Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/6.3.1
6.3.1 De vaststelling van de waarde van de zaak voor het evenement
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS353474:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De schade bij volledig verlies van een zaak bestaat uit de waarde van de zaak vóór het evenement. Bij beschadiging is dat het verschil in de waarde van de zaak vóór en die van de zaak nä het evenement. In hoeverre die schade voor vergoeding in aanmerking komt, zal mede afhangen van de vraag of er al dan niet sprake is van (door verzekeraar te stellen) onderverzekering.
Vgl. Asser in zijn conclusie (nr. 2.11 e.v.) voor HR 14 februari 1992 (CSF), NJ 1992, 245, m.nt. PvS.
Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 6.35. Zie ook Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 309.
Zie voor Duitsland par. 76VVG 2008, dat inhoudelijk overeenkomst met par. 57 VVG oud: 'Der Versicherungswert kann durch Vereinbarung auf einen bestimmten Betrag (Taxe) festgesetzt werden. Der Taxe gelt auch als der Wert, den das versicherte Interesse bei Eintritt des Versicherungsfalles hat, es sei denn, sie übersteigt den wirklichen Versicherungswert zu diesem Zeitpunkt erheblich'. Uit deze regel vloeit voort dat het bewijs voor het laatste op de verzekeraar rust. Overigens kunnen beide partijen aanvechten dat een voortaxatie is overeengekomen, waarbij de bewijslast rust op de partij die zich daarop beroept. Vgl. Prölls/Martin 2004, p. 554 e.v. De regeling is dwingendrechtelijk van aard, hetgeen betekent dat een beroep op het indemniteitsbeginsel niet kan worden uitgesloten voor elke vorm van voortaxatie. Ook de Belgische regeling in art. 55 Wet op de Land-verzekeringsovereenkomst maakt geen onderscheid tussen een partijen- en een deskundigentaxatie: 'Partijen kunnen bij een uitdrukkelijk beding aan bepaalde goederen een getaxeerde waarde toekennen. De waarde is voor partijen bindend, behoudens bedrog. Wanneer een goed waarvoor een getaxeerde waarde is bedongen een aanzienlijke waardevermindering ondergaat, kan elke partij het bedrag van de getaxeerde waarde verminderen of een einde maken aan de overeenkomst. Fontaine 1999, nrs 548 e.v. stelt dat in geval van schade voordat een partij zich op een aanzienlijke waardevermindering heeft beroepen, de taxatie bindend blijft behoudens ingeval van bedrog of een 'klaarblijkelijk overdreven schatting'. Het laatste moet worden gezien worden als een toepassing van de zgn. oververzekering te kwader trouw in de zin van art. 43 Wet op de Landverzekeringsovereenkomst. Daarbij komt het indemniteitsbeginsel weer in beeld. De onaantastbaarheid van het indemniteitsbeginsel (art. L121-1 Code ass.) geldt eveneens voor het Franse recht ongeacht de aard van de voortaxatie. Vgl. Lamy Assurances Paris 2001, nr. 700: 'En somme, la clause de valeur agréée ne saurait conduire ä un enrichisse-ment de l'assuré, en vertu du principe indemnitaire. Elle a simplement pour object de mettre la preuve de la valeur des biens ä la charge de l'assureur quand celui-ci soutient que la valeur agréée ne correspond pas ä la réalité. S'il succombe dans la démonstration de la valeur exact des biens au moment du sinistre, l'évaluation du dommage est faite ä partir des valeurs antérieurement agréées par les parties'. Vgl. ook Cass. 1e civ., 2 februari 1988, nr. 86-12.688, nr. 104 en Lambert-Faivre 2005, nr. 442. Zie voor Engeland Clarke 1997, nr. 28-7: 'The principle of indemnity, by reference to actual loss, is a matter of contract and it may be altered by contract. If, therefore, the contract stipulates that the property insured shall be assumed to have a stated value, that value is taken: it is conclusive for both parties without further investigation. Being a matter of contract, whether a poplicy is a valued policy or not is a matter of construction. Merely to state a value may be not enough.' Echter ook een 'valued stated in a valued policy' is aantastbaar onder meer in geval 'the value is stated on a mistake, where there is fraud' en 'if the effect of overvaluation is that the claimant recovers significantly more than his actual loss, this may infringe the rules of insurable interest against wagering'.
De voortaxatie heeft hiermee zuiver bewijsrechtelijke betekenis. Vgl. Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 6.35. De grondslag hiervoor is gelegen in art. 274 K (oud) zelf. Zie hierover - met vindplaatsen - Asser in meergenoemde conclusie onder 2.13.
