); HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1027, rov. 2.3.2; HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1324, NJ 2016/378, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.3.2.
HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3314, NJ 2013/356, rov. 3.5 (notaris).
Vgl. HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9222, NJ 2009/153 en HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3314, NJ 2013/356, rov. 3.5 (notaris).
Zie bijv. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783, NJ 2016/55, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 6.3 en HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, NJ 2021/118, m.nt. T. Kooijmans, rov. 6.2.2.
HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, rov. 4.2.2.
HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8, rov. 2.4; HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1017, rov. 2.3; HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1027, rov. 2.3.3; HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1324, NJ 2016/378, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.3.3.
HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8, rov. 2.5.
HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1027, rov. 2.3.2 en HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1324, NJ 2016/378, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.3.2.
Vgl. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553, NJ 2018/435, m.nt. P.A.M. Mevis; HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, NJ 2021/118, m.nt. T. Kooijmans; HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, NJ 2024/172, m.nt. P.A.M. Mevis.