Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/3.4.5
3.4.5 Een historische terugblik: a birds-eye view
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS495061:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Voetnoten
Voetnoten
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Rome op 25 maart 1957 en in werking getreden op 1 januari 1958. Bij de oprichting droeg deze organisatie de naam Europese Economische Gemeenschap (EEG). In 1993 is door het Verdrag betreffende de Europese Unie de naam gewijzigd in Europese Gemeenschap (EG).
Zie art. 2 tot en met 4 EG-Verdrag voor een omschrijving van het fundament van het materiële gemeenschapsrecht. Aangenomen wordt dat de begrippen 'gemeenschappelijke markt' of 'interne markt' dezelfde betekenis hebben. Zie Barents/Brinkhorst, Grondlijnen van Europees recht (2006), p. 308.
Zie art. 44 lid 2 onderdeel g EG-Verdrag.
Zie COM (1985) 310 def. van 13 juni 1985.
Het begrip `effectenmarkt' is uiteraard een abstracte aanduiding. Gewoonlijk zal de ontmoetingsplaats van het aanbod van en de vraag naar effecten een effectenbeurs zijn, maar noodzakelijk is dat niet.
Zie Report of a Group of experts appointed by the EEC Commission. The development of a European Capital Market, Brussel, november 1966. Van deze commissie van deskundigen maakte de heer A. Batenburg, destijds bestuursvoorzitter van Algemene Bank Nederland N.V., deel uit.
Aanbeveling van de Commissie van 25 juli 1977 betreffende een Europese gedragscode voor effectentransacties (77/534/EEG), Pb EG 1977, L 212/37, met een correctie in Pb EG 1977, L 294/28.
Wie kennis wil nemen van een minutieus overzicht van de eerste golf van Europese harmonisatie-richtlijnen raadplege Moloney, EC Securities Regulation (2002). Terecht is dit naslagwerk wel aangeprezen als een magisterial work.
Het gaat dan respectievelijk om de richtlijnen: (i) Richtlijn 79/279/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coordinatie van de voorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (Pb EG 1979, L 66), (ii) Richtlijn 80/390/EEG van de Raad van 17 maart 1980 tot coordinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (Pb EG 1980, L 100), (iii) Richtlijn 82/121/EEG van de Raad van 15 december 1982 betreffende de periodieke informatieverstrekking door vennootschappen waarvan de aandelen tot de officiële notering aan een effectenbeurs zijn toegelaten (Pb EG 1982, L 48).
Zie art. 4 lid 2 en de daarbij behorende schema's van Richtlijn 79/279/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coordinatie van de voorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (Pb EG 1979, L 66). Schema C, onder 5 sub a bevatte de openbaarmakingsplicht van vennootschappen waarvan aandelen zijn toegelaten tot de officiële notering aan een effectenbeurs. Schema D, onder 4 sub a bevatte de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen waarvan obligaties zijn toegelaten tot de officiële notering aan een effectenbeurs. In dit verband moet tevens gewezen worden op art. 7 van Richtlijn 89/592/EEG van de Raad van 13 november 1989 tot coordinatie van de voorschriften inzake transacties van ingewijden (Pb EG 1989, L 334). Volgens deze bepaling geldt de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie eveneens voor 'vennootschappen en ondernemingen waarvan de effecten, van welke aard dan ook, mogen worden verhandeld op een markt in de zin van artikel 1, punt 2, in fine.' Met een dergelijke markt wordt gedoeld op 'een markt die gereglementeerd is door en onder toezicht staat van door de overheid erkende autoriteiten, regelmatig functioneert en rechtstreeks of middellijk openstaat voor het publiek'.
Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (Pb EG 2001, L 184).
In art. 1 lid 1 van Richtlijn 89/592/EEG van de Raad van 13 november 1989 tot coordinatie van de voorschriften inzake transacties van ingewijden (Pb EG 1989, L 334) werd het begrip 'voorwetenschap' omschreven als: 'niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die betrekking heeft op een of meer emittenten van effecten of op een of meer effecten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, aanwijsbare invloed zou kunnen hebben op de koers van dat effect of van die effecten'.
