Ik ontleen de feiten aan de rechtsoverwegingen 3.1-3.6 van de bestreden beschikking. Tegen de feitenvaststelling is in cassatie niet opgekomen. Ik neem hier alleen de feiten op die in cassatie relevant zijn.
HR, 17-11-2017, nr. 16/06096
ECLI:NL:HR:2017:2905, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-11-2017
- Zaaknummer
16/06096
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:2905, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑11‑2017; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2016:7767, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1252, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:1252, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑07‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2905, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑12‑2016
- Vindplaatsen
AR 2017/6100
TRA 2018/22 met annotatie van mr. M.D. Ruizeveld
Ondernemingsrecht 2018/27 met annotatie van S. Palm
NJ 2018/126 met annotatie van E. Verhulp
JIN 2018/44 met annotatie van J. van Vleuten
TvPP 2018, afl. 1, p. 25
JAR 2017/311 met annotatie van mr. J. van der Pijl
AR-Updates.nl 2017-1389
VAAN-AR-Updates.nl 2017-1389
JIN 2018/44 met annotatie van J. van Vleuten
JAR 2017/311 met annotatie van mr. J. van der Pijl
Uitspraak 17‑11‑2017
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Recht op transitievergoeding (art. 7:673 BW)? Uitleg schriftelijke verklaring werkgever over einde dienstverband; aanzegging in de zin van art. 7:668 BW? Arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd; opvolgend werkgever? Overgangsrecht WWZ m.b.t. opvolgend werkgeverschap in kader van art. 7:668a lid 2 BW (ketenregeling) en art. 7:673 lid 4 onder b BW (transitievergoeding). Wanneer geldt nog de maatstaf van HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603, NJ 2013/171 (Van Tuinen/Wolters)?
Partij(en)
17 november 2017
Eerste Kamer
16/06096
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker] ,wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,
t e g e n
CONSTAR PLASTICS B.V.,gevestigd te Zevenaar,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. S.F. Sagel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en Constar.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaken 4649707\HA VERZ 15-414\EH, 4649837\HA VERZ 15-415, 4649968\HA VERZ 15-416 en 4665376\HA VERZ 15-421 van de kantonrechter te Arnhem van 15 maart 2016;
b. de beschikking in de zaak 200.190.272 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 september 2016.
De beschikking van het hof is aan deze de beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Constar heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging en verwijzing
De advocaat van Constar heeft bij brief van 10 augustus 2017 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- -
i) [verzoeker] is in dienst geweest van Constar International Holland (Plastics) B.V. (hierna: Constar International). Op 28 mei 2014 is deze vennootschap in staat van faillissement verklaard. De curator heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] vervolgens opgezegd.
- -
ii) De curator heeft de activa van Constar International overgedragen aan een derde, die een deel van de activiteiten van Constar International heeft voortgezet in de daarvoor opgerichte nieuwe vennootschap Constar (verweerster in cassatie).
- -
iii) Constar heeft 23 van de 51 werknemers van Constar International, onder wie [verzoeker] , in dienst genomen. Met hen zijn met ingang van 10 juni 2014 arbeidsovereenkomsten gesloten voor de duur van drie maanden. De arbeidsovereenkomsten zijn vervolgens verlengd met één jaar tot 10 september 2015.
- -
iv) Omdat de financiële resultaten van Constar niet goed waren, is besloten haar activiteiten te beëindigen. In een brief van 13 augustus 2015 is namens Constar aan [verzoeker] het volgende bericht:
“Zoals mondeling op 12 augustus 2015 (…) reeds aan u aangegeven, bevestig ik namens uw werkgever Constar Plastics B.V. dat uw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 10 september 2015 afloopt niet zal worden verlengd. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat de onderneming wegens tegenvallende resultaten zal worden gestaakt.
U kunt zich melden bij het UWV voor een uitkering.
Het salaris zal tot het einde dienstverband worden voldaan. In september 2015 zal een eindafrekening plaatsvinden van vakantiedagen, vakantiegeld en voor zover van toepassing het pensioen.
Volledigheidshalve bericht ik u dat deze brief een aanzegging is als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 BW. Mocht u juridische vragen hebben dan kunt u contact met mij opnemen. (…)”
3.2.1
Voor zover in cassatie nog van belang, verzoekt [verzoeker] in dit geding veroordeling van Constar tot betaling van een transitievergoeding van € 75.000,-- bruto op grond van art. 7:673 BW.
Hij legt daaraan ten grondslag dat sprake is van opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 BW en art. 7:673 lid 4, aanhef en onder b, tweede volzin, BW, met als gevolg dat zijn arbeidsovereenkomst (ingevolge eerstgenoemde bepaling) is geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en (ingevolge laatstgenoemde bepaling) voor de toepassing van art. 7:673 lid 1 BW ten minste 24 maanden heeft geduurd. Voorts stelt [verzoeker] dat de brief van Constar van 13 augustus 2015 opgevat moet worden als een opzegging van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] toegewezen.
3.2.2
Het hof heeft het verzoek alsnog afgewezen. Daartoe heeft het als volgt overwogen:
“5.5 [verzoeker] heeft als grondslag voor de door hem verzochte transitievergoeding aangevoerd, dat hij bij Constar werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Indien het hof veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van deze stelling, dient ingevolge artikel 7:673 lid 1 aanhef en sub a BW voorts sprake te zijn van hetzij een opzegging door de werkgever, hetzij een ontbinding van die arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever.
[verzoeker] merkt [de brief van 13 augustus 2015] aan als een opzegging en de kantonrechter heeft [verzoeker] daarin gevolgd.
Met grief 3 komt Constar tegen dat oordeel van de kantonrechter op. Zij is ervan uitgegaan dat de werknemers bij haar voor bepaalde tijd in dienst waren en heeft, overeenkomstig de per 1 juli 2015 ingevoerde aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1 BW, op 13 augustus 2015 schriftelijk bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet zou worden verlengd, hetgeen zij al eerder mondeling had meegedeeld. Haar wil was niet op opzegging gericht, maar op nakoming van de aanzegverplichting nu zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wenste te verlengen.
5.6
Gelet op de inhoud van de brief van 13 augustus 2015, waarin ook nog met zoveel woorden staat dat de brief bedoeld is als aanzegging in de zin van artikel 7:668 lid 1 BW, was naar het oordeel van het hof de aanzegging van Constar onmiskenbaar gericht op het verstrekken van informatie aan [verzoeker] over het vervolg van de arbeidsrelatie als bedoeld in dat wetsartikel. Het hof onderschrijft dan ook niet het oordeel van de kantonrechter dat deze aanzegging het karakter heeft gekregen van een op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte mededeling. Met het oog op de vervaltermijnen waarmee een werknemer rekening moet houden in geval van een onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou een ruime uitleg van een aanzegging (te weten dat dit een opzegging zou inhouden) ook ten koste kunnen gaan van de bescherming van werknemers. Dat dit de bedoeling van de wetgever zou zijn met het invoeren van de aanzegverplichting onder de Wet werk en zekerheid (hierna: Wwz) heeft het hof niet in de parlementaire geschiedenis van de Wwz kunnen lezen.
5.7
Grief 3 treft derhalve doel. Nu er geen sprake was van een opzegging, en Constar evenmin ontbinding heeft verzocht, is de transitievergoeding niet verschuldigd, uitgaande van de door [verzoeker] aangevoerde grondslag. (…)”
3.3
De onderdelen 1.1-1.3 en 2.1-2.5 klagen dat het hof met zijn oordeel dat de brief van Constar van 13 augustus 2015 “onmiskenbaar” bedoeld was als een aanzegging in de zin van art. 7:668 lid 1 BW, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de art. 3:33 en 3:35 BW, althans dat zijn oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van [verzoeker] en de omstandigheden van het geval.
3.4
Deze klacht is gegrond. Het hof heeft in rov. 5.5 (veronderstellenderwijs) aangenomen dat [verzoeker] bij Constar werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarvan uitgaande is een aanzegging als bedoeld in art. 7:668 lid 1 BW in geval van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zinledig. Dat laatste is relevant voor de beantwoording van de vraag of [verzoeker] de brief van 13 augustus 2015, uitgaande van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en in het licht van de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs heeft mogen opvatten als een beëindiging van deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (in plaats van als een (zinledige) aanzegging als bedoeld in art. 7:668 lid 1 BW). Daarbij verdient opmerking dat een aan de zijde van Constar als werkgever bestaande misvatting over de geldende looptijd van de arbeidsovereenkomst (voor bepaalde dan wel voor onbepaalde tijd), die tot gevolg heeft dat haar mededeling niet adequaat en (daardoor) niet eenduidig is, bij de uitleg van die mededeling niet zonder meer ten nadele van [verzoeker] mag werken. Bij die uitleg zijn immers alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder in dit geval de in de brief van 13 augustus 2015 aangekondigde beëindiging door Constar van haar bedrijf. Die omstandigheid kan bijdragen aan het oordeel dat [verzoeker] uit de brief van 13 augustus 2015 redelijkerwijs mocht afleiden dat zijn arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door middel van deze brief werd opgezegd. Indien het hof de zojuist genoemde omstandigheden niet van belang heeft geacht voor het antwoord op de vraag welke betekenis [verzoeker] redelijkerwijs aan de brief van 13 augustus 2015 heeft mogen toekennen, is dat onjuist. Zo het hof de relevantie van bedoelde omstandigheden niet heeft miskend, is zijn oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
3.5
Aan het voorgaande doet niet af hetgeen het hof in de tweede helft van rov. 5.6 heeft overwogen, inhoudende dat een uitleg van een mededeling van een werkgever als een (onregelmatige) opzegging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, in een andere context juist ten koste zou kunnen gaan van de bescherming van werknemers; het hof wijst in dit verband op de korte vervaltermijn om tegen een zodanige opzegging op te komen (zie art. 7:686a lid 4, onder a, BW). Bij beantwoording van de vraag of een werknemer een bepaalde mededeling van zijn werkgever redelijkerwijs heeft mogen opvatten in de door hem (werknemer) begrepen betekenis, zijn immers alle omstandigheden van het geval van belang. Tot die omstandigheden behoren ook de aan die mededeling, al naar gelang de daaraan te verbinden betekenis, verbonden rechtsgevolgen voor de werknemer in dat concrete geval. Ook in dit verband zal bij de uitleg van een mededeling van de werkgever een misvatting aan diens zijde over de looptijd van de arbeidsovereenkomst, die meebrengt dat zijn mededeling niet adequaat en (daardoor) niet eenduidig is, niet zonder meer ten nadele van de werknemer mogen werken.
3.6
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
3.7
De Hoge Raad ziet aanleiding nog het volgende te overwegen, mede met het oog op het geding na verwijzing waarin de hierna te bespreken kwestie van overgangsrecht met betrekking tot het opvolgend werkgeverschap (als bedoeld in art. 7:668a lid 2 BW en art. 7:673 lid 4, aanhef en onder b, tweede volzin, BW) aan de orde kan komen.
Ketenregeling (art. 7:668a BW)
3.8.1
Onder het tot 1 juli 2015 geldende recht gold als maatstaf voor het aannemen van opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 (oud) BW (de ketenregeling) dat “enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever” (HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603, NJ 2013/171 (Van Tuinen/Wolters)). Deze maatstaf bevat ook het geldende recht voor werkgeverswisselingen die voor de datum van genoemd arrest hebben plaatsgevonden.
