Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/10.1.2
10.1.2 De verdere stelplicht ten aanzien van een beroep op art. 293 K (oud)
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS354676:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Blom 2006, p. 327, en de daar genoemde verwijzingen. Blom spreekt erover dat causaal verband 'geen vereiste' was. Dat lijkt erop te duiden dat hij van oordeel is dat wanneer causaliteit wél een rol zou spelen, dat zou zijn als onderdeel van de bepaling waarop verzekeraar zich ter bevrijding van zijn betalingsverplichting beroept. Daar ga ik niet vanuit, zie hierna in de hoofdtekst.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 392, leidt uit bedoeld voorbeeld zelfs af dat de Hoge Raad 'breekt met de tot dan heersende opvatting dat in beginsel het ontbreken van causaal verband tussen de bestemmingswijziging en de oorzaak van de brand een beroep op art. 293 K door de verzekeraar niet in de weg stond.'
De Hoge Raad lijkt hiermee, wanneer mijn veronderstelling juist is, nog iets verder richting te geven aan een inperking van de toepassing van art. 293 K (oud), zoals deze al was ingezet met de overweging om alleen in duidelijk sprekende gevallen te aanvaarden dat de bestemming van het verzekerde gebouw in de zin van art. 293 K (oud) is veranderd (HR 10 augustus 1988 (Matthes), NJ 1989, 238, m.nt. G).
HR 4 april 2003, NJ 2005, 259. Wat opvalt is dat de Hoge Raad door de manier waarop hij de stelplicht bij een beroep op art. 293 K (oud) verwoordt, ook alweer een beetje opschuift naar inperking van de toepassing van art. 293 K (oud) als in de vorige noot bedoeld. Niet uitsluitend de wijziging van bestemming is bepalend, maar het lijkt - sinds 2003, als een nadere invulling op het Modalfa-arrest - te moeten gaan om een wijziging van de bestemming ten tijde van het verzekerde voorval.
Zoals hiervoor aan de orde is gesteld, is voor een geslaagd beroep op art 293 K (oud) vereist dat de verzekerde bestemming en de feitelijke bestemming ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst met elkaar overeenstemmen. In feite is dit punt te zien als een uitwerking van het aan het begin van deze paragraaf genoemde element (c), de wijziging van een bestemming. Van een wijziging is immers eerst sprake indien de bestemming bij aanvang van de overeenkomst een andere was. De bestemmingswijziging is daarmee één van de voorwaarden waaraan voldaan dient te worden voor een geslaagd beroep op art. 293 K (oud). Echter, ook wanneer van een wijziging van bestemming sprake is, kunnen er zich bijzondere omstandigheden voordoen, die - zo blijkt uit het Modalfa-arrest van de Hoge Raad - tot gevolg hebben dat aan de verzekeraar geen beroep op art. 293 K (oud) openstaat. De Hoge Raad drukt het als volgt uit:
'3.3.1 (...) Onderdeel 4 strekt ten betoge, samengevat weergegeven, dat art. 293 aldus moet worden verstaan dat de verplichting van de verzekeraar, die door bestemmingswijziging van het verzekerde was opgehouden, kan herleven op grond van latere omstandigheden, waaronder het na de bestemmingswijziging bij overeenkomst buiten toepassing verklaren van het bepaalde bij dat wetsartikel. 3.3.2 Bij de beoordeling van dit onderdeel moet worden vooropgesteld dat in geval van verzekering van een gebouw tegen brand het bepaalde bij art. 293 aan een - duidelijk sprekend geval van - bestemmingswijziging van het gebouw in de zin van die bepaling het gevolg verbindt dat de verzekeraar van zijn verplichtingen is ontslagen (HR 10 augustus 1988, NJ 1989, 238). Op zichzelf terecht neemt het onderdeel tot uitgangspunt dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat aan de verzekeraar, ondanks een wijziging van de bestemming als eerder bedoeld, geen beroep op art. 293 openstaat. Daarbij valt te denken aan het geval waarin de bestemmingswijziging ongedaan is gemaakt voordat het risico zich heeft verwezenlijkt. Voorts kan gedacht worden aan het geval waarin onvoldoende verband bestaat tussen de bestemmingswijziging en het risico zoals dat zich heeft verwezenlijkt. Bovendien kan een beroep op art. 293 K (oud) falen ingeval de verzekeraar, na van de bestemmingswijziging op de hoogte te zijn gebracht of geraakt, de verzekeringsovereenkomst ongewijzigd continueert.'1
De voorbeelden zoals deze door de Hoge Raad zijn gegeven, spreken (juridisch inhoudelijk) tot de verbeelding, maar in bewijsrechtelijk opzicht lijken er verschillende invalshoeken aan ten grondslag te liggen:
Het ontbreken van causaal verband als mogelijke grond voor afwijzing van een beroep op risicoverzwaring
Allereerst een bespreking van het tweede door de Hoge Raad gegeven 'voorbeeld': het ontbreken van voldoende verband tussen de bestemmingswijziging en het risico zoals dat zich heeft verwezenlijkt. Voordat de Hoge Raad in de hiervoor genoemde overweging (ten overvloede) overwoog dat het ontbreken van voldoende causaal verband in de weg kan staan aan een beroep op art. 293 K (oud), leek het duidelijk te zijn dat causaal verband bij de beoordeling van dat beroep geen rol speelde.2 Dat paste ook bij de redactie van art. 293 K (oud), dat uitsluitend sprak over (een specifieke vorm van) risicoverzwaring en de 'sanctie' die dat met zich bracht, zonder dat het risico dat zich uiteindelijk verwezenlijkt heeft, daarbij betrokken wordt. De vraag of aan enig causaliteitsvereiste voldaan was, behoefde van de stellingen dan ook geen deel uit te maken.
