Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.3
VII.3 Bewijswaardering zonder vooringenomenheid
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599811:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover eerder voornamelijk § III.3.2; § V.6.
Aldus o.a. EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83, par. 77(Barberà, Messegué en Jabardo/ Spanje). Zie nader § V.6.
Vanwege de samenhang met het bewijsstelsel dicteert de onschuldpresumptie die gesteldheid niet aan bijvoorbeeld de rechter-commissaris, de over voorlopige hechtenis oordelende raadkamer of de ‘verlofrechter’ in hoger beroep.
Zo ook Stevens, ‘Art. 271 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen, aant. 8.3: “De onschuldpresumptie ziet op de innerlijke overtuiging van de rechter.”
Met de onschuldpresumptie is mitsdien niet onverenigbaar dat art. 271 lid 2 niet alleen vooringenomenheid ten nadele van de verdachte verbiedt, maar zich ook verzet tegen de veronderstelling dat de verdachte ónschuldig is, zoals bevestigd in HR 14 mei 2013, NJ 2013, 404, m.nt. Schalken. Zie anders: Pompe 1959, p. 149.
Vgl. de vanzelfsprekendheid daarvan bij Reijntjes, annotatie bij: HR 22 januari 2008, NJ 2008, 193.
HR 18 april 1995, NJ 1996, 73, m.nt. Knigge, r.o. 5.5.4; HR 2 juni 2009, NJ 2009, 278, r.o. 2.5.2.
De neutraliteit van de (straf)rechter valt uiteen in neutraliteit ten opzichte van andere overheidsorganen (rechterlijke onafhankelijkheid) en neutraliteit ten opzichte van het geschil of strafbare feit (rechterlijke onpartijdigheid). Aldus ook Cleiren 2012, p. 12-13; Bovend’Eert 2013, i.h.b. p. 17.
Vgl. Stamhuis 2001, p. 149.
Zie o.a. uitdrukkelijk Remmelink 1966, p. 327; Stolwijk 1976, Artikel 302, p. 1; Fernhout 1982; Keijzer 1987, p. 246; Hermans 1997, p. 10-11; Veldt 1997, i.h.b. p. 174 en 181; Stevens, ‘Art. 271 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen, aant. 8; Cleiren 2012, p. 45 e.v.; Pelsser, ‘Art. 271 Sv’, in: T&C Sv, aant. 3; De Weerd & Stapel 2014, p. 212. Zie wel erg stellig ook Rb. Den Haag 29 mei 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6549.
Buiten de reikwijdte van de bepaling vallen dus allerlei handelingen die in het licht van het onpartijdigheidsvereiste wel degelijk problematisch kunnen zijn, zoals uitlatingen die blijk geven van algemene desinteresse of van een buitengewoon negatief oordeel over de persoon van de verdachte of het tenlastegelegde delictstype, zie bijv. HR 14 december 1993, DD 94.163. Vgl. in soortgelijke zin Hermans 1997, p. 13-14. Die handelingen raken het onschuldvermoeden evenwel niet.
Van symptoombestrijding spreken bijv. ook Remmelink 1966, p. 327; Stevens, ‘Art. 271 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen, aant. 8.3. Zie verder in dezelfde richting Veldt 1997, i.h.b. p. 175-177; Cleiren 2012, p. 45; Pelsser, ‘Art. 271 Sv’, in: T&C Sv, aant. 4. De bepaling heeft daarmee echter ook een bredere doelstelling op het oog. Zij is tevens op te vatten als een op de uiterlijke zittingsorde gerichte fatsoensnorm, die naast de daadwerkelijke onpartijdigheid ook het gezag en de waardigheid van het onderzoek beschermt, zie: Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 125.
Op die beperking stuiten ook het EHRM en het CRM, zo bleek al in § V.6.
Zie overeenkomstig de EHRM-rechtspraak: HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 187, m.nt. Knigge, r.o. 5.2; HR 16 november 1999, NJ 2000, 335, m.nt. ’t Hart, r.o. 3.5; HR 18 mei 2004, NJ 2004, 498; HR 25 maart 2008, NJ 2008, 211, r.o. 3.3; HR 21 september 2010, NJ 2010, 520, r.o. 2.5.
Vgl. enigszins anders Keulen & Knigge 2016, p. 139-140, die pleiten voor een ruime uitleg van art 271 lid 2 Sv.
Zie voor overzichten vooral Veldt 1997, hoofdstukken 6 en 7; Stamhuis 2001; Kuijer 2004, deel C; Cleiren 2012.