Sinds de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in 1957 wordt onder aanvoering van de Europese Commissie gewerkt aan de economische integratie van de bij het EEG-Verdrag — later genaamd het EG-Verdrag en thans het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie — aangesloten staten.1 Het EG-Verdrag voorziet daartoe onder meer in de instelling van een gemeenschappelijke of interne markt.2 Blijkens het EG-Verdrag wordt beoogd deze gemeenschappelijke markt tot stand te brengen door: (i) een reeks van verbodsbepalingen die tot de lidstaten en particulieren zijn gericht om bepaalde handelingen achterwege te laten (zoals bijvoorbeeld het verbod van beperkingen op de vrijheid van vestiging, het vrij verrichten van diensten en het kapitaalverkeer3) en (ii) harmonisatie van nationale wetgeving (zoals bijvoorbeeld met betrekking tot het vennootschapsrecht4).
Het EEG-Verdrag bepaalde dat gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar geleidelijk een gemeenschappelijke markt tot stand zou worden gebracht. Deze overgangsperiode eindigde op 31 december 1969 zonder dat er sprake was van een gemeenschappelijke markt. Het duurde daarna tot de jaren tachtig van de vorige eeuw dat er weer met verve werd gesproken over Europese economische integratie. Zo presenteerde de Europese Commissie in juni 1985 een Witboek dat de voltooiing van de gemeenschappelijke markt per 31 december 1992 als doelstelling formuleerde.5 Hiertoe werd een gedetailleerd tijdschema geformuleerd dat ongeveer 300 besluiten omvatte. De voltooiing van de gemeenschappelijke markt werd tevens in art. 14 EG-Verdrag tot verdragsverplichting verheven.
Een belangrijk onderdeel van de in Europees verband tot stand te brengen gemeenschappelijke markt is de effectenmarkt waarop het aanbod van en de vraag naar door uitgevende instellingen (overheid en bedrijfsleven) uitgegeven effecten, bij elkaar worden gebracht.6 Op deze wijze kunnen spaarmiddelen hun weg vinden als financieringsmiddel voor bedrijfsinvesteringen en ter dekking van de financieringsbehoefte van de overheid. De regulering van deze effectenmarkt bestrijkt een breed en gevarieerd terrein. Gelet op het onderwerp van deze studie zal bij de beschrijving van de in Europees verband genomen initiatieven en maatregelen de nadruk worden gelegd op de informatieverplichtingen van uitgevende instellingen.
In de eerste plaats dienen in dit verband enkele Europese beleidsdocumenten genoemd te worden. In deze beleidsdocumenten — gedoeld wordt op het rapport van de Commissie Segré en de Europese Gedragscode voor effectentransacties — zijn reeds de eerste sporen van de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen aan te wijzen. In de tweede plaats dient gewezen te worden op de eerste golf van Europese harmonisatierichtlijnen. Tot die harmonisatierichtlijnen behoort de Toelatingsrichtlijn. In deze Toelatingsrichtlijn was de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen opgenomen, zoals die heeft gegolden voorafgaand aan de Richtlijn marktmisbruik.