Door het door de Hoge Raad gegeven 'voorbeeld' lijkt er echter ruimte geboden voor een causaliteitsverweer, dat verzekerde kan voeren en dat (alsnog) kan leiden tot afwijzing van het beroep op risicoverzwaring.3Wanneer juist is dat de Hoge Raad deze causaliteitstoets heeft bedoeld in te brengen, rijst de vraag op wie de stelplicht en - in het verlengde daarvan -de bewijslast ter zake rust. In gevallen waarin causaliteit onderdeel van de (wettelijke) bepaling vormt, is dat doorgaans de verzekeraar, maar of de redactie van art. 293 K (oud) daartoe voldoende grondslag biedt, is mijns inziens zeer de vraag. Eerder lijkt de Hoge Raad, al laat hij zich daar niet nader over uit, de mogelijkheid te introduceren dat ondanks dat van risicoverzwaring in de zin van art. 293 K (oud) sprake is, deze naar haar oorzaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet rechtvaardigt dat het recht op uitkering daardoor komt te vervallen.4 De regeling raakt daarmee in zekere zin aan de regeling zoals deze voor de garanties geldt en waarbij het beroep van verzekeraar op het ontbreken van dekking eveneens aan toetsing aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid bloot staat (zie hierna onder 10.2.3). Het is dan aan de verzekerde om te stellen en bewijzen dat het vermeerderd brandgevaar niet de oorzaak was van het verwezenlijkte risico.
De ongedaan gemaakte bestemmingswijziging
Door de Hoge Raad is als 'voorbeeld' van omstandigheden die aan toewijzing van een beroep op art. 293 K (oud) in de weg kunnen staan verder gegeven de bestemmingswijziging die ongedaan is gemaakt voordat het risico zich heeft verwezenlijkt. Te denken valt daarbij aan een kamerverhuurbedrijf dat enige tijd in een woonhuis uitgeoefend werd, maar dat ten tijde van de verwezenlijking van het risico niet langer 'geëxploiteerd' werd. De situatie is een uitwerking van de van art. 293 K (oud) deel uitmakende bestemmingswijziging en volgt daarmee de door de Hoge Raad in zijn arrest van 4 april 2003 bevestigde hoofdregel: art. 150 Rv brengt mee dat de verzekeraar die een beroep op art. 293 K (oud) doet, moet stellen dat de bestemming die het pand ten tijde van het verzekerde voorval had, wezenlijk afwijkt van de verzekerde bestemming.5 Wanneer verzekerde zich ten verwere erop beroept dat weliswaar op enig moment sprake is geweest van risicoverzwaring, maar dat dit ten tijde van de verwezenlijking van het risico niet langer het geval was, dient verzekeraar zijn stellingen te bewijzen.
Na kennisneming van bestemmingswijziging wordt de overeenkomst ongewijzigd voortgezet
Een laatste, meest voor zich sprekende omstandigheid op grond waarvan een beroep op art. 293 K (oud) kan falen, is die waarbij de verzekeraar, wanneer hij van de bestemmingswijziging op de hoogte is gebracht of geraakt, de verzekeringsovereenkomst ongewijzigd continueert. Deze stelling is er een van verzekerde en het zal aan hem zijn om bij voldoende gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat de verzekeraar op de hoogte is gebracht of geraakt.