Vanaf de inwerkingtreding op 1 juli 2015 van het huidige art. 7:668a BW ingevolge de Wet werk en zekerheid (WWZ), is niet meer van belang of tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever “zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever”. De wetgever heeft wat betreft de ketenregeling gebroken met het ‘zodanige banden’-criterium, door in het nieuwe art. 7:668a lid 2 BW te bepalen dat opvolgend werkgeverschap kan bestaan “ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer”. In het verlengde daarvan heeft de wetgever deze – ruimere – maatstaf voor opvolgend werkgeverschap ook opgenomen voor de zogenoemde Ragetlie-regel (in art. 7:667 lid 5 in verbinding met lid 4 BW) en voor de regeling van de transitievergoeding (in art. 7:673 lid 4, aanhef en onder b, tweede volzin, BW).
3.8.2
In beginsel heeft het op 1 juli 2015 in werking getreden recht ingevolge art. 68a Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking. Daarbij is van belang dat bij de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek in verband met de betekenis en reikwijdte van de regel van het ontbreken van terugwerkende kracht, in algemene zin het volgende is opgemerkt:
“d. Kwalificatie van rechtsverschijnselen. In een rechtsregel plegen vereisten te worden gesteld voor het intreden van een bepaald rechtsgevolg. Zo’n vereiste kan inhouden een zeker juridisch gekwalificeerd feit. Zo wordt voor de zgn. verkrijgende verjaring het bezit van een goed gedurende een bij de wet vastgestelde periode verlangd. Een vraag die in het overgangsrecht rijst, is nu of voor de periode vóór de inwerkingtreding van de nieuwe rechtsregel bezit volgens het oude recht dan wel volgens de maatstaven van het nieuwe moet hebben bestaan. Het ontwerp gaat ervan uit dat deze vraag in de zin van het eerste alternatief – dat wil zeggen het oude recht – moet worden opgelost.”
(Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 15)
Ook het opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 BW is een dergelijk ‘juridisch gekwalificeerd feit’ dat een vereiste is voor het intreden van bepaalde rechtsgevolgen. Dat brengt mee dat bij de toepassing van het huidige art. 7:668a BW de kwalificatie van een werkgeverswisseling die heeft plaatsgevonden voor 1 juli 2015, ingevolge het stelsel van de Overgangswet Nieuw BW moet geschieden naar het voordien geldende recht, tenzij een specifieke bepaling van overgangsrecht iets anders meebrengt. Met betrekking tot de wijziging van de maatstaf voor het aannemen van opvolgend werkgeverschap zijn evenwel geen specifieke overgangsrechtelijke bepalingen in de WWZ opgenomen.
Bij beantwoording van de vraag of een op of na 1 juli 2015 eindigende arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:668a BW (de ketenregeling) aangemerkt moet worden als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd, moet derhalve voor de toepassing van het tweede lid een werkgeverswisseling die heeft plaatsgevonden voor 1 juli 2015 nog worden beoordeeld naar de maatstaf van het arrest Van Tuinen/Wolters.
3.8.3
Het voorgaande is in lijn met een aantal bepalingen van overgangsrecht in de WWZ met betrekking tot enkele andere aspecten van de ketenregeling.
Zo voorziet art. XXIIe lid 2 WWZ erin, kort gezegd, dat de onder het nieuwe art. 7:668a lid 1, aanhef en onder a, BW voor toepassing van de ketenregeling vereiste duur van de keten van 24 maanden (in plaats van de voorheen vereiste duur van 36 maanden) pas geldt indien op of na1 juli 2015 een nieuwe arbeidsovereenkomst is aangegaan. Voorts brengen de leden 2 en 3 van art. XXIIe WWZ, kort gezegd, mee dat de ingevolge art. 7:668a lid 1 (oud) BW voor tussenpozen tussen opvolgende arbeidsovereenkomsten geldende termijn van maximaal drie maanden, van toepassing blijft voor de tussenpozen tussen opvolgende arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan voor 1 juli 2015 (in plaats van de thans daarvoor geldende termijn van maximaal zes maanden). Een en ander is onder meer als volgt toegelicht:
“Het nieuwe artikel 7:668a BW dat regelt wanneer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, geldt pas als er op of na 1 juli [2015] een (opvolgende) arbeidsovereenkomst wordt gesloten uiterlijk zes maanden na de daaraan voorafgaande arbeidsovereenkomst. Het nieuwe recht geldt tevens voor de tussenpoos die voorafgaat aan de arbeidsovereenkomst die na 1 juli [2015] is gesloten, maar niet voor eerdere tussenpozen. De keten is dus pas doorbroken als de tussenpoos die ligt tussen de op of na 1 juli aangegane arbeidsovereenkomst en de arbeidsovereenkomst die daaraan voorafging, langer is dan zes maanden. Voor tussenpozen tussen eerdere arbeidsovereenkomsten blijft gelden dat de keten doorbroken is (en blijft) bij een tussenpoos van langer dan drie maanden. Als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 1 juli [2015] nog niet de periode van 24 maanden is gepasseerd, maar dit wel tijdens de duur van deze arbeidsovereenkomst gebeurt, dan blijft het oude artikel 7:668a BW van toepassing op die arbeidsovereenkomst. De regering acht dit redelijk en wenselijk vanwege de rechtszekerheid, zodat de werkgever (en werknemer) na inwerkingtreding van deze onderdelen van het wetsvoorstel nog een keuzemoment hebben voordat er sprake is van omzetting in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.”
En:
“Om te voorkomen dat de keten die in het verleden al doorbroken was, doordat er een tussenpoos van meer dan drie maanden is geweest, nu ineens níet meer doorbroken zou zijn (doordat de keten met terugwerkende kracht pas na een tussenpoos van langer dan zes maanden doorbroken zou zijn) wordt in het derde lid het volgende geregeld; voor tussenpozen die gelegen zijn tussen arbeidsovereenkomsten gesloten vóór de inwerkingtreding van dit onderdeel blijft gelden, conform het huidige recht, dat deze zijn onderbroken als de tussenpoos langer is dan drie maanden.”
(Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 128)
De hiervoor in 3.8.2 vermeldde regel van overgangsrecht voor de kwalificatie van een werkgeverswisseling als opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 BW, strookt met de zojuist vermelde specifieke regels van overgangsrecht (met betrekking tot de in art. 7:668a lid 1 BW genoemde termijnen voor de duur van de keten en voor de duur van de tussenpozen) en de daarop gegeven toelichting. In overeenstemming met hetgeen ter rechtvaardiging van deze specifieke regels in de toelichting daarop is aangevoerd, dient ook voor de kwalificatie van een werkgeverswisseling in verband met de eisen van rechtszekerheid te gelden dat, als een keten voor 1 juli 2015 al doorbroken was doordat bij een voor die datum plaatsgevonden hebbende werkgeverswisseling geen sprake was van opvolgend werkgeverschap in de zin van het arrest Van Tuinen/Wolters, dit na die datum niet met terugwerkende kracht anders beoordeeld moet worden.
Transitievergoeding (art. 7:673 BW)
3.8.4
Indien beoordeeld moet worden of en tot welk bedrag aanspraak bestaat op een transitievergoeding als bedoeld in art. 7:673 lid 1 BW, bestaat onvoldoende reden om bij de berekening van de duur van de samengetelde arbeidsovereenkomsten als bedoeld in art. 7:673 lid 4, aanhef en onder b, tweede volzin, BW, voor het overgangsrecht met betrekking tot opvolgend werkgeverschap een andere regel te aanvaarden dan de hiervoor aanvaarde regel in het kader van de ketenregeling.
Evenals de ketenregeling heeft de regeling van de transitievergoeding in art. 7:673 BW onmiddellijke werking. Maar ook hier geldt dat opvolgend werkgeverschap een ‘juridisch gekwalificeerd feit’ is (zie hiervoor in 3.8.2) dat – in verband met de voor de toepassing van art. 7:673 BW in aanmerking te nemen duur van samengetelde arbeidsovereenkomsten – mede bepalend is voor het intreden van een bepaald rechtsgevolg (het recht op en de hoogte van een transitievergoeding). Daar komt bij dat de wettelijke omschrijving van het opvolgend werkgeverschap in beide regelingen (van ketenregeling en transitievergoeding) identiek is, en dat een uiteenlopend overgangsrecht voor deze regelingen de hanteerbaarheid van het recht niet ten goede komt.
Daarom moeten werkgeverswisselingen die hebben plaatsgevonden voor 1 juli 2015 ook in het kader van de transitievergoeding beoordeeld worden aan de hand van de maatstaf van het arrest Van Tuinen/Wolters.
3.8.5
De in art. XXII lid 8 WWZ voor de transitievergoeding opgenomen overgangsregeling met betrekking tot de samentelling van voorafgaande arbeidsovereenkomsten als bedoeld in art. 7:673 lid 4, onder b, BW, staat aan het voorgaande niet in de weg.
In die overgangsregeling wordt, kort gezegd, enerzijds in de aldaar (onder a en b) omschreven gevallen aangesloten bij de in de oude ketenregeling geldende termijn van drie maanden voor tussenpozen tussen elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten; anderzijds is in de overige gevallen de nieuwe termijn van zes maanden van toepassing voor ‘oude’ tussenpozen gelegen tussen 1 juli 2012 en 1 juli 2015. Een en ander geldt evenzeer voor tussenpozen in geval van opvolgend werkgeverschap.
De vraag echter óf sprake is van opvolgend werkgeverschap bij een werkgeverswisseling die voor 1 juli 2015 heeft plaatsgevonden, en naar welk recht dat moet worden beoordeeld, is met de voor tussenpozen geldende overgangsregeling van art. XXII lid 8 WWZ niet beantwoord. Die vraag moet, gelet op hetgeen hiervoor in 3.8.4 is overwogen, beoordeeld worden naar het voor 1 juli 2015 geldende recht.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 september 2016;
verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Constar in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 843,49 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 17 november 2017.
Conclusie 14‑07‑2017
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Recht op transitievergoeding (art. 7:673 BW)? Uitleg schriftelijke verklaring werkgever over einde dienstverband; aanzegging in de zin van art. 7:668 BW? Arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd; opvolgend werkgever? Overgangsrecht WWZ m.b.t. opvolgend werkgeverschap in kader van art. 7:668a lid 2 BW (ketenregeling) en art. 7:673 lid 4 onder b BW (transitievergoeding). Wanneer geldt nog de maatstaf van HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603, NJ 2013/171 (Van Tuinen/Wolters)?
Partij(en)
Zaaknr: 16/06096
mr. L. Timmerman
Zitting: 14 juli 2017
Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
Constar Plastics B.V.
1. De feiten
1.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.
1.2.
[verzoeker] is in dienst geweest van Constar International Holland (Plastics) B.V. (hierna: Constar International). Op 28 april 2014 is aan deze vennootschap surseance van betaling verleend, waarna de vennootschap op 28 mei 2014 in staat van faillissement is verklaard. De curator heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] vervolgens opgezegd.
1.3.
UTB International B.V. (hierna: UTB International) heeft de activa van Constar International overgenomen en een deel van de activiteiten van Constar International voortgezet in de daarvoor opgerichte nieuwe vennootschap Constar Plastics B.V. (hierna: Constar). Constar produceert PET-flessen en halffabricaten.