Rapport van de Commissie Segré
Tekenend voor de complexiteit van de te regelen materie is wellicht dat de Europese Commissie eerst een commissie van deskundigen opdracht heeft gegeven om de in de lidstaten van de Europese Gemeenschap voorkomende belemmeringen voor het adequaat functioneren van de effectenmarkten in kaart te brengen. Deze commissie werd tevens verzocht om voorstellen te formuleren voor de wijze waarop een geïntegreerde Europese effectenmarkt tot stand zou kunnen worden gebracht. Het resultaat van de werkzaamheden van de Commissie Segré is neergelegd in een volumineus rapport.7
In hoofdstuk 11 van dit rapport (Operation of a European Securities Market: information for the public, dealing in and movement of securities) worden de twee belangrijkste hindernissen genoemd die aan de totstandkoming van een gemeenschappelijke effectenmarkt in de weg staan. In de eerste plaats wordt erop gewezen dat de geografische horizon van de marktdeelnemers verbreed dient te worden. Daartoe dienen beleggers te beschikken over voldoende en vergelijkbare informatie over effecten die op andere markten worden verhandeld. In de tweede plaats dient de infrastructuur van het grensoverschrijdende effectenverkeer verbeterd te worden, zodat beleggers zich voor de op andere markten verhandelde effecten kunnen interesseren. Gelet op het onderwerp van deze studie gaat de aandacht uit naar het eerstgenoemde aspect: het belang van goede informatieverschaffmg door uitgevende instellingen met het oog op de ontwikkeling van een gemeenschappelijke effectenmarkt.
De Commissie Segré stelt voorop dat voor de totstandkoming van een geïntegreerde Europese effectenmarkt structurele veranderingen nodig zijn in de wijze waarop uitgevende instellingen informatie aan de effectenmarkt verstrekken. Immers, bij een gebrek aan voldoende informatie over de activiteiten en de vooruitzichten van uitgevende instellingen zullen beleggers terughoudend zijn om hun spaarmiddelen aan deze uitgevende instellingen ter beschikking te stellen. De commissie stelt daar tegenover dat de ruime beschikbaarheid van informatie over enkele toonaangevende internationale uitgevende instellingen verklaart waarom deze zich in een grote belangstelling van beleggers mogen verheugen. Een ander gevolg van de gebrekkige informatievoorziening is volgens de commissie het speculatieve karakter van de nationale effectenmarkten.
Illustratief voor de kritiek van de Commissie Segré op de gebrekkige ontwikkeling van een geïntegreerde Europese effectenmarkt en de door haar aanbevolen oplossing daarvoor is de volgende passage uit het rapport:
"Contrary to the practices of other countries, and more especially of the United States, information available on most companies in Member States is still embryonic; but strangely enough, the regular publication of material normally withheld from European shareholders has been readily ondertaken by certain companies when they wanted to raise funds on the American or British capita' markets. On the other hand, the fact that information on US companies has been made widely available in Europe by brokers and investment consultants has had the result that the public can often get to know more about American companies than about those of its own country, and this in turn has induced domestic companies to display somewhat less reticence in publishing facts about their own affairs."
Om de gewenste structurele veranderingen tot stand te brengen, zal zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de door uitgevende instellingen aan de effectenmarkt te verstrekken informatie verbeterd dienen te worden. Een onmisbare voorwaarde daarvoor is volgens de Commissie Segré dat uitgevende instellingen erkennen dat beleggers een informatiebehoefte hebben.
In het rapport wordt vervolgens een eerste aanzet gegeven voor een uitbreiding van de informatieverplichtingen van uitgevende instellingen. Daarbij wordt door de Commissie Segré niet alleen aandacht besteed aan periodieke informatieverplichtingen (met intervallen van drie of zes maanden), maar ook aan een incidentele informatieverplichting. Die informatieverplichting wordt als volgt verwoord:
"Any new factor which might have a major bearing on the firm's situation or profit expectations (for instance investment programmes, important agreements or contracts) should be brought to the public's notice almost at once."
De Commissie Segré besteedt in haar rapport ook aandacht aan de weg waarlangs informatieverplichtingen aan uitgevende instellingen opgelegd dienen te worden. Ten eerste wordt erop gewezen dat een door uitgevende instellingen op gang te brengen gestage informatiestroom slechts kan worden verzekerd door informatieverplichtingen dwingend aan alle uitgevende instellingen op te leggen Immers, uitgevende instellingen zullen ervoor bevreesd zijn dat alomvattende informatieverplichtingen ertoe zouden kunnen leiden dat hun concurrentiepositie zal worden verzwakt. Zij zullen slechts bereid zijn die informatieverplichtingen na te leven, indien deze gelijkelijk voor andere uitgevende instellingen gelden en worden nageleefd. Of anders gezegd:
"(...) the pertinent requirements need to be equivalent in all the countries of the Community and there must be no discrimination on grounds of nationality."