Zie art. 268 Sv (en 21 lid 4 Sv voor de rechter-commissaris die deelneemt aan de raadkamer) respectievelijk HR 18 januari 1994, NJ 1994, 305.
Vandaar bijvoorbeeld dat de wetgever van 1926 niet de rechtbank maar het Hof belastte met het beklag over niet-vervolging om “zelfs elke mogelijkheid van vooringenomenheid bij de latere berechting te vermijden”, Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 32.
Zo ook Veldt 1997, p. 398; Kuijer 2004, p. 439; Cleiren 2012, p. 71. Daaraan doet niet af dat voor detailkritiek wel aanleiding bestaat. Zo is de ‘voorkeur’ van art. 12j Sv wat zwakjes uitgedrukt (vgl. Fernhout 1982, p. 491 e.v.; Corstens/Borgers 2014, p. 125) en bestaat discussie over hervorming van de wrakingsregeling (vgl. vooral de studie van Giesen e.a. 2012 en bijv. recent Groenhuijsen 2017).
Vgl. in dezelfde zin Schalken 1985.
Rozemond 1999 geeft diverse verklaringen voor het feit dat het zwaartepunt van het feitenonderzoek in Nederland niet bij het zittingsonderzoek is komen te liggen.
Maar acht slaan op stukken die niet zijn voorgehouden, leidt tot nietigheid, ook als het andere vragen dan de bewijsvraag betreft, zie HR 26 mei 1998, NJ 1998, 713, voor de strafoplegging bevestigd in HR 24 januari 2012, NJ 2012, 82. De rechter kan volstaan met mededeling van de korte inhoud van die stukken (art. 301 Sv).
Vooral beslissingen rondom het horen van getuigen zijn dan ook frequent aanleiding tot wrakingsverzoeken. Zie de kwantitatieve analyse van Van Rossum & Tigchelaar 2013.
Vgl. De Weerd & Stapel 2014, p. 211.
Zie bijv. Pompe 1959, p. 149-150; Crombag, Van Koppen & Wagenaar 2011, p. 50 e.v.; Cleiren 2012, p. 45-46.
Vgl. Stolwijk 1976, Artikel 302, p. 2; Lensing & Mulder 1994, p. 61.
Zie reeds op deze wijze kritisch Blok & Besier 1925, deel II, p. 72-73; Pompe 1959, p. 145.
Zie ook De Weerd & Stapel 2014.
Daarom deed zich geen schending van de onpartijdigheid voor in HR 21 september 2010, NJ 2010, 520 (‘wij denken dat u liegt’); Rb. Rotterdam 4 maart 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP6871 (‘je liegt ook nog eens’); Rb. Rotterdam 29 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ3091 (‘Dat geloof ik niet’). Vgl. in dit verband ook A-G Hofstee, conclusie vóór HR 22 maart 2016, NJ 2016, 228, punt 14.
Zie t.a.v. de onschuldpresumptie uitdrukkelijk HR 17 maart 1992, DD 92.280. Zie voor een rechtspraakoverzicht voorts Cleiren 2012, p. 48. Het verschil in beoordeling tussen een tussentijds getuigenverzoek en een definitieve beoordeling van het verweer waartoe het horen van de getuige wordt verzocht, wordt aan de orde gesteld door Borgers, annotatie bij: HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, punt 12.
HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 107 (onschuldpresumptie); HR 2 juni 2009, NJ 2009, 278 (onpartijdigheid).
In die categorie viel ook de voorzitter van de rechtbank die opmerkte dat waarheidsvinding de verdachte kennelijk niet goed uitkwam, zie Rb. Roermond 30 november 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BO6397. Een tussenuitspraak waarbij de feiten reeds bewezen worden geacht, is overigens wel geoorloofd: zie HR 27 september 1983, NJ 1984, 173; HR 22 januari 2008, NJ 2008, 193, m.nt. Reijntjes. Nu het Nederlandse strafproces geen geformaliseerd tweefasenmodel kent, weerhoudt niets de partijen ervan op een vervolgzitting toch weer nieuwe bewijzen en verweren aan te dragen die zien op de eerdere hoofdvragen en de rechter zal bereid moeten blijven daardoor te worden overtuigd.
