Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.5.3
7.5.3 Wie is aan wiens uitspraken gebonden?
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577083:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 7.2.
Behoudens, als gezegd, eventuele mogelijkheden tot afwijking (waarover hierna § 7.5.4).
Dit kan uiteraard ook een supranationale rechter zijn als het HvJ EG of het EHRM. Deze situatie blijft hier verder buiten beschouwing, al zal alsdan mutatis mutandis hetzelfde hebben te gelden.
In gelijke zin Snijders 1995, p. 30.
Vgl. Drion 1950, p. 34 die eveneens van oordeel is dat het 'gezag' van dergelijke uitspraken zeker kleiner is dan dat van de uitspraken van de hoogste rechter. Anders Brunner 1994, p. 37, die meent dat de precedentwerking van rechterlijke uitspraken beperkt is tot de uitspraken van de Hoge Raad.
In Engeland doet zich op het eerste gezicht eenzelfde situatie voor. Binding van de rechters in eerste aanleg aan eikaars uitspraken wordt aldaar immers niet aangenomen; het volgen van dergelijke precedenten wordt slechts beschouwd als een kwestie van 'judicial comity' (zie § 7.4.3.4). Bedacht moet hierbij echter worden dat in het Engelse recht de uitdrukking 'bindingprecedent' in een engere betekenis wordt gebruikt: daaronder zijn slechts te verstaan die uitspraken waaraan een latere rechter in absolute zin gebonden is. Hoewel de uitspraken van lagere rechters voor andere lagere rechters niet in deze zin als bindend gelden, vormen zij wél 'persuasive authorities', waarvan niet zonder goede reden zal worden afgeweken (zie § 7.4.3.4).
Zie Kottenhagen 1986, p. 184-189; zie hierover ook § 7.5.2.1.
Kottenhagen 1986, p. 186.
Zie bijv. de kritiek op dit punt van Vranken in zijn bespreking van de dissertatie van Kottenhagen in N/B 1988, p. 1162; vgl. ook Snijders 1995, p. 20.
Zie § 7.5.2.3 en § 7.5.2.4.
Zie § 7.5.2.3.
Nu kan worden aangenomen dat ook in ons recht in elk geval een zekere mate van binding moet worden toegekend aan precedenten, is een eerste vraag die nadere uitwerking behoeft de vraag aan de uitspraken van welke rechters deze precedentwerking toekomt. In dit verband kan immers onderscheid gemaakt worden tussen binding van rechters aan hun eigen uitspraken, binding aan de uitspraken van hogere rechters en binding aan de uitspraken van andere rechters op hetzelfde hiërarchische niveau.1
Na hetgeen in de voorgaande paragrafen al is besproken kan ik hierover vrij kort zijn. Uit de literatuur en rechtspraak laat zich afleiden dat precedenten van de Hoge Raad de sterkste (hoewel zeker niet onbeperkte) binding opleveren, zowel voor de Hoge Raad zélf als voor de lagere rechters. Deze constatering strookt met het feit dat in dat geval ook de meeste argumenten vóór gebondenheid zijn aan te voeren: de eisen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid, de bijzondere taak van de Hoge Raad op het gebied van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling, alsmede het feit dat de Hoge Raad afwijkingen door de lagere rechters desgewenst kan redresseren, dit alles pleit bij uitstek voor binding2 aan de uitspraken van de hoogste rechter.3
Hoewel uit de rechtspraak niet duidelijk blijkt van gebondenheid van de rechters in eerste aanleg aan de uitspraken van appèlrechters, kan verdedigd worden dat deze verhouding naar analogie met het voorgaande kan worden ingevuld.4 Ook hier geldt immers - naast de algemene argumenten voor binding aan precedenten, die met name te ontlenen zijn aan de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging - het 'autoriteitsargument' dat uitspraken van de rechter in eerste aanleg door de appèlrechter kunnen worden vernietigd. Wel zal deze binding minder sterk zijn omdat zij slechts geldt ten aanzien van de uitspraken van de 'eigen' appèlrechter, terwijl bovendien veelal de Hoge Raad nog anders zal kunnen oordelen.5
De vraag ten slotte of lagere rechters van gelijke rang onderling aan eikaars uitspraken gebonden (kunnen) zijn, levert de nodige problemen op. Zoals bleek in § 7.5.2.2 is in elk geval uit de praktijk van de rechtspraak niet af te leiden dat op dit niveau enige onderlinge precedentbinding zou bestaan.6 Ook in de literatuur heeft deze vorm van gebondenheid slechts zeer sporadisch de aandacht gekregen. Uitzondering vormt de door Kottenhagen ontwikkelde theorie,7 volgens welke theorie iedere rechterlijke uitspraak in gelijke mate een kenbron vormt waaruit het objectieve recht kan worden geput. De positie in de gerechtelijke hiërarchie van de rechter van wie een precedent afkomstig is, is in zijn visie niet van invloed op de binding daaraan: een uitspraak van een kantonrechter schept evenzeer een vermoeden van juistheid (en leidt daarmee tot eenzelfde 'voorwaardelijke gebondenheid' voor andere rechters) als een uitspraak van de Hoge Raad.8
De vraag is echter of deze opvatting geheel overeenstemt met de realiteit. Wanneer een en ander verder wordt doorgeredeneerd, zou de consequentie immers zijn dat de Hoge Raad (al is het dan ook voorwaardelijk) gebonden moet worden geacht aan bijvoorbeeld een uitspraak van de kantonrechter te Terneuzen waarin deze van een eerder arrest van de Hoge Raad is afgeweken.9 Naar mijn idee moet de gebondenheid aan precedenten niet zozeer worden gezocht in de betekenis van een precedent als 'kenbron' van recht, maar wordt deze bovenal bepaald door factoren die, nog los van de inhoudelijke overtuigingskracht van de uitspraak, daaraan een bepaalde normatieve waarde verlenen. Ik doel hiermee op de reeds besproken argumenten die ontleend kunnen worden aan de functies van rechtspraak, de 'autoriteit' van een hogere (en met name de hoogste) rechter, alsmede aan de eisen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.10
Wanneer nu wordt geanalyseerd welke van deze argumenten ook in de verhouding van lagere rechters onderling een rol spelen, blijkt het volgende. Het 'autoriteitsargument' dat aanwezig is in de verhouding tussen hogere en lagere rechters ontbreekt hier, nu rechters van gelijke hiërarchische rang uiteraard niet de mogelijkheid hebben eikaars uitspraken te vernietigen. Ook de rechtseenheidsfunctie van de rechtspraak is op dit niveau veel minder prominent aanwezig, terwijl de rechtsontwikkelingsfunctie hier eerder tegen dan voor gebondenheid aan precedenten pleit.11 Resteren slechts de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging - met name het gelijkheidsbeginsel - als basis voor een zekere onderlinge gebondenheid. De formulering die de Hoge Raad in het arrest Druijff/Bouw heeft gehanteerd inzake de betekenis van rechterlijke uitspraken bij de begroting van smartengeld,12 lijkt overigens te suggereren dat het gelijkheidsbeginsel hier inderdaad een rol kan spelen. Dit zal echter niet leiden tot een al te sterke vorm van binding. In § 8.4.2 kom ik hierop terug.
De slotsom van dit alles kan zijn, dat de gebondenheid aan precedenten thans primair verloopt langs hiërarchische (verticale) lijnen. Hoewel op horizontaal niveau een zekere gebondenheid wellicht op theoretische gronden zou kunnen worden aangenomen, lijkt deze in de praktijk vooralsnog niet of nauwelijks tot ontwikkeling gekomen.