Ten tweede wordt door de Commissie Segré op goede gronden gepleit voor harmonisatie van de wetgeving van de lidstaten zodat uitgevende instellingen op de Europese effectenmarkt ten opzichte van elkaar op een equal footing staan. Volgens de commissie zou het opstellen van uniforme regels voor de gehele Europese Gemeenschap nog een brug te ver zijn, maar:
"A more promising approach would be to formulate rules the scope and content of which would be bindingly accepted as a minimum by Member States, leaving each country free, within the limits discussed below, to broaden the field of application and to enforce additional regulations and formalities in the case of issues wholly or conjointly on its territory."
Vervolgens werkt de Commissie Segré een aantal uitgangspunten uit voor de informatieverstrekking van uitgevende instellingen bij gelegenheid van een kapitaalmarkttransactie. Die uitgangspunten hebben bijvoorbeeld betrekking op: (i) de werkingssfeer van de informatieverplichtingen, (ii) de inhoud van de informatieverplichtingen en (iii) de institutionele aspecten van het toezicht op de naleving van deze informatieverplichtingen. Gelet op het andersoortige karakter van de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen zijn deze door de commissie geformuleerde uitgangspunten voor deze studie niet of minder van belang.
Voor deze studie is vooral belangwekkend om te constateren dat de Commissie Segré met het oog op de ontwikkeling van een geïntegreerde Europese effectenmarkt in haar rapport een belangrijke rol toedenkt aan adequate informatieverstrekking door uitgevende instellingen. Onderdeel van die informatieverstrekking dient de verplichting te zijn om marktdeelnemers — in aanvulling op periodiek te verstrekken informatie — tussentijds op de hoogte te stellen van belangrijke nieuwe feiten of gebeurtenissen. Volgens de commissie is een harmonisatierichtlijn het ideale middel om de bestaande nationale informatieverplichtingen — zowel wat betreft inhoud als vorm — dichter bij elkaar te brengen.
Europese Gedragscode voor effectentransacties
Parallel aan de voorbereidende werkzaamheden die uiteindelijk hebben geleid tot de eerste golf van harmonisatierichtlijnen heeft de Europese Commissie op 25 juli 1977 een Europese Gedragscode voor effectentransacties gepubliceerd.8 De gedragscode heeft de vorm van een aanbeveling gekregen. Zij is gericht tot de lidstaten, opdat deze lidstaten erop toezien dat degenen die invloed kunnen uitoefenen op de werking van de effectenmarkten — zoals intermediairs, uitgevende instellingen, houders van een effectenbeurs en toezichthoudende instanties — de in de gedragscode aangegeven beginselen naleven. De gedragscode is blijkens de toelichting opgesteld "in het kader van de ontwikkeling en de integratie van de effectenmarkten". Hier klinkt in feite de dubbele taak door waarvoor de Europese Commissie zich gesteld zag. Aan de ene kant werd met de gedragscode beoogd de nationale effectenmarkten (verder) te ontwikkelen. Aan de andere kant werd daarmee beoogd de integratie van de effectenmarkten binnen de Europese Gemeenschap tot één gemeenschappelijke markt tot stand te brengen.
De opbouw van de gedragscode is als volgt. De gedragscode kent één fundamentele doelstelling, zes algemene beginselen en een reeks aanvullende bepalingen die de algemene beginselen verder uitwerken. De fundamentele doelstelling van de gedragscode luidt:
"Het op Europees niveau geven van normen voor een eerlijk marktgedrag waardoor wordt bijgedragen tot de doeltreffende werking van de effectenmarkten (d.w.z. het tot elkaar brengen van aanbod en vraag naar kapitaal onder optimale voorwaarden), en een goede bescherming van de belangen van het publiek wordt gewaarborgd, is de doelstelling van deze code."
