Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.3.5.2
2.3.5.2 Instructie specifieke onderwerpen uit te zoeken
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453077:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 11 juli 2016, JOR 2016/193, m.nt. P.D. Olden (Leaderland).
OK 29 juli 2005, ARO 2005/144 (Great!Company), r.o. 3.5.
OK 28 juni 2006, ARO 2006/114 (Van Lennep Verkerke Vermij Holding c.s.), r.o. 3.6.
Zie bijvoorbeeld OK 29 juli 2005, ARO 2005/146 (Maroeska Metz), r.o. 3.1.
OK 30 maart 2016, ARO 2016/88 (Flextra Facilitair c.s.), r.o. 2.3.
Zie bijvoorbeeld OK 13 juli 2006, ARO 2006/133 (Audilux), r.o. 3.10; OK 28 juli 2006, ARO 2006/ 145 (TriQorp c.s.), r.o. 3.9.
OK 13 december 2011, ARO 2012/5 (Leidsestraat Apotheek), r.o. 3.9 en 3.11.
OK 24 februari 2012, ARO 2012/30 (Cerflex International), r.o. 3.9.
In de Meepo Holding-zaak gelastte de Ondernemingskamer na het eerste onderzoek eerst een aanvullend onderzoek met een specifiekere onderzoeksopdracht. Vervolgens heeft de Ondernemingskamer die in een tussenbeschikking nog weer verder gespecificeerd. Zie OK 24 juni 2005,JOR 2005/208 (Meepo Holding), r.o. 3.6; OK 19 juni 2006, ARO 2006/120 (Meepo Holding),r.o. 3.5; OK 26 juni 2007, ARO 2007/108 (Meepo Holding), r.o. 3.9. Verder kan bijvoorbeeld worden gewezen op OK 18 december 2002, JOR 2003/61 (Polyplus), r.o. 3.3; OK 22 maart 2005,JOR 2005/175 (Engineering Systems International), r.o. 3.2.
Als de Ondernemingskamer naast de algemene opdracht om een onderzoek in te stellen specifiek aangeeft wat de onderzoekers meer in het bijzonder moeten onderzoeken, gaat het vaak om situaties waarin er beweerdelijk sprake is van bevoordeling van een partij bij het geschil ten opzichte van een of meer andere partijen. Soms gebeurt dat eerst als de Ondernemingskamer een aanvullend onderzoek gelast.1 Ik geef hiervan enkele voorbeelden. In de Great!Company-zaak gaf de Ondernemingskamer de onderzoekers de opdracht om de wijze en omvang van de afrekeningen ter zake van onderliggende leveringen tussen de vennootschap en een vennootschap van twee van de aandeelhouders/bestuurders uit te zoeken.2 In de zaak-Van Lennep Verkerke Vermij Holding c.s. vroeg de Ondernemingskamer de onderzoekers de omvang van de aan (de persoonlijke houdstervennootschappen van) de bestuurders toekomende managementvergoedingen uit te zoeken.3 Niet onbegrijpelijk is voorts dat de Ondernemingskamer de onderzoekers ook weleens vraagt om onderzoek te doen naar eventuele privéonttrekkingen door aandeelhouders of bestuurders.4 Er moet dan wel sprake zijn van een belang van de rechtspersoon zelf; anders wijst de Ondernemingskamer het verzoek af.5
Een tweede onderwerp dat in een aantal gevallen heeft geleid tot een instructie daarnaar specifiek onderzoek te doen, betreft de informatieverstrekking aan minderheidsaandeelhouders.6
Instructies hebben soms ook betrekking op het beleid en de gang van zaken van de onderneming van de rechtspersoon. In dit verband noem ik een instructie om uit te zoeken of er sprake was van schending van wettelijke voorschriften door een apotheek7 en in hoeverre de vennootschap voor haar huidige of toekomstige bedrijfsvoering afhankelijk was van een aan een andere vennootschap van een van de aandeelhouders toebehorend octrooi.8 Deze voorbeelden zijn met vele andere aan te vullen.
Wat ik bij mijn onderzoek wel opmerkelijk vond, was te constateren dat als de Ondernemingskamer een aanvullend onderzoek gelast, zij de onderzoeksopdracht nauwkeuriger formuleert en/of meer specifieke onderzoeksvragen formuleert dan zij bij de eerste onderzoeksopdracht doet.9 Dat suggereert dat als de Ondernemingskamer van meet af aan een nauwkeuriger onderzoeksopdracht zou hebben geformuleerd, het gelasten van een aanvullend onderzoek mogelijk niet nodig zou zijn geweest.