Alleen als de strafrechter zich in zijn bewijswaardering uitsluitend laat leiden door het aangedragen materiaal en niet door ten nadele van de verdachte sprekende bijkomende omstandigheden of vooroordelen, kan de door de onschuldpresumptie ingegeven bewijslastverdeling daadwerkelijk effectief zijn. De bewijsdimensie vergt dan ook dat de zittingsrechter de verdachte voorafgaand aan en gedurende zijn onderzoek niet reeds voor schuldig houdt.1 Het EHRM stelt daarover: “the members of a court should not start with the preconceived idea that the accused has committed the offence charged”.2
Deze norm vraagt van de over het bewijs oordelende rechter een bijzondere geestesgesteldheid.3 Daarmee is het een verstrekkender vereiste dan het uit de behandelingsdimensie voortvloeiende, aan alle autoriteiten gerichte voorschrift de verdachte niet voortijdig als schuldige te behandelen. Dat laatste is louter een gedragsnorm. Voor de zittingsrechter die uiteindelijk oordeelt over schuld of onschuld van de verdachte, geldt echter dus ook een cognitief gebod.4 Tegelijkertijd is de norm minder veeleisend dan de benaming ‘vermoeden van onschuld’ wellicht suggereert. Deze vraagt van de zittingsrechter nadrukkelijk geen vooroordeel ten gunste van de verdachte.5 Een assumptie dat de verdachte onschuldig is, is niet nodig. De rechter heeft zich enkel te onthouden van een voortijdig oordeel dat de verdachte schuldig is. Nog het laatste woord van de verdachte moet een ogenschijnlijk uitgemaakte zaak in diens voordeel op zijn kop kunnen zetten.
Dat de rechter rechtspreekt zonder vooringenomenheid over de schuld van de verdachte, is ook een kernwaarde van het Nederlandse strafproces.6 Uit artikel 338 Sv volgt dat het bewijs alleen mag worden aangenomen op grond van ter terechtzitting ge(re)produceerd materiaal. De rechtspraak van de Hoge Raad bevestigt eveneens dat de rechter niet voortijdig tot waardering van dat materiaal dient te komen: “Het behoort tot de taak van de rechter eerst na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting het beschikbare bewijsmateriaal [...] te waarderen.”7
Het recht op een onbevooroordeelde rechter laat zich daarnaast afleiden uit de meeromvattende eis van rechterlijke neutraliteit, of – iets specifieker – diens onpartijdigheid.8 Die onpartijdigheid vereist belangeloosheid, onbevangenheid, een zekere persoonlijke en emotionele distantie en ook het ontbreken van vooringenomenheid. Het vereiste van rechterlijke onpartijdigheid volgt niet alleen uit artikel 6 EVRM, maar tevens uit het samenstel van regels op nationaal niveau.9 Bijvoorbeeld de Nederlandse wrakingsregeling, die in de kern veel ouder is dan het EVRM, vereist die onpartijdigheid, inclusief niet-vooringenomenheid reeds.10
In het bijzonder relevant voor hetgeen de onschuldpresumptie voorschrijft, is artikel 271 lid 2 Sv.11 Die bepaling wordt veelvuldig nauw met de onschuldpresumptie in verband gebracht.12 Dat wekt geen verbazing, want het artikel verbiedt de zittingsrechter op de terechtzitting blijk te geven van de overtuiging dat de verdachte schuldig is. Aldus beschermt die bepaling niet de onpartijdigheid in het algemeen, maar is de reikwijdte ervan beperkt tot dat aspect van de onpartijdigheid waarop ook het onschuldvermoeden ziet. Namelijk de vooringenomenheid van de strafrechter over de schuld van de verdachte aan het tenlastegelegde strafbare feit.13
De belangrijkste beperking van artikel 271 lid 2 Sv ten opzichte van de onpartijdigheidseis en de uit de bewijsdimensie voortvloeiende norm, is dat de bepaling niet ziet op het hebben, maar louter op het blijken van de overtuiging dat de verdachte schuldig is. Derhalve bestrijkt het artikel alleen de bejegening van de verdachte en daarmee in wezen een symptoom van de daadwerkelijke vooringenomenheid.14 Dat kan evenwel niet goed anders. Vooroordeel over de schuld van de verdachte zal zich moeten openbaren, eer daarop kan worden gereageerd.15 Blijkt daarvan niet, dan moet de subjectieve onpartijdigheid – en dus ook de onbevooroordeeldheid over de schuld van de verdachte – worden verondersteld.16 In zoverre maakt het niet zoveel uit dat artikel 271 lid 2 Sv alleen betrekking heeft op de uiterlijk waarneembare vooringenomenheid. Ondertussen kan wel worden aangenomen dat ook steeds grond voor wraking zal bestaan waar die vooringenomenheid over de schuld van de verdachte blijkt buiten het onderzoek ter terechtzitting en daarmee buiten het bereik van artikel 271 Sv.17 Aldus bestaat geen twijfel erover dat het Nederlandse strafprocesrecht de onschuldpresumptie op dit punt beoogt te beschermen.