1.4.
Constar heeft een aantal werknemers van Constar International uitgenodigd voor een gesprek over een nieuwe arbeidsovereenkomst. Vervolgens zijn 23 van de 51 werknemers van Constar International, onder wie [verzoeker], bij Constar in dienst getreden. Met hen zijn arbeidsovereenkomsten gesloten, met ingang van 10 juni 2014 en voor de duur van drie maanden. De arbeidsovereenkomsten zijn vervolgens verlengd met één jaar tot 10 september 2015.
1.5.
Omdat de financiële resultaten van Constar niet goed waren, heeft UTB International besloten de activiteiten van Constar te beëindigen. In een brief van 13 augustus 2015 is namens Constar aan [verzoeker] het volgende bericht:
“Zoals mondeling op 12 augustus 2015 door de heer Heijkoop reeds aan u aangegeven, bevestig ik namens uw werkgever Constar Plastics B.V. dat uw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 10 september 2015 afloopt niet zal worden verlengd. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat de onderneming wegens tegenvallende resultaten zal worden gestaakt.
U kunt zich melden bij het UWV voor een uitkering.
Het salaris zal tot het einde dienstverband worden voldaan. In september 2015 zal een eindafrekening plaatsvinden van vakantiedagen, vakantiegeld en voor zover van toepassing het pensioen.
Volledigheidshalve bericht ik u dat deze brief een aanzegging is als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 BW. Mocht u juridische vragen hebben dan kunt u contact met mij opnemen.
Om er zeker van de te zijn dat deze brief u bereikt, wordt deze u zowel per gewone als per aangetekende post toegezonden.”
2. Het procesverloop
2.1.
In eerste aanleg heeft [verzoeker] de kantonrechter van de rechtbank Gelderland verzocht Constar te veroordelen tot betaling van onder meer:
a. € 75.000,-- bruto aan transitievergoeding.
b. € 23.882,05 bruto als schadeloosstelling voor ontbrekende pensioenopbouw.
c. € 20.462,88 bruto als vergoeding voor onregelmatige opzegging.
d. € 5.120,84 bruto als billijke vergoeding.
2.2.
Bij beschikking van 15 maart 2016 heeft de kantonrechter [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken onder c en d omdat deze, gelet op art. 7:686a lid 4 BW, te laat zijn ingediend. De verzoeken betreffende de transitievergoeding en de pensioenopbouw zijn toegewezen.
2.3.
Van de beschikking van de kantonrechter zijn in cassatie de volgende overwegingen in het bijzonder relevant:2.
“4.3. In het kader van de beoordeling of [A] c.s. recht hebben op de door hen verzochte transitievergoedingen ligt allereerst de vraag voor of sprake is van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:673 lid 4 sub b BW. Het antwoord op deze vraag is immers relevant voor zowel de vraag of aan de eis van ten minste 24 maanden is voldaan (artikel 7:673 lid 1 BW) als de berekening van de totale duur van het dienstverband krachtens artikel 7:673 lid 2 BW.
4.4.
Op grond van artikel 7:673 lid 4 sub b BW worden voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst een of meer voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, samengeteld. Indien de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die redelijkerwijze geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkaars opvolger te zijn, worden deze periodes ook samengeteld.
4.5.
Waarom in geval van een doorstart door een derde, niet met de gefailleerde verweven partij, geen sprake zou zijn van opvolgend werkgeverschap als hiervoor bedoeld, valt, anders dan Constar betoogt, niet in te zien.
4.6.
Constar heeft voorts betoogd dat, nu de arbeidsovereenkomsten met [A] c.s. dateren van vóór 1 juli 2015, de onder het oude recht geldende definitie van opvolgend werkgeverschap - inclusief het criterium “zodanige banden” - moet gelden.
Ook dit betoog heeft niet het gewenste resultaat, gelet op het navolgende.
Aangenomen dat, in lijn met de uitspraak van deze rechtbank van 15 januari 2016 met nummer ECLI:NL:RBGEL:2016:190, aanleiding bestaat om de vraag of sprake is van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:668a BW te beoordelen naar oud recht, betekent dat niet zonder meer dat voor wat betreft de transitievergoeding van eenzelfde interpretatie van opvolgend werkgeverschap moet worden uitgegaan. Hoewel Constar terecht opmerkt dat voor de definitie van opvolgend werkgeverschap in artikel 7:673 lid 4 BW is aangesloten bij de definitie daarvan in de ketenregeling (artikel 7:668a BW), heeft de wetgever er immers uitdrukkelijk voor gekozen om voor de regeling van de transitievergoeding (anders dan voor de ketenregeling) slechts een beperkte uitzondering (artikel XXII lid 8 WWZ) te maken op de onmiddellijke werking.
De vraag of, ter voorkoming van een samenloop van verschillende varianten van opvolgend werkgeverschap en/of wegens de rechtszekerheid, aanleiding bestaat om de overgangsbepaling over de ketenregeling ook toepasselijk te achten op het opvolgend werkgeverschap voor de transitievergoeding kan echter onbeantwoord worden gelaten, nu Constar naar het oordeel van de kantonrechter ook met toepassing van het “zodanige banden” criterium als opvolgend werkgever heeft te gelden. Niet in geschil is immers dat een van de bestuurders van Constar International, die inmiddels bij Constar de functie van operationeel directeur bekleedde, een selectie van de voormalige werknemers van Constar International, onder wie [A] c.s., heeft uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek, bij de selectiegesprekken aanwezig is geweest en, in de woorden van Constar, als referent is opgetreden. Hierin wordt aanleiding gezien voor het oordeel dat het door Constar International op grond van haar ervaringen met [A] c.s. verkregen inzicht in hun hoedanigheden en geschiktheid moet worden toegerekend aan Constar.
4.7.
Zoals Constar terecht opmerkt, heeft het (aannemen van) opvolgend werkgeverschap in casu tot gevolg dat de met [A] c.s. gesloten arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn geconverteerd in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd (artikel 7:668a lid 2 BW). Nu van opzegging harerzijds geen sprake is geweest, lopen deze door en is zij (dus) geen transitievergoedingen verschuldigd, aldus Constar.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan, met toepassing van de artikelen 3:33 BW en 3:35 BW, de hiervoor onder 2.4 vermelde brief niet anders worden opgevat dan dat Constar beoogd heeft de arbeidsovereenkomsten met [A] c.s. per 10 september 2015 te beëindigen. Hoewel aangenomen kan worden dat haar wil niet gericht is geweest op het onregelmatig opzeggen van voormelde arbeidsovereenkomsten, baat haar dit niet. Als uitgangspunt heeft immers te gelden dat een beroep op dwaling ten aanzien van het recht - in dit geval ten aanzien van de kwalificatie van de arbeidsovereenkomsten met [A] c.s. - niet kan worden aanvaard.
4.8.
Rest nog de stelling van Constar dat door het faillissement van Constar International (de verplichting tot het voldoen van) de transitievergoeding is komen te vervallen.
Artikel 7:673c lid 1 BW bepaalt dat als de werkgever in staat van faillissement is verklaard de transitievergoeding niet langer verschuldigd is.
Volgens Constar blijkt uit de wetsgeschiedenis van voormelde bepaling dat het recht op een transitievergoeding in het geval van faillissement vervalt en niet herleeft. Anders dan Constar meent, gaat het echter om het vervallen van het recht jegens de gefailleerde werkgever. In geval van een doorstart wordt bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding – als sprake is van opvolgend werkgeverschap - de duur van het eerdere dienstverband meegeteld. De op zichzelf terechte opmerking dat “dit de doorstartpraktijk ernstig zal belemmeren” maakt dit niet anders.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat [A] c.s. jegens Constar recht hebben op de transitievergoeding. Op grond van artikel 7:686a BW is wettelijke rente verschuldigd, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomsten zijn geëindigd.”
2.4.
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft, bij beschikking van 27 september 2016, de verzochte transitievergoeding alsnog afgewezen.3.Van de beschikking van het hof zijn in het bijzonder de volgende overwegingen relevant:
“5.5 [verzoeker] heeft als grondslag voor de door hem verzochte transitievergoeding aangevoerd, dat hij bij Constar werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Indien het hof veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van deze stelling, dient ingevolge artikel 7:673 lid 1 aanhef en sub a BW voorts sprake te zijn van hetzij een opzegging door de werkgever, hetzij een ontbinding van die arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever.
[verzoeker] merkt de onder 3.6 geciteerde brief aan als een opzegging en de kantonrechter heeft [verzoeker] daarin gevolgd.
Met grief 3 komt Constar tegen dat oordeel van de kantonrechter op. Zij is ervan uitgegaan dat de werknemers bij haar voor bepaalde tijd in dienst waren en heeft, overeenkomstig de per 1 juli 2015 ingevoerde aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1 BW, op 13 augustus 2015 schriftelijk bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet zou worden verlengd, hetgeen zij al eerder mondeling had meegedeeld. Haar wil was niet op opzegging gericht, maar op nakoming van de aanzegverplichting nu zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wenste te verlengen.
5.6
Gelet op de inhoud van de brief van 13 augustus 2015, waarin ook nog met zoveel woorden staat dat de brief bedoeld is als aanzegging in de zin van artikel 7:668 lid 1 BW, was naar het oordeel van het hof de aanzegging van Constar onmiskenbaar gericht op het verstrekken van informatie aan [verzoeker] over het vervolg van de arbeidsrelatie als bedoeld in dat wetsartikel. Het hof onderschrijft dan ook niet het oordeel van de kantonrechter dat deze aanzegging het karakter heeft gekregen van een op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte mededeling. Met het oog op de vervaltermijnen waarmee een werknemer rekening moet houden in geval van een onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou een ruime uitleg van een aanzegging (te weten dat dit een opzegging zou inhouden) ook ten koste kunnen gaan van de bescherming van werknemers. Dat dit de bedoeling van de wetgever zou zijn met het invoeren van de aanzegverplichting onder de Wet werk en zekerheid (hierna: Wwz) heeft het hof niet in de parlementaire geschiedenis van de Wwz kunnen lezen.
5.7
Grief 3 treft derhalve doel. Nu er geen sprake was van een opzegging, en Constar evenmin ontbinding heeft verzocht, is de transitievergoeding niet verschuldigd, uitgaande van de door [verzoeker] aangevoerde grondslag.
Een subsidiaire grondslag heeft hij noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep aangevoerd. Daarmee behoeft grief 5, die is gericht tegen de overweging waarin de kantonrechter constateert dat de transitievergoeding met rente toewijsbaar is en tegen het daaruit volgende dictum, geen nadere bespreking meer.”
2.5.
Bij op 16 december 2016 (en dus tijdig) ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift heeft [verzoeker] cassatie ingesteld. Constar heeft verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
3. Inleiding
3.1.
Het gaat in deze procedure inmiddels alleen nog om de vraag of [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding. Zoals bekend, is de transitievergoeding ingevoerd met de Wet werk en zekerheid (WWZ). Het gaat om een wettelijke ontslagvergoeding waarvan de hoogte afhankelijk is van de lengte van het dienstverband en de hoogte van het loon. Zie art. 7:673 lid 2 BW.
3.2.