Deze tweeledige doelstelling van de gedragscode — dat wil zeggen: de adequate werking van de effectenmarkten en een goede beleggersbescherming — wordt vervolgens geconcretiseerd in zes algemene beginselen. Het tweede algemene beginsel is gericht op informatieverschaffing. Het beginsel heeft niet specifiek betrekking op een bepaalde categorie van marktdeelnemers en zal daarom van belang kunnen zijn voor zowel intermediairs als uitgevende instellingen.
"Het publiek moet beschikken over een eerlijke, correcte, duidelijke, voldoende en tijdig verspreide informatie. Deze informatie moet in een zodanige vorm worden aangediend, dat betekenis en draagwijdte daarvan gemakkelijk kunnen worden onderkend. Met name degenen, die uit hoofde van hun beroep of hun functies de plicht of de mogelijkheid hebben het publiek voor te lichten, dienen erop toe te zien dat zulks daadwerkelijk het geval is en dat geen enkele categorie personen wordt bevoorrecht."
Aan dit beginsel komt in de context van de gedragscode grote betekenis toe. Een groot deel van de aanvullende bepalingen is van dit algemene beginsel een uitwerking. In het bijzonder kan worden gewezen op twee aanvullende bepalingen die zien op de doorlopende informatieverplichting van uitgevende instellingen. In zeer rudimentaire vorm kunnen wij in deze aanvullende bepalingen de contouren van de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen en de uitstelregeling — zoals thans opgenomen in art. 6 leden 1 en 2 van de Richtlijn marktmisbruik — herkennen:
"Iedere vennootschap wier effecten op de effectenmarkten worden verhandeld dient geregeld, en althans om de zes maanden, een duidelijke, nauwkeurige, volledige en steeds bijgewerkte informatie te verstrekken over haar activiteit, bedrijfsresultaten en financiële situatie. Ieder belangrijk feit of besluit, dat een merkbare invloed kan hebben op de koers van de effecten, dient eveneens onverwijld te worden bekendgemaakt."
en
"Wanneer een in de vorige bepaling bedoeld belangrijk feit of besluit niet onverwijld kan worden bekendgemaakt, b.v. omdat daaruit een ernstig nadeel voor de vennootschap kan voortvloeien of omdat bepaalde formaliteiten nog niet zijn vervuld, doch de vennootschap van mening is dat er gevaar voor uitlekking bestaat, stelt zij daarvan de bevoegde autoriteiten op de hoogte. Deze nemen de nodige maatregelen om de goede werking van de markt te verzekeren totdat dit feit of besluit bekend kan worden gemaakt. Zij kunnen met name, indien zulks noodzakelijk blijkt, overgaan tot staking van de noteringen gedurende het noodzakelijke tijdsbestek."
In de gedragscode wordt eveneens aandacht besteed aan het beginsel van gelijke behandeling van beleggers bij informatieverschaffmg:
"Geen belegger of groep van beleggers mag ter zake van de informatie gunstiger worden behandeld dan anderen of het publiek. De toegang tot deze informatie staat onbeperkt open tot alle beleggers."
In dit verband kan ten slotte op het derde algemene beginsel van de gedragscode worden gewezen:
"Elke houder van effecten van een zelfde soort, uitgegeven door dezelfde vennootschap, moet zich verzekerd weten van een gelijke behandeling."
In de doctrine is de gedragscode de nodige kritiek ten deel gevallen. Zo is wel gesteld dat de aanbeveling geen effectief instrument zou zijn om effectenregulering tot stand te brengen. Deze kritiek gaat er ten onrechte aan voorbij dat de gedragscode wel degelijk betekenis heeft gehad voor de gedachtevorming over de uitgangspunten die aan de Europese en nationale regulering van de effectenmarkten ten grondslag dienen te worden gelegd. Het karakter van de gedragcode zou mijns inziens zeer wel als een beginselprogramma voor de wetgevende arbeid van de Europese Commissie kunnen worden aangemerkt.
