Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.5.2.3
7.5.2.3 Functies van de rechtspraak
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS578277:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nrs. 9-15.
Zie hierover ook § 3.3.2.2.
Aldus ook Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 14. Zie over de rol van het gelijkheidsbeginsel m.b.t. de binding aan precedenten ook hierna § 7.5.2.4.
Tenzij uiteraard een supranationale rechter als het HvJ EG of het EHRM zich omtrent een bepaalde kwestie nog kan uitspreken of reeds heeft uitgesproken.
Vgl. Drion 1950, p. 29; Roelvink 1986, p. 23; Kottenhagen 1986, p. 124-127; enigszins anders Jessurun d'Oliveira 1973b, p. 237.
In deze zin ook Brunner 1994, p. 40; Snijders 1995, p. 18-19; Asser-Vranken 1995, nr. 186.
Anders dan in het Engelse recht wordt aangenomen (vgl. § 7.4.4.2), zou ik overigens uit deze hiërarchische structuur geen absolute gebondenheid van lagere rechters aan de uitspraken van een hogere rechter willen afleiden. Zoals nog aan de orde komt, kan kritiek op bijv. een uitspraak van de HR in de lagere rechtspraak en/of de doctrine juist een reden vormen voor de HR om van die uitspraak terug te komen (zie § 7.5.4). Wel vereist is dat een (lagere) rechter die van een uitspraak van de HR wil afwijken, hiervoor een afdoende onderbouwing verschaft (zie ook § 8.3.5.3 en § 8.3.5.4).
Het appèl strekt immers mede tot herstel van eigen fouten en nalatigheden van partijen. Zie o.a. HR 22 januari 1999, N] 1999,715 m.nt. HJS; HR 8 december 2000 (Zeegers/Franssen), NJ 2001, 197; HR 1 maart 2002 (Schneijderberg/Erven Cools), NJ 2003, 355 m.nt. HJS; zie voorts Snijders & Wendels 2003, nr. 3; Hovens 2001a, p. 79; Asser-Vranken 1995 nr. 186.
Snijders & Wendels 2003, nr. 4.
Asser-Vranken 1995, nr. 186.
Zie ook § 7.5.2.6.
HR 17 november 2000, NJ 2001, 215 m.nt. ARB.
In § 8.4.2 kom ik hierop terug.
Vgl. ook Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 13; zie voorts § 3.3.2.2.
Zie daarover uitgebreider § 3.3.2.2.
Snijders 1995, p. 18.
In deze zin ook Jessurun d'Oliveira 1973a, p. 50.
Zoals reeds opgemerkt is hiermee nog niet gezegd dat de lagere rechtspraak nimmer van een uitspraak van de Hoge Raad zou mogen afwijken; zie daarover nader § 7.5.4, alsmede § 8.3.5.3.
Vgl. in deze zin ook Jessurun d'Oliveira 1999b, p. 384; Martens 1997, p. 10 (met name noot 18).
Een andere invalshoek van waaruit de betekenis van precedenten beschouwd kan worden, is te vinden in een analyse van de functies van de rechtspraak. Door Snijders, Ynzonides en Meijer zijn vijf functies onderscheiden,1 waarvan met name de rechtseenheids- en de rechtsontwikkelingsfunctie voor het hier besproken onderwerp relevant zijn. Het bestaan en het belang van deze functies worden overigens ook benadrukt door art. 81 (voorheen art. 101a) RO: naar uit deze bepaling volgt heeft (in elk geval) de Hoge Raad een taak op het gebied van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.2
De rechtseenheidsfunctie houdt in dat, als gevolg van de hiërarchische opbouw van de rechterlijke organisatie, waarbij tegen de uitspraak van een lagere rechter veelal beroep kan worden ingesteld bij een hogere rechter, eenheid van recht(spraak) verkregen kan - en moet - worden. Dit valt overigens ook te beschouwen als een toepassing van het gelijkheidsbeginsel (art. 1 Gr.w.): gelijke gevallen dienen, ook in de rechtspraak, gelijk behandeld te worden.3
De bewaking van de rechtseenheid is in de eerste plaats een taak van de hoogste rechter, in burgerlijke zaken doorgaans de Hoge Raad.4 Dit valt bijvoorbeeld af te leiden uit het reeds genoemde art. 81 RO, dat uitdrukkelijk naar deze taak van de cassatierechter verwijst. Ook het bestaan van de mogelijkheid tot cassatie in het belang der wet geeft dit aan. Een uitspraak van de Hoge Raad, gedaan na een vordering tot cassatie in het belang der wet, brengt immers geen nadeel toe aan de rechten door partijen verkregen (art. 78 lid 6 RO) en heeft dus enkel tot doel de rechtseenheid te waarborgen.5 Met dit alles is eigenlijk al een zekere gebondenheid van de lagere rechters aan uitspraken van de Hoge Raad gegeven: het instituut van cassatie (zowel de 'gewone' cassatie als de cassatie in het belang der wet) zou anders, in elk geval voor wat betreft de bewaking van de rechtseenheid, volstrekt zinloos zijn.6
Meer in het algemeen is enige gebondenheid een welhaast vanzelfsprekend uitvloeisel van de hiërarchische opbouw van de rechtspraak: de hoogste rechter heeft immers doorgaans de mogelijkheid, een van zijn eerdere rechtspraak afwijkende uitspraak te vernietigen. Men zou hier ook wel kunnen spreken van een 'autoriteitsargument', dat pleit voor het volgen van precedenten door de lagere rechtspraak.7 Het is uiteraard weinig zinvol - en gelet op het (financiële) belang van procespartijen ook niet zonder meer aanvaardbaar -wanneer de lagere rechter een uitspraak doet waarvan op voorhand reeds duidelijk is, dat deze in hoger beroep of cassatie toch vernietigd zal worden.