De werknemer heeft pas recht op een transitievergoeding indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd. Daarnaast is vereist dat – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd of niet is voortgezet. Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moet door de werkgever zijn opgezegd of op diens initiatief zijn ontbonden. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd moet op initiatief van de werkgever niet zijn voortgezet. Zie art. 7:673 lid 1 BW.
3.3.
Het dienstverband [verzoeker] met Constar had op 10 september 2015 (toen de arbeidsovereenkomst volgens Constar van rechtswege afliep) nog geen 24 maanden geduurd. [verzoeker] meent niettemin recht te hebben op een transitievergoeding omdat er volgens hem sprake is van opvolgend werkgeverschap en daarom zijn dienstverband bij Constar International moet worden meegerekend. [verzoeker] stelt dat, gelet op de ketenregeling van art. 668a lid 1 en 2 BW, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Ten aanzien van het recht op (en de berekening van de hoogte van) de transitievergoeding heeft [verzoeker] gewezen op art. 7:673 lid 4 BW, dat – voor zover relevant – luidt als volgt:
“Voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in de leden 1 en 2, worden:
(…)
b. een of meer voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, samengeteld. De vorige zin is eveneens van toepassing indien de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.”
3.4.
Constar heeft tegen het verzoek van om toekenning van een transitievergoeding diverse verweren aangevoerd. Volgens Constar is geen sprake van opvolgend werkgeverschap. Er is daarom niet voldaan aan de eis dat de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd. Constar heeft verder gesteld dat, voor zover uitgegaan moet worden van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, Constar deze arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd. Constar heeft [verzoeker] slechts een aanzegging als bedoeld in art. 7:668 lid 1 BW gedaan.
3.5.
[verzoeker] stelt dat hij de genoemde aanzegging heeft opgevat als een opzegging en dat hij in het einde van de arbeidsovereenkomst heeft berust.
3.6.
De rechtbank heeft de verweren van Constar verworpen (zie hiervoor onder 2.3) en Constar veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding. Het hof heeft het verzoek alsnog afgewezen. Deze afwijzing rust op slechts één pijler. Het hof heeft, veronderstellenderwijs aannemend dat de stelling van [verzoeker] dat van een contract voor onbepaalde tijd sprake is, geoordeeld dat de aanzegging niet kan worden aangemerkt als een opzegging. Bij gebreke van een opzegging, is geen transitievergoeding verschuldigd, aldus het hof (rov. 5.7).4.
3.7.
Alleen tegen dit oordeel richt zich het cassatiemiddel. Zoals hierna zal blijken, kom ik tot de conclusie dat het middel slaagt en dat wat mij betreft opnieuw moet worden beoordeeld of wel of niet van een opzegging sprake is geweest. Indien na verwijzing wordt geoordeeld dat wél sprake is geweest van een opzegging, komen alsnog de andere verweren van Constar in beeld. Tot deze verweren behoort de stelling dat Constar geen opvolgend werkgever is. Constar heeft hierbij betoogd dat de vraag of sprake is van opvolgend werkgeverschap volgens het oude recht moet worden beantwoord. Omdat dit een kwestie betreft waarover in de rechtspraak en de literatuur verschillend wordt gedacht, maak ik hierover ten overvloede enige opmerkingen (zie hierna onder 5).
4. De bespreking van het cassatiemiddel
4.1.
Het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is geweest van een opzegging van de arbeidsrelatie door Constar en tegen de onderbouwing van dat oordeel (rov. 5.5-5.7). Het cassatiemiddel bestaat uit de onderdelen 1 en 2. Deze onderdelen bestaan uit diverse subonderdelen, die deels met elkaar samenhangen. Ik geef hieronder de klachten eerst samengevat weer en bespreek de klachten dan gezamenlijk.
- Onderdelen 1.1-1.3.5.Het hof had de vraag of sprake was van een opzegging moeten beantwoorden aan de hand van art. 3:33 en 3:35 BW. Door slechts te overwegen dat de brief van 13 augustus 2015 onmiskenbaar was gericht op het verstrekken van informatie aan [verzoeker] over het vervolg van de arbeidsrelatie, heeft het hof die maatstaf miskend, althans zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
- Onderdeel 1.4. Het hof had, nu het kennelijk de lezing van de brief van 13 augustus 2015 door Constar voorshands als juist heeft aanvaard, [verzoeker] in de gelegenheid moeten stellen bewijs van het tegendeel te leveren.
- Onderdelen 2.1-2.5. Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk, onder meer omdat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan essentiële stellingen van partijen alsmede aan aangevoerde feiten en omstandigheden. Een werkgever kan zich niet beroepen op de regel dat een opzegging duidelijk herkenbaar moet zijn in het geval dat de werkgever zelf een onjuiste mededeling doet die de werknemer mag beschouwen als een opzegging. Het hof is eraan voorbijgegaan dat de wil van Constar was gericht op beëindiging van de arbeidsrelatie en dat [verzoeker] de mededelingen van Constar ook zo heeft opgevat en in de beëindiging heeft berust. Het hof had moeten beoordelen of naar de geest van de wet niet toch recht op een transitievergoeding bestond.
- Onderdeel 2.6. Ten onrechte is het hof er (impliciet) vanuit gegaan dat de arbeidsovereenkomst heeft voortgeduurd. Dit oordeel is onverenigbaar met het partijdebat.
- Onderdeel 2.7 bevat geen klacht.
- Onderdeel 2.8 stelt dat, als één van de voorgaande klachten slaagt, ook rov. 5.7 van de beschikking niet in stand kan blijven en grief 3 opnieuw moet worden behandeld door het hof.
4.2.
Het middel bestrijdt, als gezegd, het oordeel van het hof dat geen sprake is geweest van een opzegging van de arbeidsrelatie door Constar. Volgens het hof kan de aanzegging van Constar niet als opzegging worden aangemerkt.
4.3.
Een opzegging is een eenzijdige rechtshandeling die gericht is op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.6.Voor het aanmerken van een verklaring van een werknemer als een beëindigingsverklaring geldt een strenge maatstaf: de verklaring moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn. Dit heeft te maken met de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor een werknemer kan hebben.7.
4.4.
Voor een beëindigingsverklaring van de werkgever geldt deze strenge maatstaf niet. In HR 10 juni 2005 (Ramses II)8.overwoog de Hoge Raad:
“Er is (…) geen reden een dergelijke verklaring, indien de werknemer deze heeft opgevat als gericht op de beëindiging van de dienstbetrekking, maar de werkgever zich op het standpunt stelt dat die verklaring niet die strekking had, anders te beoordelen dan aan de hand van de maatstaf van art. 3:33 en 3:35 BW. Een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werkgever is niet vereist.”
4.5.
Of een verklaring van de werkgever die door werknemer als opzegging is opgevat, als een opzegging kwalificeert, moet dus “gewoon” aan de hand van de maatstaf van art. 3:33 en 3:35 BW worden beoordeeld. Dat betekent kort gezegd dat, als de werkgever stelt dat het niet ging om een opzegging, beoordeeld moet worden of de werknemer de verklaring niettemin als een beëindigingsverklaring heeft mogen opvatten. Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden van het geval.
4.6.
Mijns inziens voert het cassatiemiddel terecht aan dat het hof de hiervoor bedoelde beoordeling niet, althans niet op juiste wijze, heeft uitgevoerd. Het oordeel van het hof houdt in essentie in dat Constar de brief van 13 augustus 2015 heeft bedoeld als een aanzegging in de zin van art. 7:668 BW en dat het daarom niet om opzegging kan gaan. Het hof had echter moeten onderzoeken of [verzoeker], gelet op de omstandigheden van het geval, de brief (mede) heeft mogen begrijpen als een verklaring gericht op het beëindigen van de arbeidsrelatie. Het enkele feit dat de brief spreekt over een “aanzegging” en verwijst naar art. 7:668 BW, sluit dit mijns inziens niet uit. Integendeel, het ligt naar mijn mening voor de hand dat een werknemer in een geval als het onderhavige uit de aanzeggingsverklaring mag afleiden dat de werkgever de arbeidsovereenkomst wil beëindigen.
4.7.
Naar aanleiding van de motivering van het oordeel van het hof nog het volgende. Het hof heeft in rov. 5.6 overwogen dat het opvatten van een aanzegging als opzegging ten koste zou kunnen gaan werknemersbescherming. Het hof wijst hierbij op de wettelijke vervaltermijn waarmee een werknemer rekening moet houden in geval van een onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Deze vervaltermijn is twee maanden (na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd).9.
Deze opvatting van het hof staat niet op zichzelf. In meerdere andere uitspraken is op soortgelijke wijze geoordeeld.10.Ook in de literatuur is deze opvatting te vinden. Houweling heeft betoogd dat een aanzegging niet te snel als opzegging mag worden uitgelegd als dat nadelig is voor de werknemer.11.Zo ook Vos en Stamoulis.12.
4.8.
Ik kan deze gedachtegang tot op zekere hoogte volgen. Als de werkgever een aanzegging in de zin van art. 7:668 lid 1 BW doet terwijl in werkelijkheid sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, is het mijns inziens niet redelijk dat de werknemer wordt tegengeworpen dat hij niet binnen twee maanden tegen de “opzegging” in actie is gekomen. De werknemer is dan immers op het verkeerde been gezet. De korte wettelijke vervaltermijnen zijn er mede om te bevorderen dat partijen snel weten waar zij aan toe zijn,13.maar dan moet het voor de werknemer wel duidelijk zijn dat het om een opzegging gaat. Dat wil zeggen: dat sprake is van een rechtshandeling van de werkgever die gericht is op beëindiging van het dienstverband.14.
Het ligt mijns inziens voor de hand in dit soort gevallen voor een werkgeversopzegging – toch15.– de eis van duidelijkheid en ondubbelzinnigheid te stellen. In elk geval zou de rechter in deze gevallen naar mijn mening terughoudend moeten zijn bij het kwalificeren van de desbetreffende verklaring van de werkgever als een opzegging.16.
4.9.
Deze benadering is echter niet in alle gevallen op zijn plaats. Soms – en ook in het onderhavige geval – is het belang van de werknemer er juist in gelegen dat hij de aanzegging als een opzegging mocht opvatten. De hoofdregel is daarom, en kan mijns inziens blijven, dat aan de hand van de wilsvertrouwensleer moet worden beoordeeld of sprake is van een opzegging door de werkgever.17.
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat het cassatiemiddel – in elk geval deels – slaagt.
4.11.
Ik voeg hier nog het volgende aan toe. [verzoeker] heeft zich, naar zijn zeggen, bij het einde van het dienstverband neergelegd. Hij heeft – mijns inziens begrijpelijkerwijs – wel aanspraak gemaakt op een transitievergoeding. Het hof heeft hem deze ontzegd op de grond dat geen sprake zou zijn van een opzegging. In navolging van de stellingen van Constar18.is de gedachte van het hof waarschijnlijk geweest dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt en dat [verzoeker] zich in rechte ook op dit standpunt had moeten stellen. Uit het dossier blijkt echter niet dat in de praktijk nog invulling is gegeven aan de arbeidsovereenkomst dan wel dat Constar daar aanspraak op gemaakt heeft. De aanpak van het hof komt mij daarom (ook) in praktisch opzicht niet wenselijk voor.
