RvdW 2025/701:Art. 416 lid 2 Sv na veroordeling t.z.v. misbruik maken van identificerende persoonsgegevens (art. 231b Sr) en voorhanden hebben van wapen (art. 26 lid 1 WWM). Ontvankelijkheid hoger beroep, appelschriftuur bij stukken. Kon hof (enkelvoudige kamer) oordelen dat verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen vonnis Pr en dat verdachte mede daarom ex art. 416 lid 2 Sv n-o wordt verklaard in h.b., nu hof geen acht heeft geslagen op inhoud van e-mail van raadsman aan strafgriffie hof (met als bijlage een appelschriftuur), die zich bij stukken bevindt en waarvan voorzitter hof bij eerdere tz. in h.b. (rolzitting) melding heeft gemaakt? HR: Om redenen vermeld in CAG is middel gegrond. CAG: Uit appelschriftuur blijkt dat (anders dan hof heeft overwogen) namens verdachte wel degelijk bezwaren tegen vonnis zijn opgegeven. Uit p-v van eerdere tz. in h.b. (rolzitting) blijkt verder dat hof de appelschriftuur in goede orde heeft ontvangen en kennis heeft genomen van inhoud daarvan, namelijk dat h.b. is gericht tegen strafmaat. Daarmee is ’s hofs oordeel dat verdachte ex art. 416 lid 2 Sv n-o wordt verklaard in h.b., niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.