De eerste golf van Europese harmonisatierichtlijnen
Na deze voorbereidende werkzaamheden komt de wetgevende arbeid van de Europese wetgever pas echt goed op gang. Met een reeks van harmonisatierichtlijnen heeft de Europese wetgever getracht de in de lidstaten geldende voorschriften met betrekking tot het effectenverkeer min of meer op één lijn te brengen.9 De eerste harmonisatierichtlijnen hadden betrekking op: (i) de (voorwaarden voor) toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs, (ii) het prospectus dat moet worden gepubliceerd in verband met de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en (iii) de periodieke informatieverstrekking door vennootschappen waarvan aandelen zijn toegelaten tot de officiële notering aan een effectenbeurs.10
In één van deze harmonisatierichtlijnen — de zogeheten Toelatingsrichtlijn — was een regeling voor de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen opgenomen als voorwaarde voor de toelating van effecten van een uitgevende instelling tot de officiële notering aan een effectenbeurs.11 Deze regeling is nadien bij gelegenheid van een consolidatie van deze harmonisatierichtlijnen ondergebracht in de Noteringsrichtlijn.12 Zo bepaalde art. 68 lid 1 van de Noteringsrichtlijn ten aanzien van uitgevende instellingen waarvan aandelen tot de officiële notering aan een effectenbeurs zijn toegelaten:
"De vennootschap moet het publiek zo spoedig mogelijk in kennis stellen van belangrijke nieuwe feiten op haar arbeidsterrein die niet algemeen bekend zijn en die gezien hun gevolgen voor de vermogens- en financiële situatie van en de algemene gang van zaken bij de vennootschap, tot een aanzienlijke verandering van de koers van haar aandelen kunnen leiden. De bevoegde autoriteiten kunnen de vennootschap evenwel van deze verplichting ontheffen, indien het bekendmaken van bepaalde gegevens de rechtmatige belangen van de vennootschap zou kunnen schaden."
In art. 81 lid 1 van de Noteringsrichtlijn werd de openbaarmakingsplicht ten aanzien van uitgevende instellingen waarvan obligaties tot de officiële notering aan een effectenbeurs zijn toegelaten als volgt omschreven:
"De onderneming moet het publiek zo spoedig mogelijk in kennis stellen van belangrijke nieuwe feiten op haar arbeidsterrein die niet algemeen bekend zijn en die in belangrijke mate van invloed kunnen zijn op haar vermogen om aan haar verplichtingen te voldoen. De bevoegde autoriteiten kunnen de onderneming evenwel op haar verzoek van deze verplichting ontheffen, indien de bekendmaking van bepaalde gegevens de rechtmatige belangen van de onderneming zou kunnen schaden.
In vergelijking met de in § 3.4.2 gegeven eerste schets van de in de Richtlijn marktmisbruik opgenomen openbaarmakingsplicht springt een aantal verschillen meteen in het oog. Ten eerste: de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen lijkt in de Noteringsrichtlijn niet gekoppeld te zijn aan een voorwetenschapsbegrip.13 Ten tweede: de openbaarmakingsplicht wordt — afhankelijk van de aard van de fmanciële instrumenten (aandelen of obligaties) die tot de officiële notering aan een effectenbeurs zijn toegelaten — verschillend geformuleerd door gebruik te maken van een andere relevantiestandaard. Ten derde: ontheffing van de openbaarmakingsplicht kan volgens de Noteringsrichtlijn slechts aan een uitgevende instelling worden verleend door een bevoegde autoriteit. Ten vierde: ontheffmg van de openbaarmakingsplicht is slechts aan één voorwaarde verbonden: indien het bekendmaken van bepaalde gegevens de rechtmatige belangen van de uitgevende instelling zou kunnen schaden. Ten vijfde ten slotte: de openbaarmakingsplicht van de Noteringsrichtlijn bevat geen afzonderlijke regeling voor selectieve openbaarmaking van koersgevoelige informatie.