P. Clausing/J.H. Wansink, Mr. C. Asser's Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht. 5. Bijzondere overeenkomsten. Deel VI. De Verzekeringsovereenkomst, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1998, nr. 233.
Asser/Clausing & Wansink 1998, t.a.p., nr. 234.
HR 14 februari 1992 (CFS), NJ 1992, 245, m.nt. PvS. Zie voor een brede opsomming van vindplaatsen over de onderhavige materie de meergenoemde conclusie van Asser bij het CFS-arrest, onder nr. 2.8.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 312 en MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3, p.32.
Ruimte blijft voor een beroep op aantastbaarheid van de vaststellingsovereenkomst binnen de in art. 7:904 en 3:44 lid 1 en 3 BW gegeven grenzen. Voor een duidelijk overzicht zij verwezen naar A.J. Verheij, Bijzondere overeenkomsten, nr. 307 e.v. Zie ook Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 312.
HR 14 februari 1992 (CSF), NJ 1992, 245 m.nt. PvS.
Zie hierna onder 6.3.2.
Daarmee lijkt de twist over de vraag óf de deskundigentaxatie vooraf een vaststellingsovereenkomst dan wel mogelijk een bewijsovereenkomst met uitsluiting van de mogelijkheid van tegenbewijs is, in ieder geval op het punt van de relatie tot het indemniteitsbeginsel, haar - praktische - betekenis te hebben verloren. Behalve als een zuivere vaststellingsovereenkomst, zou de deskundigentaxatie mogelijk nog gezien kunnen worden als een bewijsovereenkomst met uitsluiting van tegenbewijs, maar ingevolge art. 7:900 lid 3 BW dient deze vorm van overeenkomst gezien te worden als een vaststellingsovereenkomst en daarmee is de cirkel rond: tegenbewijs tegen deze wettelijke vaststelling is daarmee definitief uitgesloten. Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, t.a.p., nr. 39. Zie ook A.J. Verheij, Bijzondere overeenkomsten, nr. 302, die erop wijst dat niet iedere bewijsovereenkomst waarin tegenbewijs wordt uitgesloten dient te worden 'omgezet' (in de zin van art. 7:900 lid 3 BW) in een vaststellingsovereenkomst. Op de door hem bedoelde situaties zal ik niet ingaan, omdat dat in de structuur van de behandeling niet bijdraagt. Behalve als een zuivere vaststellingsovereenkomst, zou de deskundigentaxatie mogelijk nog gezien kunnen worden als een bewijsovereenkomst met uitsluiting van tegenbewijs, maar ingevolge art. 7:900 lid 3 BW dient deze vorm van overeenkomst gezien te worden als een vaststellingsovereenkomst en daarmee is de cirkel rond: tegenbewijs tegen deze wettelijke vaststelling is daarmee definitief uitgesloten. Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, t.a.p., nr. 39. Zie ook A.J. Verheij, Bijzondere overeenkomsten, nr. 302, die erop wijst dat niet iedere bewijsovereenkomst waarin tegenbewijs wordt uitgesloten dient te worden 'omgezet' (in de zin van art. 7:900 lid 3 BW) in een vaststellingsovereenkomst. Op de door hem bedoelde situaties zal ik niet ingaan, omdat dat in de structuur van de behandeling niet bijdraagt.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 310 e.v.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 310 e.v.
MvT, Kamerstukken II1985/86, 19 529, nr. 3, p. 32.
In die zin ook Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 6.35.
Dat kunnen anticiperen geldt allereerst voor de vaststelling van de waarde van de te verzekeren za(a)k(en). Die waarde, immers, vormt één van de belangrijke peilers voor de vaststelling van de hoogte van de schade.1 Door de waarde van de verzekerde zaak bij het aangaan van de verzekering te taxeren (de zgn. voortaxatie) en deze aldus vastgestelde waarde in de polis op te nemen wordt het bewijs door de verzekerde op dit punt vergemak-kelijkt.2 Op basis van het bepaalde in art. 157 lid 2 Rv levert de vermelding van die waarde in de door de verzekeraar ondertekende polis als onderhandse akte ten behoeve van de verzekeringnemer immers dwingend bewijs op, waartegen de verzekeraar op voet van het bepaalde in art. 151 lid 2 Rv op zichzelf genomen tegenbewijs mag leveren. Voor de grenzen waarbinnen dit tegenbewijs mogelijk is, is met name de aard van de voortaxatie bepalend.