5. Ten overvloede: opvolgend werkgeverschap en het overgangsrecht
5.1.
Zoals aangekondigd, ga ik ten overvloede in op het verweer van Constar dat geen sprake is van opvolgend werkgeverschap. Dit is van belang omdat, als geen sprake is van opvolgend werkgeverschap, [verzoeker] geen aanspraak heeft op een transitievergoeding (zie ook hiervoor onder 3.2 en 3.3).19.
5.2.
De WWZ heeft ten aanzien opvolgend werkgeverschap een belangrijke verandering gebracht. Vóór inwerkingtreding van de WWZ gold het criterium van het Van Tuinen-arrest van 11 mei 2012.20.De Hoge Raad overwoog in dit arrest over opvolgend werkgeverschap (in het kader van de toenmalige ketenregeling van art. 7:668a lid 2 BW) het volgende:
“3.4 (…) Dit betekent dat aan de eis dat de nieuwe werkgever redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger van de vorige werkgever te zijn, in de regel is voldaan indien enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. (…)”
Voor het aannemen van opvolgend werkgeverschap diende dus niet alleen sprake te zijn van “wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden” maar ook moesten tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever “zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever”.
5.3.
Met dit laatste criterium (hierna: het bandencriterium) heeft de WWZ-wetgever gebroken.21.Art. 7:673 lid 4, dat ten aanzien van de transitievergoeding regelt hoe de duur van de arbeidsovereenkomst moet worden berekend, vermeldt expliciet dat niet van belang is of “inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer”.22.Het gevolg van deze wijziging is dat opvolgend werkgeverschap sneller dan voorheen kan worden aangenomen.
5.4.
Het is de vraag of dit nieuwe recht ook geldt voor werkgeverswissels die hebben plaatsgevonden vóór inwerkingtreding van de WWZ,23.zoals ook het geval is bij de doorstart van Constar. De wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek die de WWZ heeft bewerkstelligd gelden op grond van art. 68a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek in beginsel onmiddellijk.24.De WWZ zelf bevat in diverse overgangsrechtelijke bepalingen uitzonderingen op dit uitgangspunt, maar de bepalingen die voor opvolgend werkgeverschap van belang zijn, bevatten geen (duidelijk) antwoord op de genoemde vraag.25.
5.5.
In de rechtspraak wordt over deze kwestie tot nu toe uiteenlopend geoordeeld.26.In sommige uitspraken wordt – rechttoe-rechtaan – het nieuwe regime toegepast. Zo overwoog de kantonrechter te Zutphen over art. 7:273 lid 4 BW:27.
“De (…) wettekst is helder en heeft onmiddellijke werking. Er is geen aanwijzing dat de wetgever zou hebben bedoeld dat niettemin in dit kader bij de vraag of er ten tijde van de indiensttreding bij Schotpoort sprake was van “elkaars opvolger” moet worden gekeken naar het oude voor 1 juli 2015 geldende recht, in het bijzonder naar het “zodanige banden” criterium. Naar het oordeel van de kantonrechter dient dat criterium daarom voor de beoordeling van deze zaak geen rol te spelen.”
5.6.
De rechtspraak zit echter voor een belangrijk deel op een ander spoor.28.In een andere “Constar-zaak” overwoog het Hof Arnhem-Leeuwarden als volgt:29.
“5.8. Het hof is van oordeel dat aan de hand van het tot 1 juli 2015 geldende recht dient te worden beoordeeld of ten tijde van de gestelde opvolging sprake is van opvolgend werkgeverschap en dat in dit geval dus dient te zijn voldaan aan het in het hiervoor geciteerde arrest van de Hoge Raad neergelegde criterium, in het bijzonder de eis dat tussen Constar Plastics en Constar International zodanige banden bestonden dat het door de laatste op grond van haar ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan Constar Plastics. De overname van de activa van Constar International door Constar Plastics en het in dienst nemen van een aantal oud-werknemers van Constar International heeft immers plaatsgevonden vóór 1 juli 2015, zodat Constar Plastics aan de hand van het toen geldende criterium diende te beoordelen of zij eventueel zou kunnen worden aangemerkt als opvolgend werkgever. De naar het moment van eventuele opvolging te bepalen status van de nieuwe werkgever wijzigt niet onder invloed van de latere invoering van de Wwz en het daarop betrekking hebbende overgangsrecht.”30.
5.7.
Ook volgens het Hof ’s-Hertogenbosch moet de kwestie van het opvolgend werkgeverschap op basis van het oude criterium worden beoordeeld:31.
“De Wet werk en zekerheid is in werking getreden met ingang van 1 juli 2015 (Stb. 2014, 274). Het voorgaande betekent dat de wet vanaf dat moment geldend recht is en onmiddellijke werking heeft, tenzij (bij overgangsrecht) anders is bepaald. Onmiddellijke werking wil zeggen dat het nieuwe recht terstond van toepassing is op dat wat ten tijde van de inwerkingtreding bestaat en op hetgeen zich na inwerkingtreding voordoet (Vgl. Parlementaire geschiedenis BW Inv. 3, 5 en 6 Overgangsrecht 1991, p. 36 (nr. 4), M.v.A. II Inv., W.H.M. Reehuis en E.E. Slob, ten aanzien van artikel 68a). Voor de onderhavige situatie betekent het voorgaande dat indien Automatisering ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid redelijkerwijs geacht moet worden opvolgend werkgever voor de werkneemster te zijn, de gevolgen die de Wet werk en zekerheid aan dit zijn van opvolgend werkgever verbindt, tenzij (bij overgangsrecht) anders is bepaald, wel onmiddellijk van toepassing zijn op Automatisering.
De vraag of Automatisering op het moment van inwerkingtreding redelijkerwijs geacht moet worden jegens de werkneemster opvolgend werkgever te zijn dient evenwel te worden beantwoord op basis van het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid. Aan het huidige criterium (dat wil zeggen het criterium onder de Wet werk en zekerheid) op grond waarvan werkgevers ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moet worden elkaars opvolger te zijn, zoals bepaald in artikel 7:668a BW lid 2, is immers geen terugwerkende kracht verleend.
Voor het onderhavige geval betekent het voorgaande dat de vraag of Automatisering als opvolgend werkgever heeft te gelden dient te worden beantwoord aan de hand van de criteria geformuleerd door de Hoge Raad in het zogenaamde Wolters/Van Tuinen arrest (…).”
5.8.
Ondanks kritiek in de literatuur,32.ben ik geneigd deze rechtspraak – althans voor wat betreft de uitkomst – te onderschrijven. Ik vind het niet redelijk dat partijen die in het kader van een doorstart onder het oude recht (toen dus het bandencriterium gold) arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan, als gevolg van de inwerkingtreding van de WWZ zouden worden geconfronteerd met hoge kosten voor transitievergoedingen.33.
5.9.
Ik acht het bovendien niet aannemelijk dat de wil van de wetgever hierop gericht is geweest. Voor zover ik heb kunnen nagaan, zijn daarvoor (afgezien van het ontbreken van een expliciete overgangsregeling) in de totstandkomingsgeschiedenis geen aanknopingspunten te vinden. Indien het toch de wil van de wetgever was geweest dat het nieuwe criterium voor opvolgend werkgeverschap op oude situaties (zoals het onderhavige geval) van toepassing zou zijn, had het gelet op de genoemde onredelijke gevolgen mijns inziens voor de hand gelegen dat dit bij de parlementaire behandeling expliciet aan de orde zou zijn gekomen. Het lijkt erop dat de wetgever deze kwestie niet onder ogen heeft gezien.
5.10.
Volgens Van der Pijl en Palm is er geen wezenlijk verschil met de verplichtingen die de WWZ voor “gewone” (dat wil zeggen: niet-opvolgende) werkgevers heeft geïntroduceerd. Ook de door hen te betalen transitievergoedingen worden berekend over de periode van vóór inwerkingtreding van de WWZ.34.Mijns inziens ligt dit toch anders. Weliswaar was een werkgever onder het oude recht niet in alle gevallen een ontslagvergoeding verschuldigd,35.het was wel algemeen bekend dat bij de afwikkeling van een beëindigde arbeidsovereenkomst de lengte van het dienstverband van de desbetreffende werknemer van belang kon zijn. Dit ligt ook voor de hand. Een doorstartende partij echter kon er onder het oude recht op vertrouwen dat hij met het arbeidsverleden van overgenomen werknemers bij hun vorige werkgever niets te maken had (aangenomen dat geen sprake was van banden met deze werkgever in de zin van het Van Tuinen-arrest).
5.11.
Ik teken tot slot nog aan dat ik geen afbreuk doe aan de keuze van de wetgever om met het bandencriterium te breken. Het gaat mij alleen om de vraag op welke wijze de overgangsgevallen moeten worden beoordeeld.
6. De conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑07‑2017
In de beschikking heeft de rechtbank in vier zaken uitspraak gedaan. De verzoekers in de vier zaken, onder wie [verzoeker], zijn gezamenlijk aangeduid als [A] c.s.
Hof Arnhem-Leeuwarden 27 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7767, TRA 2016/107 m.nt. F.M. Dekker.
Dit vereist toelichting. Het hof heeft – onbestreden – vastgesteld dat de aanspraak van [verzoeker] op een transitievergoeding is gebaseerd op de stelling dat hij werkte op basis van een contract voor onbepaalde tijd en niet op een andere grondslag (zie rov. 5.5 en 5.7). In geval van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is voor het recht op een transitievergoeding vereist dat deze overeenkomst is opgezegd door de werkgever (of op diens initiatief ontbonden). Nu hiervan geen sprake is, bestaat reeds hierom geen recht op een transitievergoeding, zo redeneert het hof. Om deze reden is het hof niet toegekomen aan de vraag óf een contract voor onbepaalde tijd was ontstaan en dus ook niet aan de vraag of sprake was van opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 BW. Ik begrijp dat [verzoeker], volgens het hof, niet ook (subsidiair) heeft aangevoerd dat ook als geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, recht op een transitievergoeding bestaat (in welk geval beoordeeld zou moeten worden of sprake is van opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:673 lid 4). In een andere Constar-zaak was dit wel aangevoerd. Zie Hof Arnhem Leeuwarden 14 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4977, JAR 2017/192, rov. 4.3. Dit lijkt de verklaring te zijn voor het feit dat het hof in de bestreden beschikking niet en in de beschikking van 14 juni 2016 wel is toegekomen aan een beoordeling van de stelling dat sprake is van opvolgend werkgeverschap (zie rov. 5.6-5.11). Overigens was volgens het hof geen sprake van opvolgend werkgeverschap.
Ik merk op dat in de cassatiedagvaarding onder 1.2 (zie ook het citaat in de inleiding, p. 3) – blijkbaar per abuis – wordt verwezen naar de kantonrechtersbeschikking in een andere Constar-zaak. Anders dan in die zaak, heeft de kantonrechter in de onderhavige zaak niet expliciet overwogen dat na 10 september 2015 feitelijk geen invulling meer is gegeven aan de arbeidsovereenkomst.
Zie bijvoorbeeld Asser/Heerma van Voss 7-V 2015/344 en Bouwens & Duk, Arbeidsovereenkomstenrecht 2015/§ 24.2
Zie HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387, NJ 2005/395 (Ramses II), rov. 3.4. Zie hierover bijvoorbeeld Bouwens & Duk, Arbeidsovereenkomstenrecht 2015/§ 24.2.
HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387, NJ 2005/395 (Ramses II), rov. 3.4.
Zie Rb Midden-Nederland 18 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1475, rov. 4.6-4.7; Rb Oost-Brabant 18 augustus 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:4893, JAR 2016/239, rov. 4.6-4.7; Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4977, rov. 5.4. In vzr. Rb Amsterdam 24 augustus 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5649, JAR 2016/235, werd geoordeeld dat een aanzegging wél als opzegging heeft te gelden. Zo ook de Rechtbank Gelderland in de onderhavige zaak alsmede dezelfde rechtbank in een andere Constar-zaak (Rb Gelderland 15 januari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:190, JAR 2016/48), waarbij van belang is dat in deze gevallen de werknemers er juist belang bij hadden dat de aanzegging wél als opzegging werd aangemerkt. Ook annotator J. Dop (zie onder meer JAR 2016/235) meent – kort gezegd – dat een aanzegging wél als opzegging zou moeten gelden. Hij benadrukt dat uit de aanzegging blijkt dat de werkgever de wil had dat het dienstverband tot een einde zou komen.
A.R. Houweling, AR Updates 2015/1163. Besproken worden de (81 RO-)arresten HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3333 en HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3305, JAR 2016/13 (Dakteam). In deze zaken ging het niet om een aanzegging, maar (in elk geval in de Dakteam-zaak) wel om een bevestiging van het aflopen van een – veronderstelde – arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
A. Stamoulis en R. de Vos, annotatie bij HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3305 (Dakteam) in JIN 2016/24.
Kamerstukken I, 2013–2014, 33 818, C, p. 116. Vgl. J. Dop in zijn noot in (onder meer) JAR 2016/235, die wijst op deze ratio van de korte vervaltermijnen.
Een aanzegging is niet een dergelijke rechtshandeling, omdat een aanzegging in feite slechts een bevestiging is van een einde van rechtswege (wat niet uitsluit dat onder omstandigheden wordt geoordeeld dat de werknemer de aanzegging als een opzegging mocht opvatten, zie hiervoor onder 4.6 en hierna onder 4.9). Vgl: J. Dop in zijn annotatie in (onder meer) JAR 2016/235.
In Ramses II heeft de Hoge Raad bepaald dat deze eis voor de werkgeversopzegging niet geldt. Zie hiervoor onder 4.4. In die zaak was het echter juist in het belang van de werknemer om spoedig een opzegging aan te nemen.
Van Dop (zie voetnoten 13 en 14) lijkt er vanuit te gaan dat een aanzegging altijd een opzegging is en hij vindt doorslaggevend dat de aanzegging laat zien dat de werkgever van de arbeidsovereenkomst af wil. Ik zou echter zeggen: dat de werknemer de aanzegging mocht opvatten als een opzegging zegt nog niet dat de werknemer de aanzegging moest opvatten als een opzegging. Bij dit laatste zou het m.i. voor de werknemer duidelijk moeten zijn dat er daadwerkelijk sprake is van een rechtshandeling tot beëindiging. Zie ook noot 14.
Vgl. de annotatie van F.M. Dekker bij de bestreden beschikking in TRA 2016/107, nr. 3.
Zie rov. 4.7 van de beschikking van de rechtbank: “Nu van opzegging harerzijds geen sprake is geweest, lopen deze door en is zij (dus) geen transitievergoedingen verschuldigd, aldus Constar.”
Als ik het goed zie, zou het hof (wanneer het tot het oordeel is gekomen dat wel sprake is van een opzegging) strikt genomen eerst moeten beoordelen of sprake is van opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 BW (het hof heeft immers onbestreden vastgesteld dat [verzoeker] louter als (feitelijke) grondslag heeft aangevoerd dat sprake is van een contract voor onbepaalde tijd, zie voetnoot 4). Voor zover het hof zou toekomen aan de berekening van de transitievergoeding komt dan alsnog opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:673 lid 4 BW aan de orde. Dat de uitkomst van deze beoordelingen verschillend zou kunnen zijn, lijkt mij overigens niet voor de hand te liggen. Vgl. S. Palm, Opvolgend werkgeverschap en overgangsrecht: oude gevallen opnieuw beoordeeld?, TAP 2017/122, p. 12.
HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603, NJ 2013/171 (Van Tuinen). Het ging in deze zaak om de ketenregeling van art. 7:668a BW. Zie ook HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3782, NJ 2007/101 (Boekenvoordeel/Isik). De Hoge Raad oordeelde hierin dat art. 7:668a lid 2 BW niet uitsluitend geldt voor zogeheten draaideurconstructies, maar ook van toepassing is op de overgang van een onderneming indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard en de onderneming tot de boedel behoort.
De regering was van oordeel dat door het bandencriterium een te beperkte invulling werd gegeven aan het begrip opvolgend werkgeverschap, mede om constructies zoals het aanbieden van contracten via verschillende BV’s effectiever tegen te kunnen gaan (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, 7, p. 23).
Hetzelfde geldt voor de andere wetsartikelen waarin opvolgend werkgeverschap voorkomt. Zie o.a. art. 7:668a lid 2 (ketenregeling) en art. 7:667 lid 5 (ragetlieregel).
En waarin de laatste opvolgende arbeidsovereenkomst vóór de inwerkingtreding van de WWZ heeft plaatsgevonden. Zie over de diverse scenario’s: S. Palm, Opvolgend werkgeverschap en overgangsrecht: oude gevallen opnieuw beoordeeld?, TAP 2017/122, par. 6.
Zie ook E. Loesberg in zijn noot in JOR 2016/82 onder 3. J.S. Engelsman en J.M. van Slooten (in: Het overgangsrecht van de Wet werk en zekerheid: technisch en belangrijk!, TRA 2015/3, voetnoot 3) gaan wel uit van onmiddellijke werking maar lijken te betwijfelen of art. 68a Overgangswet van toepassing is. Dat de WWZ onmiddellijke werking heeft, baseren deze schrijvers op art. 166 en 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992, Stcrt 2011/6602 (laatst gewijzigde versie). Zie ook J.M. van Slooten, I. Zaal en J.P.H. Zwemmer, Handboek nieuw ontslagrecht 2015, par. 1.6.2. Zie verder S. Palm, Opvolgend werkgeverschap en overgangsrecht: oude gevallen opnieuw beoordeeld?, TAP 2017/122, par. 3. Zie over art. 68a Overgangswet bijvoorbeeld o.a. C.L. de Vries Lentsch-Kostense, Overgangsrecht (Mon. Nieuw BW A-25, 1992), p. 25 e.v.
Zie vooral art. XXIIe WWZ en art. XXIIe WWZ. Art. XXIIe WWZ gaat over de ketenregeling van art. 7:668a BW en ziet met name op de tussenpozen tussen de opvolgende arbeidsovereenkomsten en op de totale duur van de keten. Kort gezegd, bewerkstelligt het artikel dat door de inwerkingtreding van de WWZ niet “plotseling” een contract voor onbepaalde tijd kan ontstaan. XXII lid 8 WWZ gaat over art. 7:673 lid 4 BW en bevat, kort gezegd en onder meer, een beperking voor wat betreft het meetellen van voorafgaande arbeidsovereenkomsten indien deze elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van meer dan drie maanden. Geen van de overgangsbepalingen zegt iets over het criterium voor opvolgend werkgeverschap.
In de onderhavige zaak is het hof aan deze kwestie niet toegekomen en heeft de kantonrechter deze bewust in het midden gelaten.
Kntr. Rb Gelderland (zittingsplaats Zutphen) 3 oktober 2016, JAR 2016/290 m.nt. J. van der Pijl. Zie voor vergelijkbare uitspraken Kntr. Rb Midden-Nederland (zittingsplaats Utrecht) 21 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4242, JAR 2016/219 en Kntr. Rb Zeeland-West Brabant 21 december 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8235. Zie ook Rb Oost-Brabant 31 augustus 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:4849.
Zie behalve de hierna te noemen hofuitspraken: Ktnr. Rb Gelderland (zp Arnhem) 15 januari 2016, JAR 2016/48, Kntr. Rb Overijssel (zp Enschede) 29 november 2016, JAR 2017/46, Kntr. Rb Den Haag 12 oktober 2016, AR-Updates 2016-1144 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1984.
Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4977, JAR 2016/192 m.nt. J. van der Pijl. Zie hierover ook voetnoot 4.
Het hof is vervolgens tot het oordeel gekomen dat niet voldaan is aan het bandencriterium. Nu geen sprake was van opvolgend werkgeverschap en het dienstverband met Constar (Plastics) korter dan 24 maanden had geduurd, bestond geen recht op een transitievergoeding.
Hof ’s-Hertogenbosch 2 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:859, JAR 2017/91.
Zie onder meer: J. van der Pijl in zijn annotaties in JAR 2016/29 en JAR 2016/192, P.R.W. Schaink, Arbeidsovereenkomst en insolventierecht (2017), p. 252-253 en A. Looijenga en E. van Fenema, Knelpunten bij opvolgend werkgeverschap, Tijdschrift voor ontslagrecht, april 2017, nr. 2, onder 6 en 8. Zie ook S. Palm, Opvolgend werkgeverschap en overgangsrecht: oude gevallen opnieuw beoordeeld?, TAP 2017/122. Palm is van mening dat voor wat betreft de ketenregeling het oude recht moet worden toegepast en voor wat betreft de transitievergoeding het nieuwe recht. Vgl. ook de annotaties van E. Loesberg in JOR 2016/82 en JOR 2017/144.
Ik laat in het midden of strikt genomen sprake is van “terugwerkende kracht”. Zie hierover art. 4 Wet algemene bepalingen. Zie over terugwerkende kracht ook art. 166 en 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992, Stcrt 2011/6602 (laatst gewijzigde versie). Zie verder C.L. de Vries Lentsch-Kostense, Overgangsrecht (Mon. Nieuw BW A-25, 1992), p. 25 e.v. en B. Wessels (red.), Groene Serie Privaatrecht Overgangsrecht (losbladig), I 1.Inl., par. 12 (augustus 2007).
J. van der Pijl in o.a. zijn annotatie in JAR 2016/192 en S. Palm, Opvolgend werkgeverschap en overgangsrecht: oude gevallen opnieuw beoordeeld?, TAP 2017/122 (p. 10 linker kolom).
Afgezien van langdurige arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, doel ik op de “gratis” UWV-procedure.
Beroepschrift 16‑12‑2016
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH 's‑GRAVENHAGE
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE
Inzake: [verzoeker]/Constar
Rekestnummer hof: H 200.190.272/01
Geeft eerbiedig te kennen:
De heer [verzoeker], verzoeker tot cassatie, wonende te [woonplaats], die domicilie kiest te Den Haag ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. M.J. van Basten Batenburg (kantoor Delissen Martens advocaten belastingadviseurs mediation, Sportlaan 40, 2566 LB Den Haag, postbus 18598, 2502 EN Den Haag), die verzoeker in cassatie zal vertegenwoordigen en namens hem dit verzoekschrift indient en ondertekent.
Verweerster in cassatie is CONSTAR PLASTICS B.V., gevestigd te Zevenaar, die in hoger beroep werd bijgestaan door de advocaat mr. F.B.A.M. van Oss te Harderwijk (Deventerweg 9-c, 3843 GA), aan wie een exemplaar van dit verzoekschrift wordt toegezonden.
