Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/657
Procesrecht. Bewijsrecht (art. 149 lid 1 Rv). Schadevergoedingsvordering t.z.v. zelfde feitencomplex als waarover strafzaak loopt; mag civiele rechter feiten als vaststaand aanmerken wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting?
HR 23-05-2025, ECLI:NL:HR:2025:796
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23 mei 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, K. Teuben
- Zaaknummer
24/01819
- Conclusie
A-G mr. G. Snijders
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:796, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑05‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:294, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑03‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑05‑2024
- Wetingang
Essentie
Procesrecht. Bewijsrecht (art. 149 lid 1 Rv). Schadevergoedingsvordering t.z.v. zelfde feitencomplex als waarover strafzaak loopt; mag civiele rechter feiten als vaststaand aanmerken wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting?
Samenvatting
Uit art. 149 lid 1 Rv volgt dat de rechter de feiten die de eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en die de gedaagde niet of niet voldoende heeft betwist, als vaststaand moet beschouwen. De door de eiser gestelde feiten behoeven dan geen bewijs. Deze algemene regel van stellen en bewijzen geldt ook voor schadevergoedingsvorderingen ter zake van een feitencomplex waarover ook een strafzaak tegen ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.