Alvorens daar nader op in te gaan, eerst nog een kanttekening waarop Mijnssen uitdrukkelijk heeft gewezen: de polis is niet meer dan een eenzijdige, door de verzekeraar ondertekende akte en, zo de verzekeraar eenzijdig in de polis een voortaxatie zou opnemen, kan de verzekeringnemer daar niet aan worden gehouden.3 Indien de laatste betwist dat aan de in de polis vermelde waarde van de verzekerde zaak een op een overeenkomst tussen partijen gebaseerde voortaxatie ten grondslag ligt is, is het aan de verzekeraar te bewijzen dat een overeenkomst in die zin tussen partijen tot stand is gekomen.
Bewijsrechtelijk relevant is, zoals hiervoor reeds aangegeven, de aard van de in het geding zijnde voortaxatie. Dat is allereerst op het punt van de (on)aantastbaarheid van de door taxatie vooraf vastgestelde waarde, maar evenzeer op het punt van de verhouding van die waarde tot het indemniteitsbeginsel. Ik ga op deze beide aspecten nader in, waarbij het goed is om de situatie, zoals deze onder het oude recht had te gelden, tot uitgangspunt te nemen.4
Onder het oude recht was de situatie op het punt van de (on)aantast-baarheid van de vooraf vastgestelde waarde namelijk in die zin overzichtelijk, dat toen aparte regelingen bestonden voor enerzijds de partijentaxatie (art. 274K) en anderzijds de deskundigentaxatie (art. 275K), met hun eigen bewijsrechtelijke gevolgen: tegen de waarde, zoals deze in de polis was uitgedrukt op basis van de partijentaxatie, kon de verzekeraar opkomen indien de getaxeerde waarde in geval van schade bovenmatig bleek te zijn,5 en wel vergeleken met de werkelijke waarde onmiddellijk vóór het schadege-val.6 Bij de voortaxatie door deskundigen was dat niet het geval: de verzekeraar kon daartegen ingevolge art. 275 K (oud) niet op komen, tenzij in geval van bedrog. Dit verschil nu is met de invoering van titel 7.17 BW verdwenen, omdat alleen de deskundigentaxatie nog is geregeld en wel door opneming van een tweede volzin in de bepaling die de indemniteit regelt, art.7:960 BW. De (gehele) bepaling luidt:
'De verzekerde zal krachtens de verzekering geen vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken. De vorige zin mist toepassing bij voorafgaande taxatie van de waarde van de zaak tot stand gekomen krachtens een aan een deskundige opgedragen beslissing of krachtens een beslissing van partijen overeenkomstig het advies van een deskundige.'
Daarmee is de samenhang met het indemniteitsbeginsel meteen gegeven: bij een voortaxatie door deskundigen is de verzekeraar daar in geval van schade ook aan gebonden, indien de verzekerde ten gevolge van die voortaxatie in een duidelijk voordeliger positie zou geraken. Daarmee wordt een regeling gegeven, die onder het oude recht ook had te gelden,7 zij het daar langs de weg van art. 275 K (oud) en de door de Hoge Raad in deze gegeven uitleg. De Hoge Raad verklaarde de 'onaantastbaarheid' van de voortaxatie door deskundigen ingevolge art. 275 K (oud) in zijn arrest van 14 februari 1992 als volgt:
'De taxatie bedoeld in art. 275 verschilt daarin van de in art. 274 bedoelde, dat in geval van eerstgenoemde de verzekeraar daartegen niet kan opkomen dan in geval van bedrog, dus niet, zoals bij die van art. 274, in geval van beweerde bovenmatigheid van de waardering door de deskundigen. Daarbij is onverschillig of die bovenmatigheid als dan niet samenhangt met de hantering van een andere waarderingsgrondslag dan die welke bij een voortaxatie vlak voor het ontstaan van de schade zou zijn gevolgd. Met deze regeling strookt niet aan te nemen dat tegen een taxatie als bedoeld in art. 275 in bepaalde gevallen van bovenmatigheid toch zou kunnen worden opgekomen, namelijk wanneer deze ertoe zou leiden dat de verzekerde door een met inachtneming daarvan vastgestelde uitkering in een duidelijk voordeliger positie zou komen.'8
De hier weergegeven rechtvaardiging van de onaantastbaarheid van de voortaxatie door deskundigen heeft in die zin betekenis verloren, dat inmiddels door de invoering van het hierboven weergegeven artikel duidelijkheid ontstaan is: door de expliciete afwijking in de tweede zin van art. 960 BW (zie hierboven) wordt het indemniteitsbeginsel opzij gezet en mag de verzekerde wel een vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken.
