Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/10.3.1:10.3.1 Inleiding
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/10.3.1
10.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS455423:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld OK 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA 2016, afl. 3,p. 191-200, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Meavita), r.o. 3.3.
Zie hierover § 7.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Ondernemingskamer benadrukt zowel in Aandachtspunt 4.2 als in haar jurisprudentie dat de onderzoekers het verslag naar eigen inzicht kunnen inrichten.1 Ik ben dit in zoverre met de Ondernemingskamer oneens, dat er wel degelijk een aantal algemene beginselen is te formuleren waaraan het verslag in ieder geval moet voldoen. Deze beginselen vloeien enerzijds voort uit het wettelijk systeem, en anderzijds uit (ongeschreven) beginselen van behoorlijk onderzoek. Die beginselen worden uiteraard beïnvloed door het feit dat het onderzoek een onderdeel is van een civiele procedure, welke als geheel moet voldoen aan de eisen van artikel 6lid1 EVRM, en andere rechtsregels die de handelwijze van de onderzoekers normeren.2Ik merk daarbij op dat het ontwikkelen van beginselen waaraan een behoorlijk onderzoek moet voldoen (ongeacht of dit een onderzoek is ten behoeve van een (civiele) procedure of een intern onderzoek) nog in de kinderschoenen staat. Dat geldt ook voor de algemene beginselen waaraan een behoorlijk verslag moet voldoen. Om die ontwikkeling te bevorderen zou het wenselijk zijn dat de Ondernemingskamer zich hierover in een nieuwe versie van de Aandachtspunten en in haar jurisprudentie duidelijker zou uitspreken.
In deze paragraaf bespreek ik de algemene beginselen waaraan het verslag moet voldoen. In § 10.4 ga ik vervolgens in op de praktische wijze waarop de onderzoekers het verslag kunnen inrichten. Het onderscheid tussen de meer algemene beginselen waaraan het verslag moet voldoen en de praktische inrichting daarvan is niet heel scherp te trekken. Er is enige overlap. Die overlap is er ook met de in § 7.4 geformuleerde algemene beginselen van behoorlijk onderzoek. De keuzes die ik heb gemaakt, zijn enigszins arbitrair. Deze paragrafen moeten daarom in onderlinge samenhang worden gelezen.
De wijze van inrichting van het verslag hangt in sterke mate af van het type enquête, de aard van de rechtspersoon, het onderliggende geschil en het onderzoeksbudget. De in deze paragraaf beschreven algemene beginselen waaraan het verslag moet voldoen, gelden naar mijn mening universeel, voor alle enquêtes. De concrete invulling daarvan kan echter van geval tot geval sterk verschillen.