Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.3.5.4:2.3.5.4 Bemiddelen
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.3.5.4
2.3.5.4 Bemiddelen
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450721:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 5.4.6.
Zie bijvoorbeeld OK 28 juni 2006, ARO 2006/114 (Van Lennep Verkerke Vermij Holding c.s.), r.o. 3.6.
OK 20 juni 2005, JOR 2005/206 (Firma W. van ’t Hart & Zonen Holding), r.o. 3.12.
In § 5.4.6 werk ik dit standpunt uit.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met enige regelmaat geeft de Ondernemingskamer de onderzoekers de opdracht mee te bemiddelen tussen de betrokken partijen. Dit komt (vrijwel) uitsluitend voor in curatieve enquêtes waar er een patstelling is, het voor de hand ligt dat partijen uit elkaar gaan en waarbij de Ondernemingskamer niet bij wege van onmiddellijke voorziening een bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen benoemt. Indien er wel een bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen wordt benoemd, dan krijgt die de opdracht te bemiddelen.1 De opdracht om te bemiddelen komt in twee varianten voor. In de eerste variant geeft de Ondernemingskamer de onderzoekers de opdracht te bemiddelen zonder een verdere instructie.2 In de tweede variant gaat de Ondernemingskamer verder, en doet zij ook suggesties hoe de onderzoekers te werk kunnen gaan. Meestal gaat het dan om de waardering van de aandelen in een vennootschap, zodat op basis daarvan de ene aandeelhouder zijn aandelen kan overdragen aan de andere aandeelhouder. Een voorbeeld betreft de zaak-v/h Firma W. van ’t Hart en Zonen Holding. In die zaak gaf de Ondernemingskamer de onderzoekers niet alleen de opdracht de aandelen te waarderen, maar gaf zij ook zeer specifiek aan hoe dat zou moeten: als uitgangspunt was te nemen hetzij de waarde van de aandelen per de overdracht van de onderneming van de werkmaatschappij op 1 mei 1999 (vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de datum van verkoop en levering van de aandelen), hetzij de waarde van de aandelen ultimo 2004, gecorrigeerd voor– indien daarvan sprake zou zijn – de uit het onderzoek naar de kostenkwesties voortvloeiende onregelmatigheden (en overeenkomstig vermeerderd met rente). Voorts zou in geen geval sprake (kunnen) zijn van in de waardering te begrijpen goodwill, nu immers per 1 mei 1999 en daarna bij Holding noch Werkmaatschappij sprake was van een going concern onderneming, en diende, ten slotte, bij een waardering per 1 mei 1999 evenmin rekening te worden gehouden met een discount wegens het vruchtgebruik, nu tijdens de looptijd van het vruchtgebruik (nagenoeg) geen dividenden waren uitgekeerd.3
Ik meen dat de Ondernemingskamer zeer terughoudend moet zijn om de onderzoekers de opdracht te geven tussen partijen te bemiddelen. Zij zou daartoe alleen moeten overgaan als er geen alternatieven beschikbaar zijn om een schikking tussen partijen te bevorderen. De belangrijkste reden daarvoor is dat een mislukte bemiddelingspoging de onafhankelijkheid van de onderzoekers in de perceptie van partijen kan aantasten. Als de onderzoekers toch de opdracht krijgen om te bemiddelen, moeten zij een aantal spelregels in acht nemen om hun onafhankelijkheid te waarborgen.4