Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/9.1.2.2:9.1.2.2 De taak van de raadsheer-commissaris
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/9.1.2.2
9.1.2.2 De taak van de raadsheer-commissaris
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS456638:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het woord ‘bandopname’ dat de minister gebruikt, gaf toen hij het schreef de stand van de techniek al niet meer weer. Ik gebruik, zoals in § 7.5.4.2 uiteengezet, de term ‘audiovisuele opname’.
Haantjes & Olden 2013, p. 152-153 (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 34-38).
Haantjes & Olden 2013, p. 157 (Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24-25).
Haantjes & Olden 2013, p. 164 (Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 27).
Haantjes & Olden 2013, p. 171 (Handelingen II 2011/12, 71, p. 48).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens de memorie van toelichting blijft de onderzoeker – en dus niet de raadsheer- commissaris naast hem – verantwoordelijk voor de opzet en uitvoering van het onderzoek. Wordt de raadsheer-commissaris een beslissing gevraagd, dan dienen de onderzoekers hem van de nodige informatie te voorzien. De rechtspersoon, de verzoekers en andere belanghebbenden kunnen zich wenden tot de raadsheer-commissaris met het verzoek een beslissing te nemen met het oog op de goede gang van zaken van het onderzoek. Daarmee wordt gedoeld op de procesmatige kant van het onderzoek en niet op de inhoud. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de vraag of een onderzoeker het beginsel van hoor en wederhoor voldoende in acht neemt, of een onderzochte bestuurder tijdens het verhoor mag worden bijgestaan door een advocaat, of een onderzochte partij bandopnamen1 mag maken tijdens het verhoor, en of een onderzochte partij voldoende tijd is geboden om haar commentaar op het conceptrapport te geven.2
In de nota naar aanleiding van het verslag wees de minister erop dat het voor belanghebbenden mogelijk moet zijn om opmerkingen te maken over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Het verslag van de onderzoekers is van wezenlijk belang voor het oordeel van de Ondernemingskamer of sprake is van wanbeleid. De minister wilde daarom het risico op onjuiste informatie in het verslag van de onderzoekers zo klein mogelijk maken. De Commissie vennootschapsrecht adviseerde vervolgens een raadsheer-commissaris aan te wijzen voor de onderzoeksfase. Dat advies heeft de minister overgenomen. De minister was niet bevreesd voor onduidelijkheid over de rolverdeling tussen de raadsheer-commissaris en de onderzoekers.Hij herhaalde dat de onderzoekers – en dus niet de raadsheer-commissaris – verantwoordelijk blijven voor de opzet en uitvoering van het onderzoek. De raadsheer-commissaris kan aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Dergelijke aanwijzingen betreffen de procesmatige kant van het onderzoek en niet de inhoud.3
Op de vraag of de raadsheer-commissaris actief of passief toezicht houdt, antwoordde de minister in de nota naar aanleiding van het verslag dat de raadsheer- commissaris optreedt wanneer een belanghebbende daarom vraagt. Zijn rol is dus niet vergelijkbaar met die van een toezichthouder, die uit eigen beweging zou moeten nagaan of het onderzoek naar behoren verloopt. Een actieve houding van de raadsheer- commissaris wordt dus pas verwacht wanneer een belanghebbende hem verzoekt aanwijzingen te geven met het oog op een goede gang van zaken.4
Tijdens de mondelinge behandeling is de vraag gesteld of de raadsheer-commissaris via artikel 16 lid 5 Rv de rol van de Ondernemingskamer kan overnemen. De minister heeft daarop geantwoord dat de raadsheer-commissaris “niet in zijn eentje een enqu ê teprocedure moet gaan behandelen”. Artikel 2:350 lid 4 BW is volgens de minister een lex specialis ten opzichte van artikel 16 Rv.5