Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/9.1.1
9.1.1 Wettekst
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453025:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de raadsheer-commissaris Leijten & Nieuwe Weme 2012, p. 151-159; Hepkema 2012,p. 731-733; Assink || Slagter 2013, p. 1707-1709; Storm 2014, p. 151-153; Soerjatin 2017.
Zie over deze bepaling § 6.5.
Zie § 1.6. In § 9.3 zal ik uiteenzetten dat de op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW benoemde raadsheer-commissaris ook over de bevoegdheden beschikt die hij zou hebben als hij op de voet van artikel 198 lid 2 jo. artikel 16 lid 5 Rv zou zijn benoemd.
Zie § 9.2.1.
Vgl. HR 6 maart 2013, NJ 2013/528, m.nt. E.A. Alkema (W./Y.), r.o. 3.3 en 3.4.
OK 11 december 2014, ARO 2015/51 (Novero Holdings), r.o. 2.
De bepaling over de raadsheer-commissaris is opgenomen in het bij de Wet aanpassing enquêterecht aan artikel 2:350 BW toegevoegde vierde lid.1 Dit artikellid luidt:
“De ondernemingskamer benoemt, tegelijk met de met het onderzoek belaste personen, een raadsheer-commissaris. Indien de goede gang van zaken van het onderzoek dit vereist, kan de raadsheer-commissaris op verlangen van verzoekers of belanghebbenden aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. De raadsheer-commissaris beslist niet dan nadat hij de met het onderzoek belaste personen in de gelegenheid heeft gesteld hun zienswijze aangaande het verlangen te geven. De raadsheer-commissaris kan ook de met het onderzoek belaste personen op hun verlangen een aanwijzing geven. De raadsheer-commissaris beslist niet dan nadat hij de rechtspersoon die in de procedure is verschenen in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze aangaande het verlangen te geven. De raadsheer-commissaris kan ook anderen in de gelegenheid stellen hun zienswijze te geven. Tegen beslissingen van de raadsheer-commissaris als bedoeld in dit lid staat geen beroep in cassatie open.”
In de Wet aanpassing enquêterecht is verder artikel 2:352 BW gewijzigd. De bevoegdheid de bevelen te geven die de omstandigheden nodig maken, is niet meer opgedragen aan de voorzitter van de Ondernemingskamer, maar aan de in artikel2:350 lid 4 BW bedoelde raadsheer-commissaris.2
Men kan zich afvragen of de invoering van deze bepaling wel nodig was. De Ondernemingskamer beschikte namelijk reeds over de bevoegdheid een raadsheer- commissaris te benoemen onder wiens leiding het onderzoek plaatsvindt. Dit leid ik af uit het volgende. Artikel 198 lid 2 Rv bepaalt dat de deskundigen hun onderzoek instellen hetzij onder leiding van de rechter, hetzij zelfstandig. In het eerste geval is de rechter bevoegd de deskundigen aanwijzingen te geven. Deze bepaling leent zich voor overeenkomstige toepassing in het enquêterecht.3 De rechter kan een alleensprekende rechter zijn of een door de meervoudige kamer uit haar midden aangewezen rechter- of raadsheer-commissaris.4 Op die grond had de Ondernemingskamer onder het oude recht al een raadsheer-commissaris kunnen benoemen die aanwijzingen aan de onderzoekers had kunnen geven.5 De Ondernemingskamer dacht daar overigens anders over.6 Wat daarvan ook zij, de Ondernemingskamer heeft feitelijk nooit een raadsheer-commissaris met dit doel benoemd. Het belang van artikel 2:350 lid 4 BW is dat in ieder geval vaststaat dat in elk onderzoek een raadsheer-commissaris wordt benoemd die aanwijzingen aan de onderzoekers kan geven.