Of het Nederlandse strafprocesrecht de rechter ook voldoende in staat stelt aan het verbod van vooringenomenheid daadwerkelijk te voldoen, is een tweede. Het Nederlandse recht kent vele regels en instrumenten die de neutraliteit van de strafrechter waarborgen.18 Veel van die regels hebben niet rechtstreeks betrekking op de vooringenomenheid van de strafrechter in een concrete zaak. Deze waarborgen voor onafhankelijkheid en onpartijdigheid dragen echter wel bij aan het voorkomen van zulke vooringenomenheid. Rechters die niet onbevangen zijn, bijvoorbeeld omdat zij eerder al als rechter-commissaris in de zaak hebben opgetreden of omdat zij het door de Hoge Raad vernietigde arrest in een teruggewezen zaak wezen, lopen een groter risico het zittingsonderzoek vooringenomen aan te vangen. Daarom zijn zij van de berechting uitgesloten.19 Soortgelijke opmerkingen zijn te maken over de rechter die te dicht bij de andere overheidsinstituties in het algemeen en bij het Openbaar Ministerie in het bijzonder staat of die een persoonlijk belang heeft bij de uitkomst van een strafzaak.20 De waarborgen die het recht op een neutrale rechter omgeven vergroten derhalve de kans aanzienlijk dat de rechter onbevooroordeeld is en rechtvaardigen het vermoeden van subjectieve onpartijdigheid. Die neutraliteit lijkt mij in Nederland in het algemeen in goede handen.21
Wel is het voor de Nederlandse strafrechter in tweeërlei opzicht een uitdagender opgave zonder vooroordeel over de schuld van de verdachte recht te spreken, dan voor bijvoorbeeld de jury in een strafproces met juryrechtspraak of voor een meer lijdelijke rechter in een meer door de partijen gedomineerd proces.22
Ten eerste ligt het gevaar op de loer dat de zittingsrechter in strafzaken het onderzoek ter zitting aanvangt met een vermoeden dat de verdachte schuldig is. Weliswaar fundeert de rechter zijn bewijsbeslissing als het goed is conform artikel 338 Sv alleen op ter terechtzitting ge(re)produceerde bewijsmiddelen, maar dit onmiddellijkheidsbeginsel is in de Nederlandse strafrechtspraktijk relatief zwak ontwikkeld.23 Rechterlijke feitenvaststelling geschiedt grotendeels op basis van stukken uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen dossier.24 Dat dossier komt reeds voor de terechtzitting ter kennis van de rechter en bevat doorgaans veel belastend materiaal.
Daarnaast vereist de rolverdeling ter terechtzitting in Nederland van de strafrechter dat hij zich actief mengt in het proces van waarheidsvinding. Doordat de strafrechter ter zitting de regie voert, kan hij meestal niet volstaan met het tot zich nemen van informatie. Het is bijvoorbeeld primair de taak van de strafrechter om verdachten, getuigen en deskundigen aan een kritische ondervraging te onderwerpen. Tevens beraadslaagt en beslist hij tussentijds over allerlei vorderingen en verzoeken die voor de uitkomst van de strafzaak van belang zijn. Dit brengt de rechter soms in een lastig parket. Wanneer tussentijdse beslissingen de verdediging onwelgevallig zijn, leiden zij regelmatig tot beschuldigingen van vooringenomenheid.25 Bij al te strenge eerbiediging van het gebod een open gemoed over de schuldvraag te houden, belemmert dat strafrechters in hun onderzoek en in het bijzonder in het stellen van kritische vragen. Dat wordt althans zo ervaren.26
