Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.3.2
2.3.2 Beperking van de onderzoeksperiode
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454291:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 13 juli 2006, ARO 2006/132 (Selles Beheer). De Ondernemingskamer voegde daar overigens nog aan toe “vanaf de aanvang van de besluitvorming over de overdracht van de door haar gehouden aandelen in [namen van een aantal dochtervennootschappen]”.
Zie bijvoorbeeld GH 25 maart 2014, ARO 2014/79 (TC), r.o. 3.2.2; OK 4 augustus 2014, ARO 2014/ 173 (Best Green), r.o. 3.11.
Vgl. OK 10 januari 2002, JOR 2002/218 (Elenses).
Zie bijvoorbeeld OK 12 december 2002, JOR 2003/60 (Ed Ros Holding), r.o. 3.6 met verwijzing naar het dictum; OK 25 januari 2004, JOR 2004/42, m.nt. J.J.M. van Mierlo (Polisol), r.o. 3.13 met verwijzing naar het dictum.
Zie bijvoorbeeld OK 26 maart 2003, JOR 2003/141 (Callas Beheer c.s.), r.o. 3.6; OK 23 oktober 2014, ARO 2015/4 (MentaVitalis), r.o. 3.6; OK 7 juli 2015, ARO 2015/173 (Bedrijven- en kantorencentrum Lansinkveste c.s.), r.o. 3.7.
OK 12 januari 2015, ARO 2015/64 (Fayrefield International), r.o. 3.7. In gelijke zin OK 1 juli 2010,ARO 2010/106 (Euroll Services), r.o. 3.5.
Zie § 2.1.1.
Zie bijvoorbeeld OK 22 januari 2015, ARO 2015/70 (DPS Holding c.s.), r.o. 3.5.
Zie bijvoorbeeld OK 3 januari 2006, ARO 2006/10 (LCI Technology Group), r.o. 3.7.
OK 10 maart 2014, ARO 2014/59 (4db Realisation c.s.), r.o. 3.12.
Zie bijvoorbeeld OK 26 november 2002, JOR 2003/37(De Ark Groep c.s.), r.o. 3.5 en dictum (“tot de datum van afsluiting van het onderzoek”); OK 24 november 2008, JOR 2009/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Fortis), r.o. 3.42 (“het tijdvak waarover het onderzoek zich uitstrekt wordt niet afgesloten met de datum van deze beschikking”). In OK 27 november 2014, ARO 2015/26 (ZED+), r.o. 1.7 overwoog de Ondernemingskamer dat het onderzoek mocht duren “tot aan een door de onderzoekers te bepalen tijdstip, dat ook mag vallen in de periode van het onderzoek zelf”, waarmee zij kennelijk bedoelde tot een datum gelegen na de beschikking waarbij het onderzoek werd gelast.
Vgl. OK 1 november 2005, JOR 2005/297 (ATR), r.o. 3.8; cassatieberoep verworpen door HR30 maart 2007, NJ 2007/293, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/138, m.nt. M.W. Josephus Jitta (ATR).
Een enkele keer bepaalt de Ondernemingskamer in het geheel niet wat de onderzoeksperiode is. Dat staat haar vrij: de Ondernemingskamer kan immers het onderzoek tot een tijdvak beperken, maar is daartoe niet verplicht. In één zaak gaf de Ondernemingskamer de onderzoeker wel heel veel vrijheid, toen zij een onderzoek gelastte “over de door de onderzoeker vast te stellen periode”.1 Doorgaans bepaalt de Ondernemingskamer echter in ieder geval een aanvangsdatum voor het onderzoek. Dat kan de datum van oprichting van de rechtspersoon zijn.2 Veel zin heeft dat niet, omdat er dan geen sprake is van een beperking van het tijdvak van het onderzoek.3 In de meeste gevallen waarin de Ondernemingskamer een aanvangsdatum van het onderzoek bepaalt, is dat een datum gelegen na de datum van oprichting van de rechtspersoon. Vaak doet de Ondernemingskamer dit zonder een specifieke motivering. Dat valt dan te verklaren door het feit dat de verzoeker een onderzoek vanaf een bepaalde datum heeft verzocht, en de ingangsdatum van het onderzoek kennelijk geen onderwerp van discussie is geweest.4 In sommige gevallen motiveert de Ondernemingskamer summier waarom zij voor een andere ingangsdatum kiest.5 De Ondernemingskamer maakt incidenteel gebruik van haar bevoegdheid om de ingangsdatum van het onderzoek eerder te laten ingaan dan de verzoeker heeft verzocht. Een voorbeeld is de zaak-Fayrefield International. In deze zaak verzocht de verzoeker een enquête vanaf 13 juli 2011 en bepaalde de Ondernemingskamer dat de periode waarop het onderzoek betrekking moest hebben, aanving op 1 januari 2011.6
Het komt niet vaak voor dat de Ondernemingskamer een einddatum voor het onderzoek noemt. Als de Ondernemingskamer geen einddatum noemt, eindigt de onderzoeksperiode op de datum van de beschikking.7 In § 2.4.2 ga ik in op de op deze opvatting geuite kritiek. Een enkele keer bepaalt de Ondernemingskamer wel met zoveel woorden een einddatum voor het onderzoek.8 Meestal gaat het dan om een inquisitoire enquête.9 Een schaars, zo niet uniek, voorbeeld waarbij de Ondernemingskamer in een curatieve enquête de einddatum vaststelde op een datum gelegen vóór haar beschikking, is de zaak-4db Realisation c.s.10 In deze zaak gelastte de Ondernemingskamer zonder enige motivering en in afwijking van het verzoek een onderzoek tot de dag waarop het verzoekschrift was ingediend. De Ondernemingskamer voegde daar ten overvloede nog aan toe dat de onderzoeker ook aandacht mocht besteden aan hetgeen zich met betrekking tot de onderzochte feiten en omstandigheden voor- en nadien had voorgedaan, voor zover dat licht kon werpen op deze feiten en omstandigheden. En dat in een situatie waarin sprake was van een patstelling tussen de betrokkenen bij de vennootschap die op het moment van de uitspraak van de Ondernemingskamer nog niet was opgelost! Ik kan geen rationele verklaring voor deze beslissing verzinnen.
In een paar gevallen heeft de Ondernemingskamer bepaald dat de onderzoeksperiode niet eindigt op de dag van de beschikking waarbij het onderzoek wordt gelast, maar doorloopt tot een latere datum.11 De Ondernemingskamer sluit zich wat betreft de vaststelling van de einddatum van het onderzoek doorgaans aan bij het verzoek. Zij heeft echter de vrijheid een latere datum vast te stellen. Dat kan ook op verzoek van een belanghebbende gebeuren.12