[verzoeker] tekent cassatieberoep aan tegen de aangehechte beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 september 2016 (zaaknummer 200.190.272) gewezen tussen [verzoeker] als verweerder in het hoger beroep en Constar als verzoekster in het hoger beroep. Een kopie van het procesdossier zal na indiening van het verzoekschrift na een verzoek daartoe zijdens de griffier worden gefourneerd. [verzoeker] voert de navolgende klachten aan tegen de beschikking van het hof.
Middel van cassatie
Schending van recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, doordat het Gerechtshof heeft overwogen en beslist zoals het gedaan heeft in zijn beschikking voornoemd, in het bijzonder de rechtsoverwegingen 5.5 tot en met 5.7, en als zodanig blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn beslissingen onvoldoende met redenen heeft omkleed en een onbegrijpelijke beslissing gegeven heeft, dit alles ten onrechte om één of meer van de navolgende, zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen.
Inleiding
De relevante overwegingen van het hof zijn rov. 5.5 tot en met 5.7 van de beschikking (ECLI:NL:GHARL:2016:7767). Daarin is overwogen:
5.5
[verzoeker] heeft als grondslag voor de door hem verzochte transitievergoeding aangevoerd, dat hij bij Constar werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Indien het hof veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van deze stelling, dient ingevolge artikel 7:673 lid 1 aanhef en sub a BW voorts sprake te zijn van hetzij een opzegging door de werkgever, hetzij een ontbinding van die arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever.
[verzoeker] merkt de onder 3.6 geciteerde brief aan als een opzegging en de kantonrechter heeft [verzoeker] daarin gevolgd.
Met grief 3 komt Constar tegen dat oordeel van de kantonrechter op. Zij is ervan uitgegaan dat de werknemers bij haar voor bepaalde tijd in dienst waren en heeft, overeenkomstig de per 1 juli 2015 ingevoerde aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1 BW, op 13 augustus 2015 schriftelijk bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet zou worden verlengd, hetgeen zij al eerder mondeling had meegedeeld. Haar wil was niet op opzegging gericht, maar op nakoming van de aanzegverplichting nu zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wenste te verlengen.
5.6
Gelet op de inhoud van de brief van 13 augustus 2015, waarin ook nog met zoveel woorden staat dat de brief bedoeld is als aanzegging in de zin van artikel 7:668 lid 1 BW, was naar het oordeel van het hof de aanzegging van Constar onmiskenbaar gericht op het verstrekken van informatie aan [verzoeker] over het vervolg van de arbeidsrelatie als bedoeld in dat wetsartikel. Het hof onderschrijft dan ook niet het oordeel van de kantonrechter dat deze aanzegging het karakter heeft gekregen van een op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte mededeling. Met het oog op de vervaltermijnen waarmee een werknemer rekening moet houden in geval van een onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou een ruime uitleg van een aanzegging (te weten dat dit een opzegging zou inhouden) ook ten koste kunnen gaan van de bescherming van werknemers. Dat dit de bedoeling van de wetgever zou zijn met het invoeren van de aanzegverplichting onder de Wet werk en zekerheid (hierna: Wwz) heeft het hof niet in de parlementaire geschiedenis van de Wwz kunnen lezen.
5.7
Grief 3 treft derhalve doel. Nu er geen sprake was van een opzegging, en Constar evenmin ontbinding heeft verzocht, is de transitievergoeding niet verschuldigd, uitgaande van de door [verzoeker] aangevoerde grondslag.
Een subsidiaire grondslag heeft hij noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep aangevoerd. Daarmee behoeft grief 5, die is gericht tegen de overweging waarin de kantonrechter constateert dat de transitievergoeding met rente toewijsbaar is en tegen het daaruit volgende dictum, geen nadere bespreking meer.
's‑Hofs oordeel staat lijnrecht tegenover het eerdere vonnis van de kantonrechter. Die oordeelde immers in haar beslissing (ECLI:NL:RBGEL:2016:190):
4.16.
Constar voert aan dat überhaupt niet is opgezegd, omdat de aanzegging geen opzegging is. [verzoekers] zouden geen vorderingen hebben die voortvloeien uit het einde van de arbeidsovereenkomsten omdat deze niet geëindigd zijn, aldus Constar.
4.17.
Juist is dat de aanzegging in beginsel niet hetzelfde is als een opzegging. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt uit haar aard immers van rechtswege, ook na een aanzegging, tenzij anders is overeengekomen. Dat ligt evenwel anders voor de arbeidsovereenkomst waarvan de werkgever dacht dat deze voor bepaalde tijd is, maar waarvan blijkt dat deze in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is overgegaan. De aanzegging krijgt in dat geval het karakter van een mededeling die is gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst als deze ook zo is opgevat door de werknemer (vgl. o.m. ECLI:NL:HR:2015:3305 en ECLI:NL:HR:2005:AS8387). Aan de arbeidsovereenkomsten is na 10 september 2015 feitelijk ook geen invulling meer gegeven, nu de werkzaamheden zijn gestaakt en er ook geen loon meer is betaald. Een en ander brengt met zich dat de arbeidsovereenkomsten door opzegging zijn geëindigd.
De twee beslissingen in deze zaak zijn tegenstrijdig en in literatuur inmiddels uitgebreid becommentarieerd1..
Onderdeel 1
1.1.
[verzoeker] stelt dat het hof in de voornoemde overwegingen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting aangaande de artikelen 3:33 en 3:35 BW, althans een onbegrijpelijke motivering aan zijn oordeel ten grondslag legt, door te oordelen als het gedaan heeft. Door in rov. 5.6 te oordelen:
Gelet op de inhoud van de brief van 13 augustus 2015, waarin ook nog met zoveel woorden staat dat de brief bedoeld is als aanzegging in de zin van artikel 7:668 lid 1 BW, was naar het oordeel van het hof de aanzegging van Constar onmiskenbaar gericht op het verstrekken van informatie aan [verzoeker] over het vervolg van de arbeidsrelatie als bedoeld in dat wetsartikel. Het hof onderschrijft dan ook niet het oordeel van de kantonrechter dat deze aanzegging het karakter heeft gekregen van een op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte mededeling. Met het oog op de vervaltermijnen waarmee een werknemer rekening moet houden in geval van een onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou een ruime uitleg van een aanzegging (te weten dat dit een opzegging zou inhouden) ook ten koste kunnen gaan van de bescherming van werknemers. Dat dit de bedoeling van de wetgever zou zijn met het invoeren van de aanzegverplichting onder de Wet werk en zekerheid (hierna: Wwz) heeft het hof niet in de parlementaire geschiedenis van de Wwz kunnen lezen.
wordt door het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot artikel 3:35 BW en de jurisprudentie van de Hoge Raad waarop in dat verband in de gedingstukken een beroep is gedaan2.. Dit wordt als volgt nader toegelicht.
1.2.
In hoger beroep is zijdens [verzoeker] gewezen op de Hoge Raad jurisprudentie die relevant is bij de vraag of sprake is van een opzegging door een werkgever. Het betreft de arresten ECLI:NL:HR:2005:AS8387 (‘Ramses Grillroom’) uit 2005 en ECLI:NL:HR:2015:3305 (‘Dakteam Dakbeheer BV’) uit 2015. In het arrest Ramses Grillroom3. overwoog de Hoge Raad (rov. 3.4):
‘[…] Waar het gaat om de beantwoording van de vraag of een door de werkgever afgelegde verklaring strekt tot beëindiging van de dienstbetrekking zijn ernstige gevolgen zoals hiervoor vermeld niet aan de orde. Er is daarom geen reden een dergelijke verklaring, indien de werknemer deze heeft opgevat als gericht op de beëindiging van de dienstbetrekking, maar de werkgever zich op het standpunt stelt dat die verklaring niet die strekking had, anders te beoordelen dan aan de hand van de maatstaf van art. 3:33 en 3:35 BW. Een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werkgever is niet vereist. Het hof is derhalve uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.’
De te hanteren toetsingsmaatstaf is die van artikel 3:33 en 3:35 BW, zo oordeelt de Hoge Raad, als het de vraag betreft of een door de werkgever afgelegde verklaring strekt tot beëindiging van de dienstbetrekking. Deze maatstaf is in casu uitdrukkelijk door de kantonrechter gehanteerd in haar beschikking. De kantonrechter achtte vervolgens beslissend dat werkgever Constar in de onjuiste veronderstelling had verkeerd dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De kantonrechter betrok bij haar oordeel voorts dat aan de arbeidsovereenkomst na 10 september 2015 feitelijk geen invulling meer was gegeven, nu de werkzaamheden gestaakt waren en geen loon meer werd betaald. Daarom concludeerde de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomsten van de werknemers door opzegging waren geëindigd. Het hof heeft de door de kantonrechter genoemde maatstaf in zijn arrest miskend, een oordeel gegeven dat haaks staat op dat van de kantonrechter en in strijd is met de inhoud en strekking van artikel 3:35 BW, Het hof baseert zijn oordeel louter op de inhoud van de brief van de werkgever aan de werknemer van 13 augustus 2015 en oordeelt dat die brief onmiskenbaar gericht was op het verstrekken van informatie aan [verzoeker] ‘over het vervolg van de arbeidsrelatie’. Een ruimere uitleg van een aanzegging zou volgens het hof ten koste gaan van de bescherming van de werknemer (in algemene zin). Deze rechtsopvatting is om meerdere redenen onjuist te noemen.
1.3.
De rechtsregel die in artikel 3:35 BW besloten ligt bevat een redelijkheidstoets, die ruimte creëert voor de (feiten)rechter met betrekking tot de vraag of een bepaalde verklaring rechtsgevolg heeft of niet. In het Hoge Raad arrest van 17 december 1976 (ECLI:NL:HR: 1976:AC5835; Bunde/Erckens) werd daarnaast overwogen dat indien partijen in hun overeenkomst een voor misverstand vatbare uitdrukking hebben gebruikt die zij elk in verschillende zin hebben opgevat, het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, zal afhangen van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid. Daarbij kan onder meer een rol spelen:
- (i)
of de betekenis waarin de ene partij de uitdrukking heeft opgevat meer voor de hand lag dan die waarin de ander haar heeft opgevat;
- (ii)
indien deze uitdrukking een vaststaande technische betekenis heeft, de partij die van deze betekenis is uitgegaan, mocht verwachten dat ook de andere partij deze betekenis zou kennen;
- (iii)
of de andere partij zich had voorzien van deskundige bijstand en de wederpartij mocht verwachten dat deze die betekenis kende en die andere partij daaromtrent voorlichtte;
- (iv)
of een betekenis zou leiden tot een resultaat dat minder goed te rijmen zou zijn met wat partijen met de overeenkomst beoogden.
De wijze waarop het hof omgaat met de voornoemde brief van 13 augustus 2015, te weten via een tekstuele lezing van die brief, is dan ook niet toereikend. Een dergelijke brief is weliswaar geen overeenkomst, maar een eenzijdige (rechts)handeling binnen een contractuele relatie, doch in het kader van het uitleggen van de betekenis van dergelijke handelingen past uiteraard eveneens het (ruime) criterium uit het arrest Bunde/ Erckens en niet een beperkte, tekstuele lezing zoals het hof kennelijk voorstaat.