De vraag rijst of ook niet reeds uit het - naar algemeen wordt aangenomen en ook door de minister tot uitgangspunt genomen wordt9 - karakter van de voortaxatie door deskundigen als vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW e.v. voortvloeit dat het indemniteitsbeginsel buiten werking wordt gezet. Immers daarmee is toch tegenbewijs anders dan op de expliciet in de wet opgenomen gronden10 onverenigbaar? Met name Asser heeft in zijn mooie overzichtsconclusie voor HR 14 februari 199211 er uitdrukkelijk opgewezen dat dit niet het geval is. Alleen een vaststellingsovereenkomst 'ter beëindiging van onzekerheid of geschil' kan ingevolge art. 7:902 BW dwingend recht - en dat is het indemniteitsbeginsel - opzij zetten en de deskundigentaxatie wordt algemeen gezien als een vaststellingsovereenkomst 'ter voorkoming van onzekerheid of geschil.'12 Door langs de hiervoor aangegeven weg van art. 7:960 BW te bepalen dat de voortaxatie door deskundigen het indemniteitsbeginsel niettemin opzij zet, is voor het verzekeringsrecht een duidelijke aanvulling gegeven op de reeds bestaande regeling van de vaststellingsovereenkomst, zoals deze is vastgelegd in titel 7.15 BW (art. 7:900 e.v.). En ondanks dat in de kern 'slechts' sprake is van een vaststelling ter voorkoming van onzekerheid of geschil, kan de bedoelde taxatie onaantastbaar als vaststelling van de waarde van de zaak vóór het evenement gelden.13
De partijtaxatie tot slot
In dit verband mag tenslotte enige aandacht aan de verhouding tussen de (niet langer in de wet geregelde) partijtaxatie en de vaststellingsovereenkomst niet ontbreken. Heersend, immers, is de opvatting dat ook aan de partijentaxatie een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW ten grondslag ligt.14 Tegelijkertijd geldt daarvoor niet - nu deze uitzondering beperkt is tot de (beslissing van partijen overeenkomstig de) deskundigentaxatie - dat de tweede zin van art. 7:960 BW een beroep op het indemniteitsbeginsel uitsluit. Het opzijzetten van het indemniteitsbeginsel langs de weg van art. 7:902 BW is evenmin aan de orde, omdat, gelijk algemeen wordt aangenomen, de voortaxatie door partijen geen vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil is als in laatstgenoemd artikel bedoeld, maar een vaststelling ter voorkoming van onzekerheid of geschil is en daarmee niet dwingend recht, zoals het in art. 7:960, eerste volzin neergelegde indemniteitsbeginsel, opzij kan zetten.15
De vraag die daarmee nog niet beantwoord is, is of tegen de partijtaxatie tegenbewijs mogelijk is. Het antwoord op deze vraag ligt besloten in dat laatstgenoemde artikel: de verzekerde zal krachtens de verzekering geen vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken. Het criterium van de 'duidelijk voordeliger positie' komt, aldus de Memorie van Toelichting, op hetzelfde neer als bovenmatigheid van een taxatie ingevolge het oude art. 274 lid 2 K'.16 In lijn met de hoofdregels van art. 150 Rv legt zulks de stel- en bewijsplicht op de verzekeraar: hij beroept zich immers op de (gedeeltelijke) bevrijding van zijn betalingsverplichtingen.
Nu hier inhoudelijk wordt aangesloten bij het bepaalde in art. 274 K (oud) en daarin de verzekeraar met zo veel woorden werd toegelaten tot het bewijs van de bovenmatigheid, lijkt het alleszins verdedigbaar te stellen dat de overeenkomst die aan de partijentaxatie ten grondslag ligt, hier wel tegenbewijs in de zin van art. 151 lid 2 Rv toelaat. Gevoegd bij het gegeven dat met het toelaten van dat tegenbewijs juist op het punt dat de kern van de partijentaxatie als vaststellingsovereenkomst moet vormen, onzekerheid of een geschil niet wordt uitgesloten, wordt daarmee mijns inziens in ieder geval de facto aan de partijentaxatie - zeker in het licht van art. 7:900 lid 3 BW - meer het karakter van een bewijsovereenkomst dan van een vaststellingsovereenkomst gegeven.17
In die gevallen waarin de waarde niet reeds in de polis is vastgelegd (de zgn. open polis), zal de verzekerde in geval van schade moeten aantonen wat de waarde van de verloren gegane of beschadigde zaak onmiddellijk vóór het schadevoorval was en wat uitgaande van die waarde zijn schade is. Zie hierna hieronder onder 7.3.