Deze twee systeemkenmerken vergen van de strafrechter extra professionaliteit, maar staan niet aan een open en niet-vooringenomen opstelling in de weg. Kennisname van het procesdossier is op zichzelf niet problematisch. Sterker nog, de informatie in dat dossier is onmisbaar voor een deugdelijk onderzoek. Van het ‘verhaal’ van het Openbaar Ministerie dient de rechter kennis te nemen. Het bezwaar daartegen is niet die kennisname op zichzelf, maar dat de rechter het standpunt van het Openbaar Ministerie tot zich neemt zonder tegenspraak in de vorm van het alternatief verhaal van de verdediging. Dat alternatief volgt dikwijls pas enige tot geruime tijd later, op de terechtzitting. De rechter is dus geen onbeschreven blad, maar heeft veel informatie die – meestal – in de richting van de schuld van de verdachte wijst. Dit is geen ideale situatie. Voor de gevaren daarvan is al vaak gewaarschuwd.27 Het alternatief waarbij de rechter géén kennis neemt van het dossier is vanuit proceseconomisch perspectief echter onrealistisch. Een situatie waarin hij pas achteraf van het dossier kennis neemt, is nog veel bezwaarlijker. Nieuwe informatie kan dan niet kritisch worden getoetst en door de verdediging onvoldoende worden weersproken. Voorts zouden beide alternatieven ertoe leiden dat de rechter niet langer op de huidige wijze de regie kan voeren over het zittingsonderzoek. Oplossingen worden dan ook vooral gezocht in de vermindering van de eenzijdigheid van het procesdossier. Krachtens het nog niet zo lang geleden geïntroduceerde artikel 34 Sv heeft thans ook de verdediging in principe de mogelijkheid relevante stukken aan het procesdossier toe te voegen. Hoewel een en ander mijns inziens niet wegneemt dat in de kennisname van dat dossier een kwetsbaarheid in de neutraliteit van de Nederlandse rechter schuilt, waarvan de rechter zich in elk geval bewust moet zijn, kan volgens mij niet worden gezegd dat rechtspraak zonder vooringenomenheid daardoor onmogelijk wordt gemaakt.
De onschuldpresumptie en artikel 271 lid 2 Sv staan evenmin in de weg aan een adequate leiding over het zittingsonderzoek. De vrees daarvoor bestaat er onder meer in dat de eerlijkheid en zorgvuldigheid van de procedure schade zouden lijden wanneer de rechter zijn aannames, veronderstellingen en opvattingen over de feiten dient te verdoezelen om de verdachte vervolgens in zijn vonnis met een sluitende bewijsvoering te overvallen.28 Daarnaast zou het negeren van hetgeen voor alle procesactoren evident is – waaronder ook de schuld van de verdachte – de verhoudingen tussen die actoren en de waardigheid van de procedure aantasten.29 Deze vrees berust echter op strengere eisen dan daadwerkelijk uit de onschuldpresumptie en artikel 271 lid 2 Sv volgen.30 Als gezegd vereisen zij een open mind en de daarbij behorende uitstraling. Beide verlangen echter niet indrukken en opvattingen te verdoezelen en staan er niet aan in de weg de verdachte indringend met zijn ongeloofwaardigheid te confronteren. Juist een rechter die ondanks een ongeloofwaardige verklaring ervoor open staat dat de verdachte niettemin onschuldig is, zal aankaarten dat en waarom hij de verdachte moeilijk kan geloven.31 De verdediging onwelgevallige tussenuitspraken geven eveneens geen blijk van een gestold schuldoordeel en schenden dus op zichzelf de onschuldpresumptie niet.32 Pas ontoelaatbaar wordt het, ook volgens de Hoge Raad, wanneer “zonder enig voorbehoud” aan de verdachte wordt medegedeeld dat hij schuldig is. Zo kan niet op voorhand worden gezegd of beslist dat de rechtbank de verdachte aan een eerdere (en later gewijzigde) bekennende verklaring zal houden.33 Evenmin kan tijdens het zittingsonderzoek reeds worden aangekondigd dat tot een bepaalde bewijsbeslissing zal worden gekomen of dat de schuld van de verdachte wel vaststaat.34 Dat de zittingsrechter van de voorlopigheid van zijn indrukken doordrongen is, een definitief oordeel over de schuld van de verdachte uitstelt, en daarop zijn gedragingen en formuleringen afstemt, lijkt mij wenselijk. Bovendien blijkt de Nederlandse, van het procesdossier kennis nemende en actief onderzoekende strafrechter, in het algemeen goed in staat die terughoudendheid in acht te nemen. Tekortkomingen in de naleving van de onschuldpresumptie zijn in dit opzicht – voor zover zij naar buiten toe kenbaar zijn en in de gepubliceerde rechtspraak voorkomen – incidenteel.