1.4.
Het hof had voorts, in het verlengde van het voorgaande en de lezing van de brief zijdens Constar welke door [verzoeker] gemotiveerd is betwist (of: vice versa), op grond van het HR arrest Lundiform/ Mexx (ECLI:NL:HR:2013:BY8101) van 5 april 2013 aan één van partijen bewijs dienen op te dragen van de juistheid van zijn of haar stelling, Nu het hof de juistheid van de stelling van Constar in zijn beschikking kennelijk voorshands heeft aanvaard, had het hof [verzoeker] in de gelegenheid dienen te stellen bewijs van het tegendeel te leveren. De Hoge Raad (rov. 3.4.4.):
‘De in 3.4.2 genoemde vrijheid om als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst, stelt de rechter in staat om, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. Vervolgens zal de rechter evenwel dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten. Indien dit laatste het geval is, is de rechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit (tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 19 januari 2007, UN AZ3178, NJ 2007/575, en HR 29 juni 2007, LJN BA4909, NJ 2007/576).’
Nu het hof [verzoeker] niet in de gelegenheid heeft gesteld tegenbewijs te leveren, en mede gelet op het bewijsaanbod in hoger beroep zijdens [verzoeker] 4., geeft het hof in zijn beschikking blijk van een onjuiste rechtsopvatting, maar is de motivering in ieder geval niet begrijpelijk te noemen, omdat het hof zich niet uitlaat over de vraag of [verzoeker] voldoende heeft gesteld of een dergelijke overweging in het oordeel besloten ligt.
Onderdeel 2
2.
Het oordeel van het hof is daarnaast onbegrijpelijk, nu het hof essentiële stellingen en aangevoerde feiten en omstandigheden, die deel uitmaakten van het partijdebat, niet heeft betrokken in zijn oordeel, althans in de motivering daarvan, noch aangenomen kan worden dat een dergelijk oordeel in de motivering besloten zou liggen.
2.1.
Constar stelde in haar gedingstukken dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, en dat de brief van 13 augustus 2015 enkel een aanzegging was dat de overeenkomst zou eindigen5.. [verzoeker] stelde dat sprake was van opvolgend werkgeverschap en dat daarom zijn arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gold. Tevens stelde [verzoeker] dat hij had berust in de opzegging6..
2.2.
De kantonrechter sloot in haar vonnis aan bij het effect van de brief van 13 augustus 2015 op de werknemer. Zij oordeelt naar de kern genomen dat de aanzegging verandert in een opzegging, waarbij de wil van de werkgever niet meer relevant is. Het gaat er om, aldus de kantonrechter, dat de werkgever de brief als een opzegging heeft mogen beschouwen, juist omdat de werkgever uitging van een onjuiste veronderstelling van zaken. Ook kende de kantonrechter gewicht toe aan de wijze waarop partijen zijn omgegaan met de arbeidsovereenkomst. Beide partijen zijn er immers vanuit gegaan dat de arbeidsovereenkomst eindigde op 10 september 2015. Het hof laat die feiten en omstandigheden buiten beschouwing, terwijl het hof, gelet op de stellingen van [verzoeker], wel gehouden was daaraan een overweging te wijden. Nu deze ontbreekt is de motivering niet inzichtelijk te noemen en deswege onbegrijpelijk.
2.3.
Constar beriep er zich op dat het de bedoeling van de wetgever was dat een opzegging duidelijk herkenbaar moet zijn. Deze jurisprudentiële regel beschermt de werknemer tegen onduidelijke communicatie van zijn werkgever en daardoor het mogelijk miskennen van fatale (beroeps)termijnen door die werknemer. Het kan echter niet zo zijn dat een werkgever zich op die bescherming beroept als hij een evident onjuiste mededeling doet, waardoor de mogelijkheid aanwezig is dat de werknemer die mededeling als een opzegging mag beschouwen. De motivering van het hof mist in dat licht bezien zijn doel en kan niet als voldoende inzichtelijk worden beschouwd.
2.4.
Het hof had er oog voor moeten hebben dat het van meet af aan de bedoeling van Constar was dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] zou gaan eindigen op 10 september 20157.. Dat vloeit immers tevens voort uit de door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst uit 2014. Het moge zo zijn dat er — tekstueel bezien — geen wil was tot opzegging over te gaan, er was wel een wil de arbeidsrelatie te verbreken. En zo heeft [verzoeker] het duidelijk ook opgevat, en heeft hij daarin gemeend te moeten berusten. Het hof had daarom de omstandigheden van het geval en in het bijzonder die omstandigheden zoals door de kantonrechter genoemd, in zijn motivering dienen te betrekken. Ook kan het hof worden verweten dat het geen overweging gewijd heeft aan de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 10 september 2015 niet is voortgezet en of die omstandigheid, geheel los gezien van de vraag óf sprake is geweest van een opzegging, naar de geest van de wet niet desondanks zou dienen te leiden tot een verplichting van de werkgever een transitievergoeding te betalen, mede gelet op de strekking van artikel 7:671 lid 1 BW8..
2.5.
Dat het hof overweegt dat de aanzegging ‘onmiskenbaar gericht [was] op het verstrekken van informatie aan [verzoeker] over het vervolg van de arbeidsrelatie als bedoeld in dat wetsartikel’ is in de context van de overige delen van die brief bepaald niet correct, en dus onbegrijpelijk te noemen. De inhoud, maar vooral de strekking van de brief van 13 augustus 2015, dient evident niet zo te worden gelezen als het hof doet, omdat in de brief immers uitdrukkelijk wordt gesteld (a) dat de onderneming zal worden gestaakt en (b) dat [verzoeker] zich bij het UWV kan melden voor (het aanvragen van) een (werkloosheids)uitkering. Hoe zou een werknemer als [verzoeker] de boodschap in de brief anders kunnen uitleggen dan in die betekenis dat zijn arbeidsovereenkomst zou gaan eindigen, daargelaten de vraag of de werknemer voor onbepaalde tijd in dienst was of niet ? Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat het hof de brief van 13 augustus 2015 niet in zijn volledigheid bij zijn oordeel heeft betrokken.
2.6.
De kantonrechter maakte in haar vonnis overigens gelijk het hof een onderscheid tussen een aanzegging en een opzegging. Zij hanteerde echter het bredere toetsingskader van artikel 3:35 BW, en meende dat de werknemer de aanzegging mocht (moest) aanmerken als een opzegging, omdat hij er naar gehandeld heeft. Daarbij stelde de werkgever vast dat ook de werknemers uitgingen van het einde van de arbeidsovereenkomst. Bovendien blijkt uit de gedingstukken dat het UWV een werkloosheidsuitkering heeft toegekend aan de werknemers9.. Werkgever, werknemer en het UWV concludeerden dus dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd op 10 september 2015. Het hof stelt dit feit echter niet vast onder de feiten als genoemd onder rov. 3 en lijkt er dus — in tegenstelling tot partijen — (stilzwijgend) van uit te gaan dat de arbeidsovereenkomst voortduurde na 10 september 2015. Een dergelijk (impliciet) oordeel is onverenigbaar met het partijdebat, en het hof verlaat zo overwegend in zijn overwegingen de rechtsstrijd tussen partijen, en schendt artikel 24 Rv, althans legt een onbegrijpelijke motivering aan zijn oordeel ten grondslag.
2.7.
Steun voor de opvatting van de kantonrechter in deze zaak kan worden ontleend aan de (zijdens [verzoeker] bij pleidooi aangehaalde) zaak van de kantonrechter Amsterdam van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:5649)10.. Weliswaar verloor de werknemer die zaak, maar is de redenering van de rechter vergelijkbaar met die van de kantonrechter in de onderhavige zaak. Verder verdient in dat verband opmerking dat de Amsterdamse kantonrechter een eerdere beschikking van het hof, vergelijkbaar met de thans bestreden beschikking, namelijk van 16 juni 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:4977), zal hebben kunnen lezen. De rechtseenheid is door deze uitspraken daarmee nadrukkelijk in het geding11..
2.8.
Nu op grond van het slagen van één van voorgaande klachten ook rov. 5.7 van de beschikking niet in stand kan blijven dient cassatie van de gehele beschikking te volgen en dient grief 3 opnieuw te worden behandeld door het verwijzende hof, waarna de andere grieven kunnen worden beoordeeld.
Conclusie
Het hof heeft een maatstaf aangelegd die de toets der kritiek niet kan doorstaan. Nu de rechtseenheid in het geding is dient de beschikking te worden vernietigd en de zaak te worden verwezen, kosten rechtens.
REDENEN WAAROM verzoeker tot cassatie Uw Hoge Raad verzoekt de beschikking waarvan beroep te vernietigen, de zaak te verwijzen naar een ander hof en verweerster in cassatie te veroordelen in de kosten van cassatie.
Advocaat
Bijlage: beschikking Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27.09.2016
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑12‑2016
De uitspraak van de kantonrechter in AR-Updates.nl 2016-0054; INS-Updates.nl 2016-0069; JAR 2016/48 met annotatie van Mr. E.S. de Jong; JOR 2016/82 met annotatie van mr. E. Loesberg; Prg. 2016/74 ; JIN 2016/100 met annotatie van J.C.A. Ettema ; RAR 2016/56; prof. mr. A.W. Jongbloed annotatie in UDH:TvCu/12805. Zie voor een commentaar op het onderhavige hof arrest de noot van F.M. Dekker in TRA 2016, 107.
MvA, punt 28 en verder.
Eveneens breed gepubliceerd en becommentarieerd; RvdW 2005, 84 ; JAR 2005/157 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp; RAR 2005, 79; NJ 2005, 395; Ondernemingsrecht 2005, 171 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus.
Zie: MvA, punt 88; zie ook pleitnota in hoger beroep, punt 20: de collega's hebben de brief net zo opgevat als [verzoeker], zo wordt daarin gesteld. Dit is relevant, als zulks feitelijk komt vast te staan.
Dat herhaalde Constar in hoger beroep, zie punt 45 van het beroepschrift.
Zie: inleidend verzoekschrift, punt 4, laatste alinea: ‘[verzoeker] heeft berust in de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst door bovengenoemde aanzegging van Constar welke aanzegging als een onrechtmatige/ onregelmatige opzegging door Constar wordt begrepen.’
Vergelijk: pleitnota voor de zitting van 23 januari 2016 zijdens [verzoeker], punt 12.
De MvT — algemeen deel — bij wetsvoorstel 33818 (Kamerstukken II 2013/14 p. 38–42) spreekt over een ‘zorgplicht’ van de werkgever bij ontslag bij een dienstverband langer dan twee jaar. Dit impliceert dat bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst de wet vereist dat aan die zorgplicht invulling wordt gegeven via de transitievergoeding. Verder schrijft de Minister dat de Transitievergoeding ‘in beginsel’ altijd is verschuldigd, hetgeen het gewicht van de vergoeding onderstreept.
Zie hoger beroepschrift, punt 44.
Vergelijk: Rb Amsterdam 6 september 2016 ECLI:NL:RBAMS:2016:5741.
De noot van annotator Dop onder de voornoemde uitspraak van de Amsterdamse kantonrechter en de noot van Dekker onder het hofarrest ondersteunen de visie van [verzoeker].