Wijst de rechtseenheidsfunctie dus duidelijk in de richting van binding aan uitspraken van de Hoge Raad, een volgende vraag is hoe dit zit in de verhouding tussen rechters in eerste aanleg en appèlrechters alsmede in de verhouding tussen rechters op gelijk niveau. Hoewel het appèl naar huidige opvattingen primair tot doel heeft partijen een volwaardige tweede kans te bieden,8 dient dit rechtsmiddel daarnaast ter bevordering van de rechtseenheid, in elk geval binnen een hofressort.9 Bovendien geldt ook in de verhouding rechter in eerste aanleg - appèlrechter het zojuist genoemde 'autoriteitsargument', inhoudend dat de appèlrechter een uitspraak die van zijn eigen jurisprudentie afwijkt, kan vernietigen. In elk geval vanuit dit perspectief bezien lijkt dan ook, naar analogie met hetgeen zojuist omtrent uitspraken van de Hoge Raad is opgemerkt, een zekere precedentwerking van de uitspraken van appèlrechters verdedigbaar.
Of de rechtseenheidsfunctie ook ten aanzien van de uitspraken van lagere rechters onderling een rol speelt is enigszins omstreden. Zo zijn volgens Vranken de lagere rechters over en weer niet belast met de zorg voor de rechtseenheid, zodat op dat niveau geen sprake kan zijn van enige binding aan precedenten.10 Aangezien de precedentwerking van rechterlijke uitspraken echter niet uitsluitend berust op de thans besproken rechtseenheidsfunctie,11 lijkt deze conclusie mij niet zonder meer gewettigd. Uit het arrest Druijff/Bouw,12 waarin de Hoge Raad ten aanzien van de begroting van smartengeld overwoog dat de rechter daarbij mede dient te letten op de bedragen die door andere Nederlandse rechters in soortgelijke gevallen zijn toegekend, lijkt zeker enige normatieve betekenis van de uitspraken van lagere rechters voor andere lagere rechters te volgen. Het is ook volgens de Hoge Raad kennelijk niet zo dat rechters op hetzelfde niveau, ook al beschikken zij uiteraard niet over de mogelijkheid elkanders uitspraken te vernietigen, zich in het geheel niets aan elkaar gelegen behoeven te laten liggen.13 Wel is de rechtseenheidsfunctie op dit niveau van de rechtspraak inderdaad een (veel) minder sprekend argument vóór onderlinge precedentbinding dan bijvoorbeeld in de verhouding tussen de Hoge Raad en de lagere rechtspraak het geval is.
Naast het bevorderen van de rechtseenheid heeft de rechtspraak tot taak het recht verder te ontwikkelen. Bestaande regels kunnen in de jurisprudentie worden aangevuld of verfijnd en nieuwe regels kunnen worden gevormd. Zeker tegenwoordig is rechtsontwikkeling een belangrijke functie van de rechtspraak: aangezien nu eenmaal niet alles in de wet kan worden geregeld maakt de wetgever vaak ook uitdrukkelijk van deze functie gebruik.14 Een en ander wordt ook wel omschreven als de 'rechtsvormende taak' van de rechter.15
Ook aan deze rechtsontwikkelingsfunctie valt in beginsel een argument vóór de precedentwerking van rechterlijke uitspraken te onlenen. Zoals Snijders in zijn oratie terecht opmerkte: wat voor zin heeft immers de ontwikkeling van recht dat in het geheel niet (zelfs niet 'in beginsel' of 'voorwaardelijk') bindt?16 Vooral voor de rechtspraak van de Hoge Raad gaat dit op, aangezien de Hoge Raad blijkens art. 81 RO als (uiteindelijk) verantwoordelijke voor de rechtsontwikkeling kan worden beschouwd.
Anderzijds kan de rechtsontwil<kelingsfunctie van rechtspraak juist ook tegen gebondenheid (althans tegen een te strikte gebondenheid) aan precedenten pleiten. De rechter moet het reeds gevormde recht immers zo nodig weer verder kunnen ontwikkelen.17 Daarnaast kunnen nieuwe rechtsvragen rijzen, die niet altijd in één keer definitief in de rechtspraak beantwoord kunnen worden. Wanneer reeds de eerste uitspraak van een rechtbank over een bepaalde kwestie een onverkorte binding zou kunnen opleveren, is het gevaar voor 'verstarring' van het recht niet denkbeeldig.
De hier besproken functies van rechtspraak - rechtseenheid en rechtsontwikkeling - lijken derhalve met name een binding aan precedenten langs 'hiërarchische' (dat wil zeggen verticale) lijnen te ondersteunen. In het bijzonder de cassatierechter is belast met de zorg voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling. Wanneer de cassatierechter omtrent een bepaalde kwestie eenmaal een uitspraak heeft gedaan, kan daarom van de lagere rechters in beginsel verwacht worden dat zij zich hierbij aansluiten.18
Op het niveau van de lagere rechtspraak onderling speelt de rechtseenheidsfunctie daarentegen een minder prominente rol, al betekent dit nog niet dat lagere rechters helemaal geen rekening met eikaars uitspraken zouden moeten houden. De rechtsontwikkelingsfunctie wijst op dit niveau zelfs juist niet in de richting van binding aan precedenten: de ontwikkeling van het recht vergt zo nu en dan ook de mogelijkheid tot experimenteren, waarbij het niet wenselijk is dat de eerste uitspraak over een nieuwe rechtsvraag direct het recht zou fixeren.19